Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2385
2026-08-25
Civiel recht
200.332.915/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenarrest. Effectenlease. Is vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW verjaard? Bewijsopdracht.”
Citeert (4)
- ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033 Gerechtshof Amsterdam 25-01-2007
- ECLI:NL:HR:2015:3018 Hoge Raad 09-10-2015
- ECLI:NL:HR:2015:3018 Hoge Raad 09-10-2015
- ECLI:NL:HR:2012:BU6506 Hoge Raad 17-02-2012
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.421 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.332.915/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9609681 EL 21-341
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 augustus 2026
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [plaats] , gemeente Voorst,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd.
1Het geding in hoger beroep
Dexia is bij dagvaarding van 4 september 2023 in hoger beroep gekomen van een tussenvonnis van 21 april 2022 en een eindvonnis van 29 juni 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en Dexia als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte uitlaten producties Dexia.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.
2Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
2.1.
[naam] (hierna: de afnemer) heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer 1]
23-05-1997
[bedrijf 1]
60 mnd
23-05-2005
€ 1.447,50
2.
[nummer 2]
19-09-1997
[bedrijf 2]
120 mnd
18-09-2007
-/- € 1.272,48
3.
[nummer 3]
14-12-1998
[bedrijf 3]
36 mnd
14-12-2001
€ 773,61
4.
[nummer 4]
02-07-1999
[bedrijf 3]
36 mnd
01-07-2005
-/- € 6.314,81
5.
[nummer 5]
02-12-1999
[bedrijf 4]
60 mnd
01-12-2004
-/- € 1.163,56
6.
[nummer 6]
19-07-2000
[bedrijf 5]
120 mnd
06-01-2006
€ 519,10
7.
[nummer 7]
09-10-2000
[bedrijf 2]
120 mnd
17-05-2006
-/- € 6.614,30
8.
[nummer 8]
28-11-2000
[bedrijf 6]
36 mnd
30-12-2003
-/- € 2.882,94
2.2.
[geïntimeerde] , met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.
2.3.
Bij brief van 25 augustus 2005 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [geïntimeerde] met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW meegedeeld de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen.
3Beoordeling
3.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. De afnemer en [geïntimeerde] hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
3.2.
Deze procedure ziet op door de afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten waarvan [geïntimeerde] de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.
3.3.
De kantonrechter heeft voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan [geïntimeerde] ter zake de effectenleaseovereenkomsten te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan [geïntimeerde] de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.
3.4.
Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt onder meer (kenbaar voor [geïntimeerde] en het hof) besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten door [geïntimeerde] niet is verjaard. Het hof neemt tot uitgangspunt dat die grieven betrekking hebben op effectenleaseovereenkomsten 1 tot en met 5. Dexia heeft namelijk geen kenbare grief gericht – en [geïntimeerde] heeft dat ook niet anders opgevat – tegen het oordeel van de kantonrechter in het tussenvonnis dat effectenleaseovereenkomsten 6, 7 en 8 ingevolge het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) met de vernietigingsbrief tijdig zijn vernietigd, nu deze overeenkomsten zijn afgesloten binnen drie jaar voorafgaand aan het aanhangig maken van de collectieve vordering.
3.5.
Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. [geïntimeerde] heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de effectenleaseovereenkomsten, die de afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan de afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven.
3.6.
Uit artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan [geïntimeerde] van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.
3.7.
De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop [geïntimeerde] daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij [geïntimeerde] bekend zijn, en niet de bekendheid van [geïntimeerde] met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer [geïntimeerde] wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van [geïntimeerde] kan worden afgeleid.
3.8.
Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van [geïntimeerde] tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar [geïntimeerde] pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat [geïntimeerde] daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).
3.9.
Dexia heeft in eerste aanleg gesteld dat [geïntimeerde] vóór 13 maart 2000 kennis heeft genomen van de effectenleaseovereenkomsten en daartoe onder meer het volgende aangevoerd:
naar algemene ervaringsregels bespreken echtgenoten het sluiten van effectenleaseovereenkomsten zoals deze met elkaar. Dat geldt in deze zaak te meer vanwege de totale leasesom van alle tussen de afnemer en Dexia afgesloten effectenleaseovereenkomsten die een relatief grote omvang had (NLG 211.874,37);
[geïntimeerde] heeft op 21 juni 2002 telefonisch contact gehad met Dexia. Uit de opname van dit gesprek blijkt dat [geïntimeerde] in ieder geval voor het gestelde moment van wetenschap op de hoogte is geraakt van de effectenleaseovereenkomsten;
[geïntimeerde] en de afnemer zijn in 2001 verhuisd. Bij een verhuizing dient een inventarisatie van de administratie plaats te vinden en worden doorgaans de financiën van het gezin doorgenomen. Bij het afsluiten van een hypotheek wordt bovendien in de regel een BKR-toets uitgevoerd. Nu effectenleaseovereenkomsten geregistreerd zijn bij het BKR, komen deze bij het afsluiten van de hypotheek ook ter tafel. De effectenleaseovereenkomsten zullen dan ook rond de verhuizing in 2001 ter sprake zijn gekomen;
de afnemer heeft in juli 2005 duplicaten van de effectenleaseovereenkomsten opgevraagd. Dexia kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de afnemer wilde nagaan of [geïntimeerde] de effectenleaseovereenkomsten mede had ondertekend. Indien [geïntimeerde] niet op de hoogte was van de effectenleaseovereenkomsten ten tijde van het aangaan daarvan, bestond er ook geen reden duplicaten op te vragen. Een echtgenote die niet op de hoogte was, zou immers ook nooit schriftelijke toestemming kunnen hebben gegeven. Nu de afnemer wilde controleren of [geïntimeerde] de effectenleaseovereenkomsten mede had ondertekend, moet het ervoor worden gehouden dat [geïntimeerde] wel degelijk op de hoogte was van de effectenleaseovereenkomsten ten tijde van het aangaan hiervan;
op alle tussen de afnemer en Dexia afgesloten effectenleaseovereenkomsten is een bedrag van € 22.391,09 aan incasso’s betaald. Een dergelijke uitgave kan niet zijn gedaan zonder dat dit is besproken;
[geïntimeerde] zal ook inkomen hebben gehad en beide salarissen zullen zijn gestort op de en/of-rekening. Het salaris van [geïntimeerde] zal ook zijn aangewend voor de betaling van de maandtermijnen en dit moet reden zijn geweest voor de afnemer om haar over de effectenleaseovereenkomsten te vertellen;
de afnemer heeft vanaf 1997 met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten op meerdere momenten poststukken van Dexia of haar rechtsvoorgangsters ontvangen op het huisadres van de afnemer en [geïntimeerde] . Het is onaannemelijk dat [geïntimeerde] de veelheid aan poststukken niet heeft opgemerkt;
Dexia gaat er vanuit dat de afnemer en [geïntimeerde] gezamenlijk hun belastingaangifte indienden en dat [geïntimeerde] deze heeft gelezen voordat zij deze ondertekende. Zodoende heeft zij kunnen zien dat de afnemer de verschuldigde rente heeft afgetrokken.
Aan de door [geïntimeerde] in eerste aanleg op instructie van de kantonrechter overgelegde schriftelijke verklaringen kan volgens Dexia geen betekenis worden gehecht, onder meer omdat Dexia geen invloed had op de inhoud en beantwoording van de vragen en de totstandkoming van de verklaringen.
[geïntimeerde] heeft het bovenstaande betwist.
3.10.
Dexia heeft voorts aangevoerd dat de maandelijkse betalingen aan Dexia voor de effectenleaseovereenkomsten van een en/of-rekening op naam van de afnemer en [geïntimeerde] zijn gedaan, zodat aangenomen moet worden dat [geïntimeerde] vanaf de ontvangst van het oudste bankafschrift betreffende een betaling aan Dexia op de hoogte is geraakt van de effectenleaseovereenkomsten. [geïntimeerde] heeft erkend dan wel onvoldoende weersproken dat de betalingen vanaf de en/of-rekening zijn gedaan.
3.11.
Het hof ziet aanleiding om eerst deze stelling te behandelen en laat dus vooralsnog in het midden waartoe de overige stellingen en/of verweren van Dexia moeten leiden. Aan het feit dat de betalingen zijn gedaan vanaf de en/of-rekening, ontleent het hof het bewijsvermoeden dat [geïntimeerde] op de datum van het eerste bankafschrift waarop de betaling aan Dexia is vermeld, bekend werd met effectenleaseovereenkomsten 1 tot en met 5 (vergelijk HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506). Dit brengt mee dat Dexia voorshands is geslaagd in het bewijs dat [geïntimeerde] vóór 13 maart 2000 met het bestaan van effectenleaseovereenkomsten 1 tot en met 5 bekend is geworden. Het is vervolgens aan [geïntimeerde] om overeenkomstig haar aanbod tegenbewijs te leveren van deze bekendheid. Het hof zal hiertoe de gelegenheid geven zoals hierna onder 4.1 is vermeld.
3.12.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4Beslissing
Het hof:
4.1.
laat [geïntimeerde] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands als bewezen geachte stelling dat zij vóór 13 maart 2000 met het bestaan van effectenleaseovereenkomsten 1 tot en met 5 bekend is geworden;
4.2.
bepaalt dat als [geïntimeerde] dit tegenbewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. R.M. de Winter die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 16 september 2026 om 9.30 uur;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.M. de Winter, J.W.M. Tromp en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.332.915/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9609681 EL 21-341
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 augustus 2026
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [plaats] , gemeente Voorst,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd.
1Het geding in hoger beroep
Dexia is bij dagvaarding van 4 september 2023 in hoger beroep gekomen van een tussenvonnis van 21 april 2022 en een eindvonnis van 29 juni 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en Dexia als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte uitlaten producties Dexia.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.
2Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
2.1.
[naam] (hierna: de afnemer) heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer 1]
23-05-1997
[bedrijf 1]
60 mnd
23-05-2005
€ 1.447,50
2.
[nummer 2]
19-09-1997
[bedrijf 2]
120 mnd
18-09-2007
-/- € 1.272,48
3.
[nummer 3]
14-12-1998
[bedrijf 3]
36 mnd
14-12-2001
€ 773,61
4.
[nummer 4]
02-07-1999
[bedrijf 3]
36 mnd
01-07-2005
-/- € 6.314,81
5.
[nummer 5]
02-12-1999
[bedrijf 4]
60 mnd
01-12-2004
-/- € 1.163,56
6.
[nummer 6]
19-07-2000
[bedrijf 5]
120 mnd
06-01-2006
€ 519,10
7.
[nummer 7]
09-10-2000
[bedrijf 2]
120 mnd
17-05-2006
-/- € 6.614,30
8.
[nummer 8]
28-11-2000
[bedrijf 6]
36 mnd
30-12-2003
-/- € 2.882,94
2.2.
[geïntimeerde] , met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.
2.3.
Bij brief van 25 augustus 2005 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [geïntimeerde] met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW meegedeeld de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen.
3Beoordeling
3.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. De afnemer en [geïntimeerde] hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
3.2.
Deze procedure ziet op door de afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten waarvan [geïntimeerde] de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.
3.3.
De kantonrechter heeft voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan [geïntimeerde] ter zake de effectenleaseovereenkomsten te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan [geïntimeerde] de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.
3.4.
Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt onder meer (kenbaar voor [geïntimeerde] en het hof) besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten door [geïntimeerde] niet is verjaard. Het hof neemt tot uitgangspunt dat die grieven betrekking hebben op effectenleaseovereenkomsten 1 tot en met 5. Dexia heeft namelijk geen kenbare grief gericht – en [geïntimeerde] heeft dat ook niet anders opgevat – tegen het oordeel van de kantonrechter in het tussenvonnis dat effectenleaseovereenkomsten 6, 7 en 8 ingevolge het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) met de vernietigingsbrief tijdig zijn vernietigd, nu deze overeenkomsten zijn afgesloten binnen drie jaar voorafgaand aan het aanhangig maken van de collectieve vordering.
3.5.
Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. [geïntimeerde] heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de effectenleaseovereenkomsten, die de afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan de afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven.
3.6.
Uit artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan [geïntimeerde] van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.
3.7.
De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop [geïntimeerde] daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij [geïntimeerde] bekend zijn, en niet de bekendheid van [geïntimeerde] met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer [geïntimeerde] wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van [geïntimeerde] kan worden afgeleid.
3.8.
Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van [geïntimeerde] tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar [geïntimeerde] pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat [geïntimeerde] daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).
3.9.
Dexia heeft in eerste aanleg gesteld dat [geïntimeerde] vóór 13 maart 2000 kennis heeft genomen van de effectenleaseovereenkomsten en daartoe onder meer het volgende aangevoerd:
naar algemene ervaringsregels bespreken echtgenoten het sluiten van effectenleaseovereenkomsten zoals deze met elkaar. Dat geldt in deze zaak te meer vanwege de totale leasesom van alle tussen de afnemer en Dexia afgesloten effectenleaseovereenkomsten die een relatief grote omvang had (NLG 211.874,37);
[geïntimeerde] heeft op 21 juni 2002 telefonisch contact gehad met Dexia. Uit de opname van dit gesprek blijkt dat [geïntimeerde] in ieder geval voor het gestelde moment van wetenschap op de hoogte is geraakt van de effectenleaseovereenkomsten;
[geïntimeerde] en de afnemer zijn in 2001 verhuisd. Bij een verhuizing dient een inventarisatie van de administratie plaats te vinden en worden doorgaans de financiën van het gezin doorgenomen. Bij het afsluiten van een hypotheek wordt bovendien in de regel een BKR-toets uitgevoerd. Nu effectenleaseovereenkomsten geregistreerd zijn bij het BKR, komen deze bij het afsluiten van de hypotheek ook ter tafel. De effectenleaseovereenkomsten zullen dan ook rond de verhuizing in 2001 ter sprake zijn gekomen;
de afnemer heeft in juli 2005 duplicaten van de effectenleaseovereenkomsten opgevraagd. Dexia kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de afnemer wilde nagaan of [geïntimeerde] de effectenleaseovereenkomsten mede had ondertekend. Indien [geïntimeerde] niet op de hoogte was van de effectenleaseovereenkomsten ten tijde van het aangaan daarvan, bestond er ook geen reden duplicaten op te vragen. Een echtgenote die niet op de hoogte was, zou immers ook nooit schriftelijke toestemming kunnen hebben gegeven. Nu de afnemer wilde controleren of [geïntimeerde] de effectenleaseovereenkomsten mede had ondertekend, moet het ervoor worden gehouden dat [geïntimeerde] wel degelijk op de hoogte was van de effectenleaseovereenkomsten ten tijde van het aangaan hiervan;
op alle tussen de afnemer en Dexia afgesloten effectenleaseovereenkomsten is een bedrag van € 22.391,09 aan incasso’s betaald. Een dergelijke uitgave kan niet zijn gedaan zonder dat dit is besproken;
[geïntimeerde] zal ook inkomen hebben gehad en beide salarissen zullen zijn gestort op de en/of-rekening. Het salaris van [geïntimeerde] zal ook zijn aangewend voor de betaling van de maandtermijnen en dit moet reden zijn geweest voor de afnemer om haar over de effectenleaseovereenkomsten te vertellen;
de afnemer heeft vanaf 1997 met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten op meerdere momenten poststukken van Dexia of haar rechtsvoorgangsters ontvangen op het huisadres van de afnemer en [geïntimeerde] . Het is onaannemelijk dat [geïntimeerde] de veelheid aan poststukken niet heeft opgemerkt;
Dexia gaat er vanuit dat de afnemer en [geïntimeerde] gezamenlijk hun belastingaangifte indienden en dat [geïntimeerde] deze heeft gelezen voordat zij deze ondertekende. Zodoende heeft zij kunnen zien dat de afnemer de verschuldigde rente heeft afgetrokken.
Aan de door [geïntimeerde] in eerste aanleg op instructie van de kantonrechter overgelegde schriftelijke verklaringen kan volgens Dexia geen betekenis worden gehecht, onder meer omdat Dexia geen invloed had op de inhoud en beantwoording van de vragen en de totstandkoming van de verklaringen.
[geïntimeerde] heeft het bovenstaande betwist.
3.10.
Dexia heeft voorts aangevoerd dat de maandelijkse betalingen aan Dexia voor de effectenleaseovereenkomsten van een en/of-rekening op naam van de afnemer en [geïntimeerde] zijn gedaan, zodat aangenomen moet worden dat [geïntimeerde] vanaf de ontvangst van het oudste bankafschrift betreffende een betaling aan Dexia op de hoogte is geraakt van de effectenleaseovereenkomsten. [geïntimeerde] heeft erkend dan wel onvoldoende weersproken dat de betalingen vanaf de en/of-rekening zijn gedaan.
3.11.
Het hof ziet aanleiding om eerst deze stelling te behandelen en laat dus vooralsnog in het midden waartoe de overige stellingen en/of verweren van Dexia moeten leiden. Aan het feit dat de betalingen zijn gedaan vanaf de en/of-rekening, ontleent het hof het bewijsvermoeden dat [geïntimeerde] op de datum van het eerste bankafschrift waarop de betaling aan Dexia is vermeld, bekend werd met effectenleaseovereenkomsten 1 tot en met 5 (vergelijk HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506). Dit brengt mee dat Dexia voorshands is geslaagd in het bewijs dat [geïntimeerde] vóór 13 maart 2000 met het bestaan van effectenleaseovereenkomsten 1 tot en met 5 bekend is geworden. Het is vervolgens aan [geïntimeerde] om overeenkomstig haar aanbod tegenbewijs te leveren van deze bekendheid. Het hof zal hiertoe de gelegenheid geven zoals hierna onder 4.1 is vermeld.
3.12.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4Beslissing
Het hof:
4.1.
laat [geïntimeerde] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands als bewezen geachte stelling dat zij vóór 13 maart 2000 met het bestaan van effectenleaseovereenkomsten 1 tot en met 5 bekend is geworden;
4.2.
bepaalt dat als [geïntimeerde] dit tegenbewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. R.M. de Winter die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 16 september 2026 om 9.30 uur;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.M. de Winter, J.W.M. Tromp en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.