Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2387

2026-08-25 Civiel recht 200.332.583/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-25
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.332.583/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Effectenlease. Is vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW verjaard? Bewijsopdracht.”

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.554 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I


zaaknummer : 200.332.583/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9548925 EL 21-319




arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 augustus 2026




inzake




DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante, verweerster in het incident,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,



tegen





[geïntimeerde]
,
wonend te [plaats] ,
geïntimeerde, verweerster in het incident,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,




Partijen worden hierna Dexia en de echtgenote genoemd.






1Het geding in hoger beroep


Dexia is bij dagvaarding van 4 september 2023 in hoger beroep gekomen van een tussenvonnis van 12 mei 2022 en een eindvonnis van 20 juli 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen de echtgenote als eiseres en Dexia als gedaagde.



Partijen in de hoofdzaak hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.


Ten slotte is arrest gevraagd.



De echtgenote heeft in haar hoedanigheid van erfgenaam van de afnemer een incidentele vordering strekkend tot voeging aan de zijde van de echtgenote en tussenkomst opgeworpen. Zij heeft haar incidentele vordering ingetrokken.



Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.








2Feiten


Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.



2.1.
De afnemer, [naam] , heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:














Nr.




Contractnummer




Datum




Naam




Looptijd




Eindafrekening




Resultaat





1.



[nummer 1]



11-6-1998



[bedrijf 1]



180 mnd


23-10-2006


-/- € 126,05




2.



[nummer 2]



17-9-1999



[bedrijf 2]



120 mnd


23-10-2006


-/- € 4.163,15




3.



[nummer 3]



16-11-2000



[bedrijf 3]



36 mnd


17-11-2003


-/- € 13.796,93








2.2.
De echtgenote, met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.



2.3.
Bij brief van 26 augustus 2004 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief)heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW meegedeeld de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen.






3Beoordeling


3.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.



3.2.
Deze procedure ziet op door de afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten waarvan de echtgenote de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.



3.3.
De kantonrechter heeft voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote ter zake de effectenleaseovereenkomsten te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.



3.4.
Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt onder meer besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten door de echtgenote niet is verjaard.



3.5.
Het hof neemt tot uitgangspunt dat die grieven betrekking hebben op effectenleaseovereenkomsten 1 en 2. Dexia heeft namelijk geen kenbare grief gericht – en de echtgenote heeft dat ook niet anders opgevat – tegen het oordeel van de kantonrechter in het tussenvonnis dat effectenleaseovereenkomst 3 ingevolge het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) met de vernietigingsbrief tijdig is vernietigd, nu deze overeenkomst is afgesloten binnen drie jaar voorafgaand aan het aanhangig maken van de collectieve vordering.



3.6.
Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de effectenleaseovereenkomsten, die de afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan de afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven.



3.7.
Uit artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.



3.8.
De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid.



3.9.
Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).



3.10.
Dexia heeft in eerste aanleg gesteld dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 kennis heeft genomen van de effectenleaseovereenkomsten 1 en 2 en daartoe onder meer het volgende aangevoerd:


naar algemene ervaringsregels bespreken echtgenoten het sluiten van effectenleaseovereenkomsten zoals deze met elkaar. Dat geldt in deze zaak te meer vanwege de totale leasesom van relatief grote omvang (NLG 129,365,00);


op de effectenleaseovereenkomsten is een bedrag van € 16.762,63 aan incasso’s betaald. Een dergelijke uitgave kan niet zijn gedaan zonder dat dit is besproken;


de echtgenote zal ook inkomen hebben gehad en beide salarissen zullen zijn gestort op de en/of-rekening. Het salaris van de echtgenote zal ook zijn aangewend voor de betaling van de maandtermijnen en dit moet reden zijn geweest voor de afnemer om haar over de effectenleaseovereenkomsten te vertellen;


de afnemer heeft vanaf juni 1998 met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten op meerdere momenten poststukken van Dexia of haar rechtsvoorgangsters ontvangen op het huisadres van de afnemer en de echtgenote. Het is onaannemelijk dat de echtgenote de veelheid aan poststukken niet heeft opgemerkt;


Dexia gaat er vanuit dat de afnemer en de echtgenote gezamenlijk hun belastingaangifte indienden en dat de echtgenote deze heeft gelezen voordat zij deze ondertekende. Zodoende heeft zij kunnen zien dat de afnemer de verschuldigde rente heeft afgetrokken.



Aan de door de echtgenote in eerste aanleg op instructie van de kantonrechter overgelegde schriftelijke verklaringen kan volgens Dexia geen betekenis worden gehecht, onder meer omdat Dexia geen invloed had op de inhoud en beantwoording van de vragen en de totstandkoming van de verklaringen.
De echtgenote heeft betwist dat zij vóór 13 maart 2000 van de effectenleaseovereenkomsten kennis heeft genomen.




3.11.
Dexia heeft voorts aangevoerd dat de maandelijkse betalingen aan Dexia voor de effectenleaseovereenkomsten van een en/of-rekening op naam van de afnemer en de echtgenote zijn gedaan, zodat aangenomen moet worden dat de echtgenote vanaf de ontvangst van het oudste bankafschrift betreffende een betaling aan Dexia op de hoogte is geraakt van de effectenleaseovereenkomsten. De echtgenote heeft erkend dan wel onvoldoende weersproken dat de betalingen vanaf de en/of-rekening zijn gedaan.



3.12.
Het hof ziet aanleiding om eerst te beoordelen of de vernietigingsbevoegdheid van de echtgenote was verjaard ten tijde van de vernietigingsverklaring en laat dus vooralsnog in het midden waartoe de overige stellingen en/of verweren van Dexia moeten leiden. Aan het feit dat de betalingen zijn gedaan vanaf de en/of-rekening, ontleent het hof het bewijsvermoeden dat de echtgenote op de datum van het eerste bankafschrift waarop de betaling aan Dexia is vermeld, bekend werd met de effectenleaseovereenkomsten 1 en 2 (vergelijk HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506). Dit brengt mee dat Dexia voorshands is geslaagd in het bewijs dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten 1 en 2 bekend is geworden. Het is vervolgens aan de echtgenote om overeenkomstig haar aanbod tegenbewijs te leveren van deze bekendheid. Het hof zal hiertoe de gelegenheid geven zoals hierna onder 4.1 is vermeld.



3.13.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.






4Beslissing


Het hof:



4.1.
laat de echtgenote toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands als bewezen geachte stelling dat zij vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten 1 en 2 bekend is geworden;



4.2.
bepaalt dat als de echtgenote dit tegenbewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. L. Alwin die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 14 september 2026 om 11.30 uur;



4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, W.J.J. Los en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.