Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2384

2026-08-25 Civiel recht 200.340.328/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-25
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.340.328/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Effectenlease. Is vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW verjaard? Bewijsopdracht.”

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.512 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I


zaaknummer : 200.340.328/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9500937 EL 21-268




arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 augustus 2026




inzake




DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,



tegen





[geïntimeerde 1]
,
wonend te [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam



en





[geïntimeerde 2]
,
wonend te [plaats] ,
gevoegde en tussenkomende partij,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.



Partijen worden hierna Dexia, de echtgenote en afnemer genoemd.






1Het geding in hoger beroep


In deze zaak heeft het hof op 1 juli 2025 een tussenarrest gewezen en daarin de incidentele vordering tot voeging en tussenkomst van afnemer toegewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dit tussenarrest verwezen.



Daarna zijn de volgende stukken ingediend:

- memorie na voeging en tussenkomst afnemer;
- antwoordmemorie na tussenarrest Dexia.


Ten slotte is arrest gevraagd. Het hof heeft het verzoek van de echtgenote om een akte te mogen nemen afgewezen.



Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.






2Feiten


Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.



2.1.
Afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:














Nr.




Contractnummer




Datum




Naam




Looptijd




Eindafrekening




Resultaat





1.



[nummer 1]



9-10-1997



[bedrijf 1]



120 mnd


9-10-2007


-/- € 914,63




2.



[nummer 2]



4-2-1999



[bedrijf 2]



84 mnd


17-2-2006


-/- € 78,90




3.



[nummer 3]



22-2-1999



[bedrijf 2]



84 mnd


17-3-2006


-/- € 39,45








2.2.
De echtgenote, met wie afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.



2.3.
Bij brief van 31 maart 2003 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW meegedeeld alle tussen afnemer en Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten te vernietigen.






3Beoordeling


3.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. Afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.



3.2.
Deze procedure ziet op door afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten waarvan de echtgenote de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.



3.3.
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote ter zake de effectenleaseovereenkomsten te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.



3.4.
Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt onder meer besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten door de echtgenote niet is verjaard.



3.5.
Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de effectenleaseovereenkomsten, die afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven.



3.6.
Uit artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.



3.7.
De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid.



3.8.
Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).



3.9.
Dexia heeft in eerste aanleg gesteld dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 kennis heeft genomen van de effectenleaseovereenkomsten en daartoe onder meer het volgende aangevoerd:


naar algemene ervaringsregels bespreken echtgenoten het sluiten van effectenleaseovereenkomsten als de onderhavige met elkaar. Dat geldt in deze zaak te meer vanwege de totale leasesom (van de effectenleaseovereenkomsten en overige niet in het geding zijnde effectenleaseovereenkomsten) van relatief grote omvang (NLG 474.840,54);


drie niet in het geding zijnde effectenleaseovereenkomsten zijn via een tussenpersoon tot stand gekomen. Voorafgaand aan de totstandkoming van een effectenleaseovereenkomst kwam een tussenpersoon in de regel meerdere malen bij een afnemer thuis. De kans is groot dat de echtgenote de tussenpersoon bij een van deze bezoeken heeft gezien. Bovendien is het in een gezin gebruikelijk dat bezoek wordt besproken. Daarnaast heeft de echtgenote de betreffende effectenleaseovereenkomsten mede ondertekend en had zij dus op dat moment wetenschap van deze overeenkomsten. Het is niet onaannemelijk dat zij dan ook op de hoogte was van de in de het geding zijnde effectenleaseovereenkomsten;


op alle tussen afnemer en Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten is in totaal een bedrag van € 79.541,72 aan incasso’s betaald. Een dergelijke uitgave kan niet zijn gedaan zonder dat dit is besproken;


de echtgenote zal ook inkomen hebben gehad en beide salarissen zullen zijn gestort op de en/of-rekening. Het salaris van de echtgenote zal ook zijn aangewend voor de betaling van de maandtermijnen en dit moet reden zijn geweest voor afnemer om haar over de effectenleaseovereenkomsten te vertellen;


afnemer heeft vanaf oktober 1997 met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten op meerdere momenten poststukken van Dexia of haar rechtsvoorgangsters ontvangen op het huisadres van afnemer en de echtgenote. Het is onaannemelijk dat de echtgenote deze poststukken niet heeft opgemerkt;


Dexia gaat er vanuit dat afnemer en de echtgenote gezamenlijk hun belastingaangifte indienden en dat de echtgenote deze heeft gelezen voordat zij deze ondertekende. Zodoende heeft zij kunnen zien dat afnemer de betaalde rente heeft afgetrokken.



Aan de door de echtgenote in eerste aanleg op instructie van de kantonrechter overgelegde schriftelijke verklaringen kan volgens Dexia geen betekenis worden gehecht, onder meer omdat Dexia geen invloed had op de inhoud en beantwoording van de vragen en de totstandkoming van de verklaringen.
De echtgenote heeft het bovenstaande betwist.




3.10.
Dexia heeft voorts aangevoerd dat de maandelijkse betalingen aan Dexia voor de effectenleaseovereenkomsten van een en/of-rekening op naam van afnemer en de echtgenote zijn gedaan, zodat aangenomen moet worden dat de echtgenote vanaf de ontvangst van het oudste bankafschrift betreffende een betaling aan Dexia op de hoogte is geraakt van de effectenleaseovereenkomsten. De echtgenote heeft erkend dan wel onvoldoende weersproken dat de betalingen vanaf de en/of-rekening zijn gedaan.



3.11.
Het hof ziet aanleiding om eerst deze stelling te behandelen en laat dus vooralsnog in het midden waartoe de overige stellingen en/of verweren van Dexia moeten [plaats] . Aan het feit dat de betalingen zijn gedaan vanaf de en/of-rekening, ontleent het hof het bewijsvermoeden dat de echtgenote op de datum van het eerste bankafschrift waarop de betaling aan Dexia is vermeld, bekend werd met de effectenleaseovereenkomsten (vergelijk HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506). Dit brengt mee dat Dexia voorshands is geslaagd in het bewijs dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten bekend is geworden. Het is vervolgens aan de echtgenote om overeenkomstig haar aanbod tegenbewijs te leveren van deze bekendheid. Het hof zal hiertoe de gelegenheid geven zoals hierna onder 4.1 is vermeld.



3.12.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.






4Beslissing


Het hof:



4.1.
laat de echtgenote toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands als bewezen geachte stelling dat zij vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten bekend is geworden;



4.2.
bepaalt dat als de echtgenote dit tegenbewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. M.M. Kruithof die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 18 september 2026 om 9.30 uur;



4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, J.W.M. Tromp en L. Alwin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.