Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2319
2026-09-01
Civiel recht
200.363.892
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Incident ex artikel 222 Rv tot voeging. Vordering toegewezen’
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:1997:ZC2500 Hoge Raad 21-11-1997
- ECLI:NL:HR:1999:ZC2904 Hoge Raad 21-05-1999
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.697 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.363.892/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/354009/ HA ZA 24-351 (de vrijwaringszaak)
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 september 2026
in de zaak van
[appellant]
,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
verweerster in het incident tot voeging,
advocaat: mr. D.W.N. Brand te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde]
,
gevestigd te [plaats 2] , gemeente Velsen,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
eiseres in het incident tot voeging,
advocaat: mr. J.R. de Jong te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1Het geding in hoger beroep
1.1.
[appellant] is bij dagvaarding van 16 december 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 17 september 2025 van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, dat is gewezen in de vrijwaringszaak tussen [geïntimeerde] als eisende partij en [appellant] als gedaagde met bovenvermeld zaaknummer en in de hoofzaak met zaaknummer C 15/349095 / HA ZA 24-83 tussen [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) als eisende partij en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
1.2.
Op 8 januari 2026 heeft [geïntimeerde] een anticipatie-exploot uitgebracht. Op 31 maart 2026 heeft [appellant] de memorie van grieven met producties ingediend. Op 9 juni 2026 heeft [geïntimeerde] een incidentele vordering tot zaaksvoeging op grond van artikel 222 Rv, tevens memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties ingediend. [geïntimeerde] heeft voeging gevorderd van de onderhavige zaak met de bij dit hof aanhangige zaak met zaaknummer 200.363.811/01 tussen [bedrijf] als appellante en [geïntimeerde] als geïntimeerde. Het hoger beroep van [bedrijf] is gericht tegen de bij het bestreden vonnis gedane uitspraak in de hoofdzaak tussen [bedrijf] en [geïntimeerde] . [appellant] heeft in het incident geantwoord en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
1.3.
Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.
2De beoordeling in het incident tot voeging
in het incident tot voeging
2.1.
[geïntimeerde] heeft voeging gevorderd, omdat in de hoofdzaak tussen [bedrijf] en [geïntimeerde] en de vrijwaringszaak tussen [geïntimeerde] en [appellant] één vonnis is gewezen en die zaken hetzelfde feitencomplex betreffen. [geïntimeerde] beoogt met de voeging te voorkomen dat de procedures in beide zaken conflicterende uitkomsten hebben en te bewerkstelligen dat het procesverloop van de procedures beter op elkaar wordt afgestemd.
2.2.
Ingevolge artikel 222 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dat op grond van artikel 353 lid 1 Rv ook van toepassing is in hoger beroep, kan, ingeval voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, daarvan de voeging worden gevorderd. Van verknochtheid in deze zin is sprake wanneer de feitelijke of juridische geschilpunten in de zaken identiek zijn dan wel een zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken geboden is. Daaraan kan ook zijn voldaan bij zaken tussen verschillende partijen.
2.3.
Vooropgesteld wordt dat de vordering tot voeging door [geïntimeerde] , gelet op de artikelen 222 lid 2 juncto 220 lid 3 juncto artikel 353 lid 1 Rv, tijdig is ingesteld.
2.4.
Naar het oordeel van het hof bestaat tussen beide voornoemde zaken een zodanige band (hoofdzaak en vrijwaring) dat het belang van een goede en doelmatige behandeling meebrengt dat deze zaken zoveel mogelijk gelijktijdig worden behandeld en beslist door dezelfde rechter. Ook in eerste aanleg heeft de rechtbank beide zaken gelijktijdig behandeld en beslist. Het voegen van de zaken levert ook geen onredelijke vertraging op voor de zaak van [bedrijf] tegen [geïntimeerde] . [appellant] heeft zich gerefereerd. Het hof zal de incidentele vordering toewijzen.
2.5.
Het hof overweegt voor de duidelijkheid dat de vorderingen, ondanks de voeging, hun zelfstandigheid behouden (HR 21 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2500). Door de voeging wordt de partij in de ene zaak ook niet automatisch partij in de andere zaak
(HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904), althans voor zover dat nog niet het geval is. Een en ander betekent dat de verschillende procespartijen door middel van vermelding van de zaaknummers steeds duidelijk moeten maken op welke zaak hun memories en/of akten betrekking hebben en niet ervan kunnen uitgaan dat alles wat in de ene zaak is aangevoerd, dat ook is in de andere zaak.
2.6.
De beslissing over de kosten zal worden aangehouden. in de zaak tussen [appellant] en [geïntimeerde] 2.7. De zaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellant] . Iedere verdere beslissing zal het hof aanhouden.
3Beslissing
Het hof:
in het incident:
voegt de zaak met zaaknummer 200.363.892/01 tussen [appellant] als appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep en [geïntimeerde] als geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellante in incidenteel hoger beroep met de zaak met zaaknummer 200.363.811/01 tussen [bedrijf] als appellante en [geïntimeerde] als geïntimeerde;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak tussen [appellant] en [geïntimeerde] ;
in de hoofdzaak tussen [appellant] en [geïntimeerde]:
verwijst de zaak naar de rol van 13 oktober 2026 voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellant] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.363.892/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/354009/ HA ZA 24-351 (de vrijwaringszaak)
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 september 2026
in de zaak van
[appellant]
,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
verweerster in het incident tot voeging,
advocaat: mr. D.W.N. Brand te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde]
,
gevestigd te [plaats 2] , gemeente Velsen,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
eiseres in het incident tot voeging,
advocaat: mr. J.R. de Jong te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1Het geding in hoger beroep
1.1.
[appellant] is bij dagvaarding van 16 december 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 17 september 2025 van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, dat is gewezen in de vrijwaringszaak tussen [geïntimeerde] als eisende partij en [appellant] als gedaagde met bovenvermeld zaaknummer en in de hoofzaak met zaaknummer C 15/349095 / HA ZA 24-83 tussen [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) als eisende partij en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
1.2.
Op 8 januari 2026 heeft [geïntimeerde] een anticipatie-exploot uitgebracht. Op 31 maart 2026 heeft [appellant] de memorie van grieven met producties ingediend. Op 9 juni 2026 heeft [geïntimeerde] een incidentele vordering tot zaaksvoeging op grond van artikel 222 Rv, tevens memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties ingediend. [geïntimeerde] heeft voeging gevorderd van de onderhavige zaak met de bij dit hof aanhangige zaak met zaaknummer 200.363.811/01 tussen [bedrijf] als appellante en [geïntimeerde] als geïntimeerde. Het hoger beroep van [bedrijf] is gericht tegen de bij het bestreden vonnis gedane uitspraak in de hoofdzaak tussen [bedrijf] en [geïntimeerde] . [appellant] heeft in het incident geantwoord en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
1.3.
Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.
2De beoordeling in het incident tot voeging
in het incident tot voeging
2.1.
[geïntimeerde] heeft voeging gevorderd, omdat in de hoofdzaak tussen [bedrijf] en [geïntimeerde] en de vrijwaringszaak tussen [geïntimeerde] en [appellant] één vonnis is gewezen en die zaken hetzelfde feitencomplex betreffen. [geïntimeerde] beoogt met de voeging te voorkomen dat de procedures in beide zaken conflicterende uitkomsten hebben en te bewerkstelligen dat het procesverloop van de procedures beter op elkaar wordt afgestemd.
2.2.
Ingevolge artikel 222 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dat op grond van artikel 353 lid 1 Rv ook van toepassing is in hoger beroep, kan, ingeval voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, daarvan de voeging worden gevorderd. Van verknochtheid in deze zin is sprake wanneer de feitelijke of juridische geschilpunten in de zaken identiek zijn dan wel een zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken geboden is. Daaraan kan ook zijn voldaan bij zaken tussen verschillende partijen.
2.3.
Vooropgesteld wordt dat de vordering tot voeging door [geïntimeerde] , gelet op de artikelen 222 lid 2 juncto 220 lid 3 juncto artikel 353 lid 1 Rv, tijdig is ingesteld.
2.4.
Naar het oordeel van het hof bestaat tussen beide voornoemde zaken een zodanige band (hoofdzaak en vrijwaring) dat het belang van een goede en doelmatige behandeling meebrengt dat deze zaken zoveel mogelijk gelijktijdig worden behandeld en beslist door dezelfde rechter. Ook in eerste aanleg heeft de rechtbank beide zaken gelijktijdig behandeld en beslist. Het voegen van de zaken levert ook geen onredelijke vertraging op voor de zaak van [bedrijf] tegen [geïntimeerde] . [appellant] heeft zich gerefereerd. Het hof zal de incidentele vordering toewijzen.
2.5.
Het hof overweegt voor de duidelijkheid dat de vorderingen, ondanks de voeging, hun zelfstandigheid behouden (HR 21 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2500). Door de voeging wordt de partij in de ene zaak ook niet automatisch partij in de andere zaak
(HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904), althans voor zover dat nog niet het geval is. Een en ander betekent dat de verschillende procespartijen door middel van vermelding van de zaaknummers steeds duidelijk moeten maken op welke zaak hun memories en/of akten betrekking hebben en niet ervan kunnen uitgaan dat alles wat in de ene zaak is aangevoerd, dat ook is in de andere zaak.
2.6.
De beslissing over de kosten zal worden aangehouden. in de zaak tussen [appellant] en [geïntimeerde] 2.7. De zaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellant] . Iedere verdere beslissing zal het hof aanhouden.
3Beslissing
Het hof:
in het incident:
voegt de zaak met zaaknummer 200.363.892/01 tussen [appellant] als appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep en [geïntimeerde] als geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellante in incidenteel hoger beroep met de zaak met zaaknummer 200.363.811/01 tussen [bedrijf] als appellante en [geïntimeerde] als geïntimeerde;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak tussen [appellant] en [geïntimeerde] ;
in de hoofdzaak tussen [appellant] en [geïntimeerde]:
verwijst de zaak naar de rol van 13 oktober 2026 voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellant] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.