Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2365

2026-08-18 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.366.640/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.366.640/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

ondertoezichtstelling. Hof is van oordeel dat de kinderrechter op goede gronden een ondertoezichtstelling heeft uitgesproken en dat de gronden ook nu nog aanwezig zijn. artikel 1:255 lid 1 BW.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.722 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM


Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)



zaaknummer: 200.366.640/01
zaaknummer rechtbank: C/15/373146 / JU RK 25-1845



beschikking van de meervoudige kamer van 18 augustus 2026 in de zaak van





[de moeder] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda,



en




de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de raad.



Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] );
- [de vader] (hierna: de vader), wonende te [plaats A] , advocaat: mr. C.M.J. Zillikens te Hoorn;
- [de stiefvader] (hierna: de stiefvader);
- de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna: de GI).





1De zaak in het kort


1.1
De zaak gaat over de vraag of een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] (12 jaar) en [minderjarige 2] (10 jaar) noodzakelijk is.



1.2
De kinderrechter heeft in een beschikking van 11 februari 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 11 februari 2026 tot 11 februari 2027. De moeder is het daar niet mee eens en wil dat het inleidende verzoek van de raad alsnog wordt afgewezen. De raad en de vader zijn het wel eens met de beslissing van de kinderrechter.






2De procedure in hoger beroep


2.1
De moeder is op 20 maart 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 februari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter).



2.2
De vader heeft op 6 mei 2026 een verweerschrift ingediend.



2.3
De raad heeft op 7 mei 2026 een verweerschrift ingediend.



2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 1 april 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 1 juli 2026 met bijlage.



2.5
De kinderen hebben allebei in een brief van 29 mei 2026 laten weten wat zij van de zaak vinden.



2.6
De zitting heeft op 9 juli 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de stiefvader;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark.






3De feiten


3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2014 te [plaats B] ; en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2016 te [plaats C] .
De ouders zijn getrouwd geweest en zijn op 3 juni 2020 gescheiden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 27 mei 2020 in de registers van de burgerlijke stand. Zij oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.



3.2
De kinderen wonen bij de moeder en de stiefvader.



3.3
Bij beschikking van 14 augustus 2024 zijn de kinderen door de kinderrechter (eerder) onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, tot 14 augustus 2025. Deze ondertoezichtstelling is daarna niet verlengd.






4De omvang van het hoger beroep


4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op verzoek van de raad, de kinderen onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 11 februari 2026 tot 11 februari 2027.



4.2
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidende verzoek van de raad om de kinderen onder toezicht van de GI te stellen, alsnog af te wijzen.



4.3
De vader verzoekt om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep, althans dit verzoek af te wijzen, zo nodig onder verbetering van gronden.



4.4
De raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het door de moeder ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren.





5De motivering van de beslissing



Ontvankelijkheid




5.1

Het hof zal eerst beoordelen of de moeder ontvankelijk is in haar hoger beroep. De vader stelt zich op het standpunt dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat hij het onduidelijk vindt waartegen de moeder precies grieft.
Het hof overweegt als volgt. Het hoger beroep dient op grond van het bepaalde in de artikelen 359 juncto 278, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de gronden te bevatten waarop het hoger beroep berust, hetgeen meebrengt dat op voor de appelrechter en de wederpartij duidelijk kenbare wijze moet blijken op welke gronden de bestreden beschikking onjuist zou moeten worden geoordeeld, zodanig dat de wederpartij weet waartegen zij zich dient te verweren. Hetgeen de moeder in haar hoger beroep heeft vermeld, voldoet aan dat vereiste. De moeder is daarin dan ook ontvankelijk.




Het wettelijk kader





5.2
Uit artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.



De standpunten





5.3
De moeder stelt dat een ondertoezichtstelling van de kinderen niet noodzakelijk is. De kinderen worden niet zodanig in hun ontwikkeling bedreigd dat een ondertoezichtstelling gerechtvaardigd is. Volgens de moeder ontwikkelen de kinderen zich goed en zijn er geen zorgen over hun welzijn in algemene zin. Uit de motivering van de kinderrechter blijkt dat de ondertoezichtstelling zich enkel richt op contactherstel tussen de kinderen en de vader. Het is niet in het belang van de kinderen dat zij verder belast worden met gesprekken over het contact met de vader. Bovendien meent de moeder dat zij voldoende medewerking heeft verleend aan de geboden hulpverlening voor de kinderen en hierdoor kan niet worden geconcludeerd dat zij de benodigde hulpverlening om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen niet of onvoldoende heeft geaccepteerd.



5.4
De raad voert aan dat de kinderrechter op goede gronden een ondertoezichtstelling van de kinderen heeft uitgesproken. Uit het recente raadsonderzoek blijkt dat de zorgen over de kinderen de afgelopen periode zijn toegenomen. De ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen is met name gelegen in de angst en stress die de kinderen ervaren als het om hun vader gaat, terwijl er geen terechte redenen lijken te zijn om de vader af te wijzen. Volgens de raad moet er meer zicht komen op de gevoelens en emoties van de kinderen en op hetgeen zij nodig hebben om zich veilig te voelen. De hulpverlening van NOVA lijkt op dit moment onvoldoende te zijn en de houding van de kinderen en de moeder wordt bestempeld als kwetsbaar. De raad acht hulpverlening in het vrijwillig kader daarom onvoldoende om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen en vindt een regievoerder in een gedwongen kader noodzakelijk.



5.5
De GI erkent de zorgen over de kinderen, maar voert aan dat een ondertoezichtstelling niet helpend zal zijn. De verwachting is dat een ondertoezichtstelling meer spanning voor de kinderen zal meebrengen, waardoor het niet mogelijk is om aan de gestelde doelen te werken. Aanvullende hulpverlening zal te belastend zijn voor de kinderen omdat daarvoor geen draagvlak bij de kinderen aanwezig is. Ter zitting heeft de GI naar voren gebracht dat zij de mogelijkheden voor hulpverlening via [X] of een kindbehartiger heeft onderzocht, maar dat dit vanwege capaciteitsproblemen niet mogelijk is gebleken. Voor beide ouders is het traject Parallel Solo Ouderschap ingezet. Inmiddels heeft de moeder dit traject afgerond en heeft de vader hiermee een start gemaakt.



5.6
De vader voert aan dat een ondertoezichtstelling voor de kinderen noodzakelijk is. Zonder gedwongen kader zal voor de kinderen geen aanvullende hulpverlening worden ingezet gericht op contactherstel met de vader. De vader maakt zich zorgen om de kinderen, die hun vader zonder enige aanleiding hebben verstoten en volledig van hem onthecht zijn geraakt. Hij vindt het dan ook opmerkelijk dat de moeder de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen niet erkent.



5.7
De stiefvader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in het standpunt van de GI en heeft de wens uitgesproken dat de kinderen op latere leeftijd weer contact kunnen hebben met de vader.



De beoordeling door het hof





5.8
Aan het hof ligt de vraag voor of de kinderrechter op goede gronden een ondertoezichtstelling van de kinderen heeft uitgesproken voor de duur van een jaar en of deze gronden ook nu nog aanwezig zijn. Het hof overweegt als volgt.



5.9
De afgelopen jaren is er in het vrijwillig kader meerdere malen hulpverlening ingezet om tot contactherstel tussen de kinderen en de vader te komen. De kinderen hebben vervolgens van 14 augustus 2024 tot 14 augustus 2025 onder toezicht gestaan van de GI. Omdat de GI per abuis heeft nagelaten een verlengingsverzoek in te dienen, is aan de raad verzocht om onderzoek te verrichten. Uit het raadsonderzoek van 19 december 2025 kwam naar voren dat de zorgen over de kinderen waren toegenomen ten opzichte van het vorige raadsonderzoek en daarom heeft de raad de kinderrechter opnieuw om ondertoezichtstelling van de kinderen voor de duur van een jaar verzocht.



5.10
Het hof stelt voorop dat alleen het tot stand brengen van omgang onvoldoende grond is om een ondertoezichtstelling uit te spreken. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:295) is echter niet uitgesloten dat oplegging van die maatregel gerechtvaardigd kan zijn indien het ontbreken van omgang zodanige belastende conflicten of problemen voor het kind opleveren dat deze op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen.



5.11

Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval van een zodanige situatie sprake is. De ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen is gelegen in een combinatie van factoren. Een van deze factoren is de omstandigheid dat de kinderen al gedurende langere tijd structureel geen contact met hun vader hebben. De kinderen vertonen langdurig angst en weerstand jegens de vader. Hoewel onduidelijk is waar de angst van de kinderen in is gelegen, heeft sinds november 2023 geen contact meer plaatsgevonden tussen de kinderen en de vader. Tot op heden is het niet gelukt om enige vorm van contact tussen de vader en de kinderen tot stand te brengen. Het gebrek aan contact met de vader zal ertoe leiden dat de kinderen steeds verder van de vader af komen te staan en brengt het risico met zich mee dat hun identiteitsontwikkeling verstoord raakt.
Niet alleen het gebrek aan contact tussen de kinderen en de vader, maar ook de verstoorde verstandhouding tussen de ouders maakt dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er is een duidelijk systeempatroon zichtbaar, waarbij de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt, zij over en weer in verwijten vervallen en sprake is van wederzijds wantrouwen. Hierdoor worden de kinderen belast met de spanningen tussen de ouders. Mede vanwege deze spanningen ervaren de kinderen veel onrust rondom het onderwerp ‘vader’ en komt de drempel voor de kinderen om de vader te willen zien steeds hoger te liggen.




5.12

De afgelopen periode is hulpverlening ingezet vanuit NOVA kind- en jeugdcentrum, waarbij is gestart met individuele begeleiding van de kinderen. Ook is voor beide kinderen een JIM (Jouw Ingebrachte Mentor) aangesteld. Ondanks de betrokkenheid van de huidige hulpverlening, constateert het hof dat de zorgen over de kinderen nog niet zijn verminderd. Zo is het nog niet gelukt om te zorgen voor een neutraler beeld van de vader bij de kinderen en zijn nog geen stappen gezet in de richting van een vorm van contact met de vader. De raad concludeert dat er stevige aanvullende stappen nodig zijn om de kinderen in staat te kunnen stellen een gesprek te voeren over contactherstel met de vader en dat de huidige hulpverlening vanuit NOVA onvoldoende lijkt te zijn om die stappen te kunnen zetten. Het hof is met de raad van oordeel dat de huidige hulpverlening tot nu toe onvoldoende toereikend is gebleken om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen. Het hof acht aanvullende hulpverlening voor zowel de ouders als de kinderen noodzakelijk om de genoemde systeempatronen te kunnen doorbreken.
Nu de moeder ter zitting heeft benadrukt dat zij de huidige hulpverlening voldoende vindt, bestaat bij het hof niet de verwachting dat de moeder zich zelfstandig zal wenden tot aanvullende hulpverlening die noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen. Dit maakt dat het hof een gedwongen kader – in de vorm van een ondertoezichtstelling – noodzakelijk acht om de genoemde systeempatronen te kunnen doorbreken en passende aanvullende hulpverlening in te kunnen zetten. Zo zullen de ouders moeten leren om op constructieve wijze met elkaar te communiceren waarbij zij het belang van de kinderen voorop stellen. Hun onderlinge vertrouwen dient hersteld te worden, zodat ook de kinderen vertrouwen in de vader kunnen krijgen en hun angst voor hem kan verminderen. Naast hulpverlening voor de ouders is het belangrijk dat op termijn aanvullende hulpverlening wordt ingezet voor de kinderen om tot een verandering in de houding van de kinderen tegenover de vader te kunnen komen. Hierbij neemt het hof in overweging dat de GI ter zitting heeft aangegeven de kinderen op dit moment niet verder te willen belasten met aanvullende hulpverlening omdat hiervoor geen draagvlak bij hen bestaat. In dit kader merkt het hof op dat het van belang is dat de GI blijft onderzoeken wanneer er bij de kinderen ruimte ontstaat om stappen te zetten richting contactherstel met de vader. Het is verder ook aan de GI om de, ook door de kinderrechter al genoemde noodzakelijke sterke regie te voeren en in het kader van de ondertoezichtstelling te monitoren wanneer de kinderen kunnen worden belast met een aanvullend hulpverleningstraject. In de tussentijd dient te worden ingezet op de onderliggende problematiek bij de ouders.




5.13
Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat de kinderrechter op goede gronden de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar heeft uitgesproken en dat deze gronden ook nu nog aanwezig zijn. Het hof zal het verzoek van de moeder in hoger beroep dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.



5.14
Het hof benadrukt tot slot dat het belangrijk is dat de moeder (en de stiefvader) in de aanwezigheid van de kinderen op positieve wijze blijven spreken over de vader en om de kinderen te blijven motiveren in de aanloop naar contactherstel met de vader. De vader dient er op zijn beurt voor te zorgen dat hij zijn verdriet over de ontstane situatie niet meer op sociale media deelt met zijn netwerk, met name omdat de moeder en de kinderen in dezelfde omgeving wonen in een relatief kleine gemeenschap.



5.15
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.






6De beslissing


Het hof:



bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;



wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.




Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. J.F. Miedema en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en is op 18 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.