Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2278
2026-07-21
Civiel recht
200.351.200/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
kopje volgt
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (34.561 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.351.200/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/749771 HA/ZA 24-464
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juli 2026
in de zaak van
EQUINE FUNCTIONAL MOTION CENTER B.V.,
gevestigd te Moergestel,
appellante,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. E.S.C. van der Hoek te Rotterdam,
tegen
ESTG B.V.,
gevestigd te Oosterhout,
geïntimeerde,
incidenteel appellante,
advocaat: mr. J.P. van der Kooij te Amsterdam.
Partijen worden hierna EFMCenter en ESTG genoemd.
1De zaak in het kort
EFMCenter heeft diverse producten bij de webshop van ESTG gekocht om een zonnepaneelinstallatie te realiseren, waaronder een bepaald type omvormers en zogenoemde mounting plates. EFMCenter stelt dat ESTG niet de juiste omvormers heeft geleverd en de mounting plates – ondanks betaling – in het geheel niet heeft geleverd. De zaak draait om de vraag of EFMCenter de koopovereenkomsten met ESTG buitengerechtelijk mocht ontbinden en of EFMCenter recht heeft op terugbetaling van de koopsom en schadevergoeding. De rechtbank heeft de vorderingen van EFMCenter met betrekking tot de mounting plates toegewezen en de overige vorderingen afgewezen, omdat in het geval van de omvormers geen sprake was van een tekortkoming die ontbinding rechtvaardigde. Tegen dat laatste oordeel heeft EFMCenter hoger beroep ingesteld. In hoger beroep heeft zij haar eis vermeerderd.
2Het geding in hoger beroep
EFMCenter is bij dagvaarding van 8 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 9 oktober 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen EFMCenter als eiseres en ESTG als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven tevens akte houdende vermeerdering van eis, met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel, met productie;
- akte na partijberaad van EFMCenter, met productie;
- akte van ESTG;
- antwoordakte van EFMCenter;
- antwoordakte van ESTG.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3Feiten
De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 de feiten vastgesteld die zij bij haar beoordeling tot uitgangspunt heeft genomen. In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft ESTG een grief gericht tegen het onder 2.2 vastgestelde feit. De overige feiten zijn niet in geschil, zodat deze feiten het hof tot uitgangspunt dienen. Waar nodig aangevuld, komen de (relevante) feiten neer op het volgende.
3.1.
EFMCenter is een sportgeneeskunde- en rehabilitatiecentrum voor paarden. ESTG is een e-commerce groothandel die een webshop in duurzame energieproducten exploiteert, exclusief voor professionals in de installatiebranche.
3.2
EFMCenter heeft bij ESTG producten besteld om daarmee een zonnepaneelinstallatie te realiseren. Nadat ESTG op 17 december 2020 een eerste offerte had uitgebracht, onder meer bestaande uit vier omvormers, heeft EFMCenter contact opgenomen met de fabrikant [Fabrikant] , omdat zij zeker wilde weten dat de omvormers waren uitgerust met vlamboogdetectie. [Fabrikant] heeft laten weten dat zij daarvoor een ander type omvormer moest bestellen met artikelnummer 3Q609901000A. EFMCenter heeft dit per e-mail van 21 december 2020 aan ESTG teruggekoppeld en haar het volgende bericht:
“(…)
Ik ontving van [Fabrikant] ( [naam ] ) een ander typenummer met optie lamboogdetectie en de benodigde mounting plate zie onderstaand.
Stem jij zo even af of het typenr op jouw offerte wel klopt?”
3.3.
Op 23 december 2020 heeft ESTG aan EFMCenter een nieuwe offerte gestuurd, die op dezelfde dag door EFMCenter is ondertekend (hierna: Bestelling 1). Bestelling 1 bestaat onder andere uit vier omvormers en uit mounting plates. De omvormers zijn op de offerte weergegeven met de omschrijving “PVS-175-TL;SX2+ vlamboogdetectie” en artikelnummer 3Q609901000A. Deze omvormers zijn door ESTG aan EFMCenter geleverd.
3.4.
Op Bestelling 1 zijn de Algemene Voorwaarden van ESTG (hierna: Algemene Voorwaarden) van toepassing. Artikel 8.7 van de Algemene Voorwaarden luidt als volgt:
“Vorderingen en verweren, gegrond op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen, dat de afgeleverde producten niet aan de Overeenkomst beantwoorden, verjaren door verloop van één jaar na aflevering.”
3.5.
EFMCenter heeft op 9 april 2021 bij ESTG nieuwe mounting plates besteld (hierna: Bestelling 2). Bestelling 2 is op 20 april 2021 geannuleerd door EFMCenter.
3.6.
Na de installatie van de omvormers door EFMCenter bleek dat deze geen vlamboogdetectie hadden (ook wel Arc Fault Circuit Interupter (AFCI) genoemd). EFMCenter heeft dit aan ESTG gemeld bij e-mail van 13 mei 2021, waarin zij onder meer heeft geschreven:
“Het juiste typenummer staat wel op de factuur, maar er is dus een ander type (zonder AHCI) geleverd. Moet ik dit via jullie spelen of via [Fabrikant] ?”
3.7.
Daarna is tussen EFMCenter en ESTG enige tijd gecorrespondeerd over de levering van andere omvormers die wel met vlamboogdetectie zouden zijn uitgerust. Op enig moment heeft ESTG contact opgenomen met [Fabrikant] . Naar aanleiding van dat contact heeft ESTG bij e-mail van 2 september 2021 aan EFMCenter geschreven:
“Ik ben ondertussen een case gestart bij [Fabrikant] . Voor zover ik kan zien, hebben wij jou de juiste omvormers geleverd Ik probeer er nu met [Fabrikant] uit te komen (…).”
3.8.
Bij e-mail van 19 november 2021 heeft ESTG aan EFMC laten weten:
“Helaas gaat [Fabrikant] ons niet verder ondersteunen in jouw case. Ik wil dus graag voorstellen om 4 nieuwe omvormers mét AFCI voor je te bestellen. (…)”
3.9.
Daarop heeft EFMCenter aan ESTG bij e-mail van 19 november 2021 geschreven:
“Mijns inziens ligt de oorzaak van t probleem duidelijk niet bij jullie maar bij [Fabrikant] . Eea staat zwart op wit (…) Welke partij gaat de installatie / omwissel verzorgen?”
3.10.
Bij e-mail van 23 november 2021 heeft ESTG aan EFMC geschreven:
“Helaas ziet [Fabrikant] het anders. Ik ben nog druk in discussie, maar ben bang dat we totaal geen support krijgen van [Fabrikant] . (…) Helaas kan ik je niet tegemoet komen met de installatie, enkel voor de artikelen. De 4 reeds geïnstalleerde PVS-175 kun je kosteloos naar ons retourneren, wanneer de juiste geïnstalleerd zijn.”
3.11.
EFMCenter heeft hierop bij e-mail van 23 november 2021 aan ESTG gereageerd:
“Retourneren als in: jullie komen ze halen? Ik zal uitzoeken wat de kosten zijn voor het omwisselen, maar die dienen mijns inziens niet voor onze rekening te komen.”
3.12.
ESTG heeft daarop geantwoord bij e-mail van 25 november 2021:
“Wij zullen dan inderdaad zorgen dat de oude omvormers worden opgehaald door onze transporteur.”
3.13.
Bij e-mail van 10 februari 2022 heeft ESTG het volgende bevestigd:
“De producten zijn inmiddels in bestelling gezet. Op welk adres mogen de omvormers uiteindelijk worden afgeleverd? Het retourneren van de al reeds in werking gestelde omvormers zullen we dan tegen de tijd dat de juiste omvormers afgeleverd worden verder inregelen.”
3.14.
Nadat is gebleken dat er geen andere omvormers konden worden geleverd, is de bestelling door ESTG geannuleerd bij e-mail van 24 augustus 2023:
“Vanuit [Fabrikant] hebben wij begrepen dat de gewenste omvormers met vlamboogdetectie niet geleverd kunnen worden. Hierdoor zal de openstaande order (…) komen te vervallen.”
3.15.
Op 11 december 2023 heeft EFMCenter aan ESTG per brief medegedeeld Bestelling 1 gedeeltelijk en Bestelling 2 geheel buitengerechtelijk te ontbinden.
4Procedure bij de rechtbank
4.1.
EFMCenter heeft bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat tussen EFMCenter en ESTG Bestelling 1, voor het deel dat ziet op de omvormers, en Bestelling 2 in het geheel buitengerechtelijk is ontbonden met ingang van 11 december 2023, ESTG te veroordelen tot betaling van een bedrag voortvloeiend uit de door de ontbinding ontstane ongedaanmakingsverbintenis, met wettelijke rente, en tot slot ESTG te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten, beslagkosten en proceskosten, steeds met rente.
4.2.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaard dat Bestelling 2 in het geheel buitengerechtelijk is ontbonden op 11 december 2023, ESTG veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.028,32, met wettelijke rente vanaf 16 april 2024, en de overige vorderingen van EFMCenter afgewezen. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat de omvormers die door EFMCenter bij ESTG zijn besteld (Bestelling 1) ook zijn geleverd en dat er in zoverre geen sprake is van een tekortkoming die ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigt. Omdat Bestelling 2 in het geheel niet is geleverd, is in dat geval wel sprake van een tekortkoming die een ontbinding rechtvaardigt. Nu EFMCenter al voor Bestelling 2 had betaald aan ESTG, heeft de rechtbank ESTG veroordeeld om dit bedrag terug te betalen. Tot slot heeft de rechtbank bepaald dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.
5Gewijzigde vordering in hoger beroep
5.1.
EFMCenter heeft in hoger beroep haar vorderingen gewijzigd (eis vermeerderd). Zij vordert in hoger beroep (gedeeltelijke) vernietiging van het bestreden vonnis en, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
- te verklaren voor recht dat tussen EFMCenter en ESTG Bestelling 1, voor het deel dat ziet op de omvormers, en Bestelling 2 in het geheel, buitengerechtelijk is ontbonden met ingang van 11 december 2023;
- ESTG te veroordelen tot betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag voortvloeiend uit de door de ontbinding ontstane ongedaanmakingsverbintenis, met wettelijke rente;
- ESTG te veroordelen tot betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag aan aanvullende schadevergoeding;
Subsidiair:
- te verklaren voor recht dat ESTG tekort is geschoten in de nakoming van de Aanvullende Afspraak;
- ESTG te veroordelen tot betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag aan vervangende schadevergoeding;
Zowel primair als subsidiair:
- ESTG te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten, met rente;
- ESTG te veroordelen tot betaling van beslagkosten, met rente;
- ESTG te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten en rente.
5.2.
ESTG heeft tegen deze eisvermeerdering bezwaar gemaakt onder verwijzing naar de eisen van een goede procesorde. Het hof zal bij de beoordeling op dat bezwaar terugkomen. Volgens ESTG moet het hof de (gewijzigde) vorderingen van EFMCenter in hoger beroep afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van EFMCenter in de (forfaitaire) kosten van het geding in beide instanties (inclusief nakosten) en rente.
5.3.
ESTG heeft daarnaast voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Voor zover één of meer grieven van EFMCenter zouden slagen, moet het hof volgens ESTG het bestreden vonnis vernietigen voor zover dit door de grieven in het incidenteel hoger beroep wordt bestreden, met veroordeling van EFMCenter in de (forfaitaire) kosten van het incidenteel hoger beroep (inclusief nakosten) en rente.
6Beoordeling
In het principaal hoger beroep
6.1
Het hof stelt voorop dat een eiser in hoger beroep zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk mag veranderen of vermeerderen (artikel 130 jo. 353 Rv) en dat een dergelijke eiswijziging in beginsel niet later dan bij memorie van grieven mag plaatsvinden. Van strijd met de goede procesorde is sprake als de eiswijziging leidt tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging dan wel onredelijke vertraging van het geding. Nu EFMCenter haar eis bij memorie van grieven heeft gewijzigd en ESTG niet alleen bij memorie van antwoord maar ook in haar akte en antwoordakte op de gewijzigde eis heeft kunnen reageren, en niet heeft toegelicht waarom zij verder in haar verdedigingsbelang is geschaad, is geen sprake van strijd met de goede procesorde in bovengenoemde zin. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat de eisvermeerdering toelaatbaar is. Om deze reden zal het hof beslissen op de gewijzigde vorderingen in hoger beroep.
6.2
Aangezien de rechtbank de verklaring voor recht ten aanzien van de ontbinding van Bestelling 2 en de veroordeling tot terugbetaling van de daarmee samenhangende koopsom heeft toegewezen, gaat het hof ervan uit dat het hoger beroep geen betrekking heeft op deze vorderingen. Voor zover EFMCenter met haar – in hoger beroep gewijzigde – eis opnieuw toewijzing vordert van deze vorderingen wordt dit als een kennelijke vergissing aangemerkt.
6.3.
Het principaal hoger beroep van EFMCenter strekt in de kern ertoe dat het hof alsnog oordeelt dat EFMCenter Bestelling 1 (rechtsgeldig) buitengerechtelijk heeft ontbonden bij brief van 11 december 2023, omdat ESTG is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting om omvormers met vlamboogdetectie te leveren en dat de daarop gebaseerde vorderingen alsnog worden toegewezen. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank in rechtsoverwegingen 4.2 t/m 4.9 van het bestreden vonnis ten onrechte geen tekortkoming heeft aangenomen en de verantwoordelijkheid voor het ontbreken van vlamboogdetectie bij EFMCenter heeft gelegd (grief 1). De rechtbank heeft volgens EFMCenter voorts ten onrechte in rechtsoverweging 4.8 geoordeeld dat zelfs al zou de door EFMCenter gestelde Aanvullende Afspraak niet zijn nagekomen, dit nog niet betekent dat ESTG is tekortgeschoten in de nakoming van Bestelling 1 (grief 2). Tot slot is er volgens EFMCenter voldoende causaal verband tussen de tekortkomingen van ESTG die de grond waren voor de
ontbinding van Bestelling 1 en 2 en de door haar gevorderde schade, bestaande uit de kosten voor vervangende bekabeling en installatiekosten, en heeft de rechtbank dit miskend in rechtsoverwegingen 4.11 en 4.12 van het bestreden vonnis (grief 3). Voor zover het hof zou oordelen dat er geen sprake is van een tekortkoming van ESTG in de nakoming van Bestelling 1 en 2, vordert EFMCenter (subsidiair) vervangende schadevergoeding wegens het niet nakomen van de Aanvullende Afspraak.
6.4.
ESTG betwist dat sprake is van een tekortkoming, omdat EFMCenter – na overleg tussen EFMCenter en [Fabrikant] en op advies van [Fabrikant] – omvormers met een bepaald typenummer heeft besteld bij ESTG die ook zijn geleverd. De geleverde omvormers beantwoorden daarmee aan de koopovereenkomst tussen partijen. Dat nadien is gebleken dat de omvormers niet over vlamboogdetectie beschikken is te wijten aan het verkeerde advies van [Fabrikant] . De Aanvullende Afspraak waarnaar EFMCenter verwijst is volgens ESTG niet tot stand gekomen. Zij betwist een verplichting op zich te hebben genomen om kosteloos nieuwe omvormers te leveren; in elk geval was de medewerker van ESTG onbevoegd om een dergelijke afspraak te maken, aldus ESTG. Voor zover het hof toch van oordeel zou zijn dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis, beroept ESTG zich onder verwijzing naar haar Algemene Voorwaarden op verjaring van de vorderingen van EFMCenter en/of verval van rechten wegens schending van een op EFMCenter rustende klachtplicht. Daarnaast is er geen sprake van verzuim aan de zijde van ESTG, zodat EFMCenter niet bevoegd was tot ontbinding van Bestelling 1, aldus ESTG.
6.5.
Het hof ziet aanleiding om eerst te beoordelen of één van de door ESTG gevoerde (bevrijdende) verweren slaagt. In dat geval is er geen bevoegdheid tot ontbinding en kan de vraag of sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verbintenissen van ESTG die ontbinding van Bestelling 1 en (aanvullende) schadevergoeding rechtvaardigt, in het midden blijven.
Verzuim
6.6.
Het hof stelt voorop dat voor zover de nakoming van een verbintenis niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat indien de schuldenaar in verzuim is geraakt (artikel 6:265 lid 2 BW). Wanneer EFMCenter niet bevoegd is Bestelling 1 te ontbinden, heeft zij ook geen recht op aanvullende schadevergoeding wegens die ontbinding (artikel 6:277 BW). Voor zover de schadevordering van EFMCenter gebaseerd zou zijn op een toerekenbare tekortkoming van ESTG (artikel 6:74 BW), geldt het vereiste van verzuim eveneens (artikel 6:74 lid 2 BW). De schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat een (opeisbare) prestatie uitblijft (artikel 6:81 BW), waarbij het verzuim in de regel pas intreedt wanneer een ingebrekestelling is uitgebracht en de daarin gestelde termijn is verlopen zonder dat de schuldenaar is nagekomen (artikel 6:82 BW). Bij nakoming gedurende deze termijn is van een tekortkoming die ontbinding (en/of schadevergoeding) rechtvaardigt nog geen sprake. Soms is een nadere termijn niet zinvol of redelijk en treedt verzuim zonder ingebrekestelling in (artikel 6:83 sub a-c BW).
6.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat EFMCenter voorafgaand aan de brief van 11 december 2023 geen ingebrekestelling aan ESTG heeft verzonden, waarbij zij ESTG schriftelijk heeft aangemaand haar verbintenis binnen een redelijke termijn na te komen (in de zin van artikel 6:82 BW). In reactie op het verweer van ESTG heeft EFMCenter aangevoerd dat haar vorderingen mede zijn gebaseerd op de Aanvullende Afspraak waarmee een gewijzigde verbintenis voor ESTG is ontstaan en dat zij uit een mededeling van ESTG moest afleiden dat deze de Aanvullende Afspraak niet meer zou nakomen, waarmee het verzuim van ESTG zonder ingebrekestelling is ingetreden (artikel 6:83 sub c BW). Volgens EFMCenter is met de Aanvullende Afspraak een gewijzigde verbintenis ontstaan die inhoudt dat ESTG kosteloos de omvormers zou vervangen door (nieuwe) omvormers met vlamboogdetectie. Volgens ESTG heeft zij zich alleen – onverplicht – bereid verklaard om de transportkosten voor het terughalen van de oude omvormers op zich te nemen, als de nieuwe geïnstalleerd zouden zijn. EFMCenter heeft de (oude) omvormers nog altijd in gebruik en heeft nooit kenbaar heeft gemaakt dat de omvormers opgehaald dienden te worden. Van verzuim kan om die reden geen sprake zijn, aldus ESTG.
6.8.
Om te kunnen bepalen of het verweer van ESTG opgaat, dient het hof dus vast te stellen of ESTG de door EFMCenter gestelde gewijzigde verbintenis op zich heeft genomen. Daarbij komt het niet alleen aan op de letterlijke bewoordingen van de hiervoor onder 3.10 genoemde e-mail van 23 november 2021, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze e-mail mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het hof oordeelt als volgt.
6.9.
ESTG heeft op 23 november 2021 aan EFMCenter geschreven: “Helaas kan ik je niet tegemoetkomen met de installatie, enkel voor de artikelen. De 4 reeds geïnstalleerde PVS-175 kun je kosteloos naar ons retourneren, wanneer de juiste geïnstalleerd zijn.” Voorafgaand aan deze e-mail, nadat begin mei 2021 was gebleken dat de geleverde omvormers niet over vlamboogdetectie beschikten, hadden EFMCenter en ESTG al enkele maanden gecorrespondeerd over de levering van alternatieve omvormers. Daarbij ging ook EFMCenter ervan uit dat niet ESTG maar [Fabrikant] verantwoordelijk was voor de verkeerde omvormers, zoals blijkt uit de onder 3.9 genoemde e-mail van EFMCenter van 19 november 2021: “Mijn inziens ligt de oorzaak van het probleem duidelijk niet bij jullie maar bij [Fabrikant] . Eea staat zwart op wit”. In de gegeven situatie, waarin zowel EFMCenter als ESTG ervan uitgingen dat de fout bij [Fabrikant] lag, mocht EFMCenter aan de tegemoetkoming in de e-mail van 23 november 2021 niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat ESTG daarmee de verplichting op zich nam om de door EFMCenter bestelde en door ESTG geleverde omvormers kosteloos te vervangen voor nieuwe, in de zin dat ESTG de kosten voor de nieuwe omvormers voor haar rekening zou nemen. Ook zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit ESTG had moeten afleiden dat EFMCenter de bewoordingen in deze e-mail in laatstgenoemde zin had opgevat. Integendeel, uit de onder 3.11 genoemde e-mail van 25 november 2021 volgt dat EFMCenter zich ook ervan bewust was dat het in de e-mail ging om de kosten voor het omwisselen van de omvormers, niet om de kosten van de omvormers zelf: “Retourneren als in: jullie komen ze halen? Ik zal uitzoeken wat de kosten zijn voor het omwisselen, maar die dienen mijns inziens niet voor onze rekening te komen.” ESTG heeft voorts in haar onder 3.13 genoemde e-mail van 10 februari 2022 enkel bevestigd dat zij nieuwe omvormers had besteld en dat partijen na aflevering daarvan nader zouden overleggen over het retourneren van de oude omvormers. Van een toezegging dat de kosten van de nieuwe omvormers voor rekening van ESTG zouden zijn, is geen sprake. Op deze e-mail heeft EFMCenter niet meer gereageerd. Dat ESTG deze bestelling nadien aanduidde als re-order brengt, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, redelijkerwijs niet mee dat EFMCenter erop mocht vertrouwen dat ESTG de nieuwe omvormers voor haar rekening zou nemen. Dat ESTG niet vooraf betaling eiste van deze nieuwe omvormers maakt dat niet anders. ESTG heeft immers toegelicht dat, gelet op het feit dat [Fabrikant] door EFMCenter verantwoordelijk werd gehouden, de factuur mogelijk naar [Fabrikant] gestuurd kon worden. EFMCenter heeft die toelichting niet weersproken. Dat ESTG zich pas na drie jaar op het standpunt zou hebben gesteld dat haar aanbod slechts betrekking had op het kosteloos ophalen van de omvormers kan EFMCenter ook niet baten. ESTG heeft immers onbetwist gesteld dat zij eerst op 28 augustus 2023 ermee bekend raakte dat EFMCenter dat aanbod anders had geïnterpreteerd. Of ESTG op enig moment EFMCenter had moeten adviseren om de omvormers elders te bestellen kan in het midden blijven, nu dat geen omstandigheid is die een rol speelt bij de vraag of ESTG de gewijzigde verbintenis met de door EFMCenter gestelde inhoud op zich heeft genomen.
6.10
In het voorgaande heeft het hof vastgesteld dat er geen sprake is van een Aanvullende Afspraak tussen partijen van 23 november 2021 waarmee een (gewijzigde) verbintenis op ESTG is komen te rusten om de door haar geleverde omvormers kosteloos te vervangen voor nieuwe omvormers. Om die reden kan de onder 3.14 genoemde e-mail van 24 augustus 2023, waarin ESTG meldt dat de gewenste (nieuwe) omvormers niet kunnen worden geleverd, ook niet worden gezien als een mededeling van ESTG dat zij in de nakoming van die verbintenis tekort zou schieten (in de zin van artikel 6:83 sub c BW) en is zij om die reden niet in verzuim. Het bevrijdende verweer van ESTG (het ontbreken van verzuim) slaagt dus en de primaire vorderingen van EFMCenter zijn om die reden niet toewijsbaar.
Verjaring
6.11.
Over het verjaringsverweer van ESTG oordeelt het hof als volgt. Niet in geschil is dat de Algemene Voorwaarden van ESTG op Bestelling 1 van toepassing zijn. Artikel 8.7 van de Algemene Voorwaarden bepaalt: “Vorderingen en verweren, gegrond op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen, dat de afgeleverde producten niet aan de Overeenkomst beantwoorden, verjaren door verloop van één jaar na aflevering.” Hieruit volgt dat op de vorderingen van EFMCenter tot ontbinding van Bestelling 1, in afwijking van artikel 7:23 lid 2 BW, een verjaringstermijn van één jaar van toepassing is.
6.12.
Nu vast staat dat de omvormers uiterlijk op 1 mei 2021 zijn geïnstalleerd, volgt daaruit dat de omvormers vóór die datum aan EFMCenter zijn geleverd door ESTG. De hiervoor genoemde verjaringstermijn van één jaar is vanaf het moment van levering gaan lopen. Uit de e-mail van EFMC van 13 mei 2021 is af te leiden dat zij zich in elk geval op dat moment bewust was van het feit dat er omvormers waren geleverd zonder vlamboogdetectie. Tussen 13 mei 2021 en 11 december 2023 heeft EFMCenter geen stuitingshandeling verricht in de zin van art. 3:317 lid 1 BW. Daarmee staat vast dat de verjaring van de rechtsvorderingen tot ontbinding van Bestelling 1 (de koopovereenkomst van 23 december 2020) is voltooid vóór 1 mei 2022 en daarmee ook vóór de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring van 11 december 2023.
6.13.
EFMCenter heeft haar vordering tot (aanvullende) schadevergoeding (bestaande uit de kosten van aangepaste bekabeling) mede gebaseerd op een tekortkoming in de nakoming van Bestelling 2 (de koopovereenkomst van 9 april 2021). EFMCenter heeft daartoe gesteld dat zij, nadat bij Bestelling 1 ongeschikte mounting plates waren geleverd, Bestelling 2 heeft geplaatst om alsnog mounting plates te verkrijgen die geschikt waren voor de al aangelegde bekabeling. Toen bleek dat de mounting plates niet binnen vier weken konden worden geleverd, heeft EFMCenter Bestelling 2 op 20 april 2021 geannuleerd en zag zij zich genoodzaakt aangepaste bekabeling te bestellen. Daarmee vloeit de schadevordering volgens de eigen stellingen van EFMCenter rechtstreeks voort uit het niet conform afspraak afleveren van Bestelling 1 en valt deze onder artikel 8.7 Algemene Voorwaarden, waardoor ook op deze vordering een verjaringstermijn van één jaar van toepassing is. Uitgaande van de stellingen van EMFCenter was zij op het moment van annuleren op 20 april 2021 ermee bekend dat de tekortkoming tot schade zou lijden. Daarmee is de verjaring van de vordering voltooid op 20 april 2022 en daarmee ook vóór de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring van 11 december 2023. Ook deze vordering is daarom verjaard.
6.14.
In reactie op het verjaringsverweer van ESTG beroept EFMCenter zich opnieuw op de Aanvullende Afspraak en stelt dat zij, nu op dat moment (23 november 2021) een nieuwe/gewijzigde verbintenis is ontstaan voor ESTG om de onjuiste omvormers kosteloos te vervangen, een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen en dat EFMCenter pas op 24 augustus 2023 duidelijk werd dat ESTG ook de nieuwe verbintenis niet zou nakomen. Zoals het hof hiervoor onder 6.8 heeft overwogen, is van het ontstaan van een dergelijke verbintenis op 23 november 2021 geen sprake. Daarmee is de lopende verjaring van de rechtsvorderingen van EFMCenter dus niet gestuit en is evenmin op 24 augustus 2023 een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen.
6.15.
Een beroep op verjaring, waaronder begrepen een beroep op het niet stuiten van de verjaring, kan in bijzondere omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (HR 23 november 2018, ECLI:NL:2018:2047). Hoewel dat op haar weg had gelegen, heeft EFMCenter geen bijzondere en concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat het beroep van ESTG op een contractueel met EFMCenter overeengekomen verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De (door ESTG betwiste) stelling van EFMCenter dat ESTG door het tijdsverloop op geen enkele wijze in haar verdedigingsbelang is geschaad, is daarvoor niet toereikend, het feit dat in de periode mei – december 2021 tussen partijen contact is geweest over de bestelling evenmin.
6.16.
Tot slot is niet komen vast te staan dat ESTG op enig moment de vorderingen van EFMCenter heeft erkend, waarmee de lopende verjaring van de die vorderingen tussentijds is gestuit (op grond van artikel 3:318 BW). EFMCenter heeft niet of nauwelijks toegelicht waarom zij op basis van de tussen partijen gevoerde correspondentie en het aanbod van de medewerker van ESTG ervan uit mocht gaan dat ESTG haar vordering erkende. Nog los daarvan kan de juistheid van deze (in hoger beroep voor het eerst betrokken) stelling in het midden blijven, nu deze niet tijdig naar voren is gebracht. EFMCenter had uiterlijk in de memorie van grieven moeten anticiperen op het verjaringsverweer dat ESTG ook in de rechtbankprocedure heeft gevoerd, wat zij heeft nagelaten.
Tussenconclusie primaire vorderingen
6.17.
Uit het voorgaande volgt dat de door de ESTG opgeworpen bevrijdende verweren slagen. De primair door EFMCenter gevorderde verklaring voor recht dat Bestelling 1 buitengerechtelijk is ontbonden met haar brief van 11 december 2023 is daarmee niet toewijsbaar. De samenhangende vordering tot betaling van een bedrag op grond van een uit de ontbinding voortvloeiende ongedaanmakingsverbintenis is daarmee evenmin toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de vordering tot betaling van een bedrag aan aanvullende schadevergoeding in de zin van artikel 6:277 BW, nu deze afhangt van ontbinding van de overeenkomst. Voor zover de vordering tot schadevergoeding gebaseerd zou zijn op een toerekenbare tekortkoming van ESTG (artikel 6:74 BW), geldt dat deze vordering eveneens afstuit op het ontbreken van verzuim en bovendien is verjaard. Slotsom is dat de primaire vorderingen van EFMCenter niet toewijsbaar zijn.
Subsidiaire vorderingen
6.18.
Gezien op hetgeen hiervoor onder 6.8 is overwogen, zijn de op de door EFMCenter gestelde Aanvullende Afspraak gebaseerde subsidiaire vorderingen van EFMCenter ook niet toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten
6.19.
Uit het voorgaande, het ontbreken van een op ESTG rustende verplichting tot schadevergoeding, volgt dat EFMCenter ook geen aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. De door EFMCenter gevorderde kosten wegens het leggen van conservatoir (derden)beslag zijn evenmin toewijsbaar.
In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
6.20.
Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis op het punt van de door de rechtbank vastgestelde feiten en het oordeel van de rechtbank over compensatie van proceskosten. Nu het hof in het principaal hoger beroep de grieven van EFMCenter zal verwerpen is de aan het incidenteel hoger beroep verbonden voorwaarde niet ingetreden zodat aan behandeling daarvan niet wordt toegekomen.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.21.
Het principaal hoger beroep heeft geen succes. Omdat de (primaire en subsidiaire) vorderingen van EFMCenter niet toewijsbaar zijn, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om EFMCenter toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
6.22.
EFMCenter is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het principaal hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 2.255,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 4.835,00
7Beslissing
Het hof:
7.1
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2
veroordeelt EFMCenter in de kosten in het principaal hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 4.835,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
7.3.
veroordeelt EFMCenter tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
7.4
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.M. de Winter, J.F. Aalders en R.D. Lubach en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.351.200/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/749771 HA/ZA 24-464
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juli 2026
in de zaak van
EQUINE FUNCTIONAL MOTION CENTER B.V.,
gevestigd te Moergestel,
appellante,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. E.S.C. van der Hoek te Rotterdam,
tegen
ESTG B.V.,
gevestigd te Oosterhout,
geïntimeerde,
incidenteel appellante,
advocaat: mr. J.P. van der Kooij te Amsterdam.
Partijen worden hierna EFMCenter en ESTG genoemd.
1De zaak in het kort
EFMCenter heeft diverse producten bij de webshop van ESTG gekocht om een zonnepaneelinstallatie te realiseren, waaronder een bepaald type omvormers en zogenoemde mounting plates. EFMCenter stelt dat ESTG niet de juiste omvormers heeft geleverd en de mounting plates – ondanks betaling – in het geheel niet heeft geleverd. De zaak draait om de vraag of EFMCenter de koopovereenkomsten met ESTG buitengerechtelijk mocht ontbinden en of EFMCenter recht heeft op terugbetaling van de koopsom en schadevergoeding. De rechtbank heeft de vorderingen van EFMCenter met betrekking tot de mounting plates toegewezen en de overige vorderingen afgewezen, omdat in het geval van de omvormers geen sprake was van een tekortkoming die ontbinding rechtvaardigde. Tegen dat laatste oordeel heeft EFMCenter hoger beroep ingesteld. In hoger beroep heeft zij haar eis vermeerderd.
2Het geding in hoger beroep
EFMCenter is bij dagvaarding van 8 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 9 oktober 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen EFMCenter als eiseres en ESTG als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven tevens akte houdende vermeerdering van eis, met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel, met productie;
- akte na partijberaad van EFMCenter, met productie;
- akte van ESTG;
- antwoordakte van EFMCenter;
- antwoordakte van ESTG.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3Feiten
De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 de feiten vastgesteld die zij bij haar beoordeling tot uitgangspunt heeft genomen. In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft ESTG een grief gericht tegen het onder 2.2 vastgestelde feit. De overige feiten zijn niet in geschil, zodat deze feiten het hof tot uitgangspunt dienen. Waar nodig aangevuld, komen de (relevante) feiten neer op het volgende.
3.1.
EFMCenter is een sportgeneeskunde- en rehabilitatiecentrum voor paarden. ESTG is een e-commerce groothandel die een webshop in duurzame energieproducten exploiteert, exclusief voor professionals in de installatiebranche.
3.2
EFMCenter heeft bij ESTG producten besteld om daarmee een zonnepaneelinstallatie te realiseren. Nadat ESTG op 17 december 2020 een eerste offerte had uitgebracht, onder meer bestaande uit vier omvormers, heeft EFMCenter contact opgenomen met de fabrikant [Fabrikant] , omdat zij zeker wilde weten dat de omvormers waren uitgerust met vlamboogdetectie. [Fabrikant] heeft laten weten dat zij daarvoor een ander type omvormer moest bestellen met artikelnummer 3Q609901000A. EFMCenter heeft dit per e-mail van 21 december 2020 aan ESTG teruggekoppeld en haar het volgende bericht:
“(…)
Ik ontving van [Fabrikant] ( [naam ] ) een ander typenummer met optie lamboogdetectie en de benodigde mounting plate zie onderstaand.
Stem jij zo even af of het typenr op jouw offerte wel klopt?”
3.3.
Op 23 december 2020 heeft ESTG aan EFMCenter een nieuwe offerte gestuurd, die op dezelfde dag door EFMCenter is ondertekend (hierna: Bestelling 1). Bestelling 1 bestaat onder andere uit vier omvormers en uit mounting plates. De omvormers zijn op de offerte weergegeven met de omschrijving “PVS-175-TL;SX2+ vlamboogdetectie” en artikelnummer 3Q609901000A. Deze omvormers zijn door ESTG aan EFMCenter geleverd.
3.4.
Op Bestelling 1 zijn de Algemene Voorwaarden van ESTG (hierna: Algemene Voorwaarden) van toepassing. Artikel 8.7 van de Algemene Voorwaarden luidt als volgt:
“Vorderingen en verweren, gegrond op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen, dat de afgeleverde producten niet aan de Overeenkomst beantwoorden, verjaren door verloop van één jaar na aflevering.”
3.5.
EFMCenter heeft op 9 april 2021 bij ESTG nieuwe mounting plates besteld (hierna: Bestelling 2). Bestelling 2 is op 20 april 2021 geannuleerd door EFMCenter.
3.6.
Na de installatie van de omvormers door EFMCenter bleek dat deze geen vlamboogdetectie hadden (ook wel Arc Fault Circuit Interupter (AFCI) genoemd). EFMCenter heeft dit aan ESTG gemeld bij e-mail van 13 mei 2021, waarin zij onder meer heeft geschreven:
“Het juiste typenummer staat wel op de factuur, maar er is dus een ander type (zonder AHCI) geleverd. Moet ik dit via jullie spelen of via [Fabrikant] ?”
3.7.
Daarna is tussen EFMCenter en ESTG enige tijd gecorrespondeerd over de levering van andere omvormers die wel met vlamboogdetectie zouden zijn uitgerust. Op enig moment heeft ESTG contact opgenomen met [Fabrikant] . Naar aanleiding van dat contact heeft ESTG bij e-mail van 2 september 2021 aan EFMCenter geschreven:
“Ik ben ondertussen een case gestart bij [Fabrikant] . Voor zover ik kan zien, hebben wij jou de juiste omvormers geleverd Ik probeer er nu met [Fabrikant] uit te komen (…).”
3.8.
Bij e-mail van 19 november 2021 heeft ESTG aan EFMC laten weten:
“Helaas gaat [Fabrikant] ons niet verder ondersteunen in jouw case. Ik wil dus graag voorstellen om 4 nieuwe omvormers mét AFCI voor je te bestellen. (…)”
3.9.
Daarop heeft EFMCenter aan ESTG bij e-mail van 19 november 2021 geschreven:
“Mijns inziens ligt de oorzaak van t probleem duidelijk niet bij jullie maar bij [Fabrikant] . Eea staat zwart op wit (…) Welke partij gaat de installatie / omwissel verzorgen?”
3.10.
Bij e-mail van 23 november 2021 heeft ESTG aan EFMC geschreven:
“Helaas ziet [Fabrikant] het anders. Ik ben nog druk in discussie, maar ben bang dat we totaal geen support krijgen van [Fabrikant] . (…) Helaas kan ik je niet tegemoet komen met de installatie, enkel voor de artikelen. De 4 reeds geïnstalleerde PVS-175 kun je kosteloos naar ons retourneren, wanneer de juiste geïnstalleerd zijn.”
3.11.
EFMCenter heeft hierop bij e-mail van 23 november 2021 aan ESTG gereageerd:
“Retourneren als in: jullie komen ze halen? Ik zal uitzoeken wat de kosten zijn voor het omwisselen, maar die dienen mijns inziens niet voor onze rekening te komen.”
3.12.
ESTG heeft daarop geantwoord bij e-mail van 25 november 2021:
“Wij zullen dan inderdaad zorgen dat de oude omvormers worden opgehaald door onze transporteur.”
3.13.
Bij e-mail van 10 februari 2022 heeft ESTG het volgende bevestigd:
“De producten zijn inmiddels in bestelling gezet. Op welk adres mogen de omvormers uiteindelijk worden afgeleverd? Het retourneren van de al reeds in werking gestelde omvormers zullen we dan tegen de tijd dat de juiste omvormers afgeleverd worden verder inregelen.”
3.14.
Nadat is gebleken dat er geen andere omvormers konden worden geleverd, is de bestelling door ESTG geannuleerd bij e-mail van 24 augustus 2023:
“Vanuit [Fabrikant] hebben wij begrepen dat de gewenste omvormers met vlamboogdetectie niet geleverd kunnen worden. Hierdoor zal de openstaande order (…) komen te vervallen.”
3.15.
Op 11 december 2023 heeft EFMCenter aan ESTG per brief medegedeeld Bestelling 1 gedeeltelijk en Bestelling 2 geheel buitengerechtelijk te ontbinden.
4Procedure bij de rechtbank
4.1.
EFMCenter heeft bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat tussen EFMCenter en ESTG Bestelling 1, voor het deel dat ziet op de omvormers, en Bestelling 2 in het geheel buitengerechtelijk is ontbonden met ingang van 11 december 2023, ESTG te veroordelen tot betaling van een bedrag voortvloeiend uit de door de ontbinding ontstane ongedaanmakingsverbintenis, met wettelijke rente, en tot slot ESTG te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten, beslagkosten en proceskosten, steeds met rente.
4.2.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaard dat Bestelling 2 in het geheel buitengerechtelijk is ontbonden op 11 december 2023, ESTG veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.028,32, met wettelijke rente vanaf 16 april 2024, en de overige vorderingen van EFMCenter afgewezen. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat de omvormers die door EFMCenter bij ESTG zijn besteld (Bestelling 1) ook zijn geleverd en dat er in zoverre geen sprake is van een tekortkoming die ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigt. Omdat Bestelling 2 in het geheel niet is geleverd, is in dat geval wel sprake van een tekortkoming die een ontbinding rechtvaardigt. Nu EFMCenter al voor Bestelling 2 had betaald aan ESTG, heeft de rechtbank ESTG veroordeeld om dit bedrag terug te betalen. Tot slot heeft de rechtbank bepaald dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.
5Gewijzigde vordering in hoger beroep
5.1.
EFMCenter heeft in hoger beroep haar vorderingen gewijzigd (eis vermeerderd). Zij vordert in hoger beroep (gedeeltelijke) vernietiging van het bestreden vonnis en, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
- te verklaren voor recht dat tussen EFMCenter en ESTG Bestelling 1, voor het deel dat ziet op de omvormers, en Bestelling 2 in het geheel, buitengerechtelijk is ontbonden met ingang van 11 december 2023;
- ESTG te veroordelen tot betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag voortvloeiend uit de door de ontbinding ontstane ongedaanmakingsverbintenis, met wettelijke rente;
- ESTG te veroordelen tot betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag aan aanvullende schadevergoeding;
Subsidiair:
- te verklaren voor recht dat ESTG tekort is geschoten in de nakoming van de Aanvullende Afspraak;
- ESTG te veroordelen tot betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag aan vervangende schadevergoeding;
Zowel primair als subsidiair:
- ESTG te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten, met rente;
- ESTG te veroordelen tot betaling van beslagkosten, met rente;
- ESTG te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten en rente.
5.2.
ESTG heeft tegen deze eisvermeerdering bezwaar gemaakt onder verwijzing naar de eisen van een goede procesorde. Het hof zal bij de beoordeling op dat bezwaar terugkomen. Volgens ESTG moet het hof de (gewijzigde) vorderingen van EFMCenter in hoger beroep afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van EFMCenter in de (forfaitaire) kosten van het geding in beide instanties (inclusief nakosten) en rente.
5.3.
ESTG heeft daarnaast voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Voor zover één of meer grieven van EFMCenter zouden slagen, moet het hof volgens ESTG het bestreden vonnis vernietigen voor zover dit door de grieven in het incidenteel hoger beroep wordt bestreden, met veroordeling van EFMCenter in de (forfaitaire) kosten van het incidenteel hoger beroep (inclusief nakosten) en rente.
6Beoordeling
In het principaal hoger beroep
6.1
Het hof stelt voorop dat een eiser in hoger beroep zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk mag veranderen of vermeerderen (artikel 130 jo. 353 Rv) en dat een dergelijke eiswijziging in beginsel niet later dan bij memorie van grieven mag plaatsvinden. Van strijd met de goede procesorde is sprake als de eiswijziging leidt tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging dan wel onredelijke vertraging van het geding. Nu EFMCenter haar eis bij memorie van grieven heeft gewijzigd en ESTG niet alleen bij memorie van antwoord maar ook in haar akte en antwoordakte op de gewijzigde eis heeft kunnen reageren, en niet heeft toegelicht waarom zij verder in haar verdedigingsbelang is geschaad, is geen sprake van strijd met de goede procesorde in bovengenoemde zin. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat de eisvermeerdering toelaatbaar is. Om deze reden zal het hof beslissen op de gewijzigde vorderingen in hoger beroep.
6.2
Aangezien de rechtbank de verklaring voor recht ten aanzien van de ontbinding van Bestelling 2 en de veroordeling tot terugbetaling van de daarmee samenhangende koopsom heeft toegewezen, gaat het hof ervan uit dat het hoger beroep geen betrekking heeft op deze vorderingen. Voor zover EFMCenter met haar – in hoger beroep gewijzigde – eis opnieuw toewijzing vordert van deze vorderingen wordt dit als een kennelijke vergissing aangemerkt.
6.3.
Het principaal hoger beroep van EFMCenter strekt in de kern ertoe dat het hof alsnog oordeelt dat EFMCenter Bestelling 1 (rechtsgeldig) buitengerechtelijk heeft ontbonden bij brief van 11 december 2023, omdat ESTG is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting om omvormers met vlamboogdetectie te leveren en dat de daarop gebaseerde vorderingen alsnog worden toegewezen. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank in rechtsoverwegingen 4.2 t/m 4.9 van het bestreden vonnis ten onrechte geen tekortkoming heeft aangenomen en de verantwoordelijkheid voor het ontbreken van vlamboogdetectie bij EFMCenter heeft gelegd (grief 1). De rechtbank heeft volgens EFMCenter voorts ten onrechte in rechtsoverweging 4.8 geoordeeld dat zelfs al zou de door EFMCenter gestelde Aanvullende Afspraak niet zijn nagekomen, dit nog niet betekent dat ESTG is tekortgeschoten in de nakoming van Bestelling 1 (grief 2). Tot slot is er volgens EFMCenter voldoende causaal verband tussen de tekortkomingen van ESTG die de grond waren voor de
ontbinding van Bestelling 1 en 2 en de door haar gevorderde schade, bestaande uit de kosten voor vervangende bekabeling en installatiekosten, en heeft de rechtbank dit miskend in rechtsoverwegingen 4.11 en 4.12 van het bestreden vonnis (grief 3). Voor zover het hof zou oordelen dat er geen sprake is van een tekortkoming van ESTG in de nakoming van Bestelling 1 en 2, vordert EFMCenter (subsidiair) vervangende schadevergoeding wegens het niet nakomen van de Aanvullende Afspraak.
6.4.
ESTG betwist dat sprake is van een tekortkoming, omdat EFMCenter – na overleg tussen EFMCenter en [Fabrikant] en op advies van [Fabrikant] – omvormers met een bepaald typenummer heeft besteld bij ESTG die ook zijn geleverd. De geleverde omvormers beantwoorden daarmee aan de koopovereenkomst tussen partijen. Dat nadien is gebleken dat de omvormers niet over vlamboogdetectie beschikken is te wijten aan het verkeerde advies van [Fabrikant] . De Aanvullende Afspraak waarnaar EFMCenter verwijst is volgens ESTG niet tot stand gekomen. Zij betwist een verplichting op zich te hebben genomen om kosteloos nieuwe omvormers te leveren; in elk geval was de medewerker van ESTG onbevoegd om een dergelijke afspraak te maken, aldus ESTG. Voor zover het hof toch van oordeel zou zijn dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis, beroept ESTG zich onder verwijzing naar haar Algemene Voorwaarden op verjaring van de vorderingen van EFMCenter en/of verval van rechten wegens schending van een op EFMCenter rustende klachtplicht. Daarnaast is er geen sprake van verzuim aan de zijde van ESTG, zodat EFMCenter niet bevoegd was tot ontbinding van Bestelling 1, aldus ESTG.
6.5.
Het hof ziet aanleiding om eerst te beoordelen of één van de door ESTG gevoerde (bevrijdende) verweren slaagt. In dat geval is er geen bevoegdheid tot ontbinding en kan de vraag of sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verbintenissen van ESTG die ontbinding van Bestelling 1 en (aanvullende) schadevergoeding rechtvaardigt, in het midden blijven.
Verzuim
6.6.
Het hof stelt voorop dat voor zover de nakoming van een verbintenis niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat indien de schuldenaar in verzuim is geraakt (artikel 6:265 lid 2 BW). Wanneer EFMCenter niet bevoegd is Bestelling 1 te ontbinden, heeft zij ook geen recht op aanvullende schadevergoeding wegens die ontbinding (artikel 6:277 BW). Voor zover de schadevordering van EFMCenter gebaseerd zou zijn op een toerekenbare tekortkoming van ESTG (artikel 6:74 BW), geldt het vereiste van verzuim eveneens (artikel 6:74 lid 2 BW). De schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat een (opeisbare) prestatie uitblijft (artikel 6:81 BW), waarbij het verzuim in de regel pas intreedt wanneer een ingebrekestelling is uitgebracht en de daarin gestelde termijn is verlopen zonder dat de schuldenaar is nagekomen (artikel 6:82 BW). Bij nakoming gedurende deze termijn is van een tekortkoming die ontbinding (en/of schadevergoeding) rechtvaardigt nog geen sprake. Soms is een nadere termijn niet zinvol of redelijk en treedt verzuim zonder ingebrekestelling in (artikel 6:83 sub a-c BW).
6.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat EFMCenter voorafgaand aan de brief van 11 december 2023 geen ingebrekestelling aan ESTG heeft verzonden, waarbij zij ESTG schriftelijk heeft aangemaand haar verbintenis binnen een redelijke termijn na te komen (in de zin van artikel 6:82 BW). In reactie op het verweer van ESTG heeft EFMCenter aangevoerd dat haar vorderingen mede zijn gebaseerd op de Aanvullende Afspraak waarmee een gewijzigde verbintenis voor ESTG is ontstaan en dat zij uit een mededeling van ESTG moest afleiden dat deze de Aanvullende Afspraak niet meer zou nakomen, waarmee het verzuim van ESTG zonder ingebrekestelling is ingetreden (artikel 6:83 sub c BW). Volgens EFMCenter is met de Aanvullende Afspraak een gewijzigde verbintenis ontstaan die inhoudt dat ESTG kosteloos de omvormers zou vervangen door (nieuwe) omvormers met vlamboogdetectie. Volgens ESTG heeft zij zich alleen – onverplicht – bereid verklaard om de transportkosten voor het terughalen van de oude omvormers op zich te nemen, als de nieuwe geïnstalleerd zouden zijn. EFMCenter heeft de (oude) omvormers nog altijd in gebruik en heeft nooit kenbaar heeft gemaakt dat de omvormers opgehaald dienden te worden. Van verzuim kan om die reden geen sprake zijn, aldus ESTG.
6.8.
Om te kunnen bepalen of het verweer van ESTG opgaat, dient het hof dus vast te stellen of ESTG de door EFMCenter gestelde gewijzigde verbintenis op zich heeft genomen. Daarbij komt het niet alleen aan op de letterlijke bewoordingen van de hiervoor onder 3.10 genoemde e-mail van 23 november 2021, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze e-mail mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het hof oordeelt als volgt.
6.9.
ESTG heeft op 23 november 2021 aan EFMCenter geschreven: “Helaas kan ik je niet tegemoetkomen met de installatie, enkel voor de artikelen. De 4 reeds geïnstalleerde PVS-175 kun je kosteloos naar ons retourneren, wanneer de juiste geïnstalleerd zijn.” Voorafgaand aan deze e-mail, nadat begin mei 2021 was gebleken dat de geleverde omvormers niet over vlamboogdetectie beschikten, hadden EFMCenter en ESTG al enkele maanden gecorrespondeerd over de levering van alternatieve omvormers. Daarbij ging ook EFMCenter ervan uit dat niet ESTG maar [Fabrikant] verantwoordelijk was voor de verkeerde omvormers, zoals blijkt uit de onder 3.9 genoemde e-mail van EFMCenter van 19 november 2021: “Mijn inziens ligt de oorzaak van het probleem duidelijk niet bij jullie maar bij [Fabrikant] . Eea staat zwart op wit”. In de gegeven situatie, waarin zowel EFMCenter als ESTG ervan uitgingen dat de fout bij [Fabrikant] lag, mocht EFMCenter aan de tegemoetkoming in de e-mail van 23 november 2021 niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat ESTG daarmee de verplichting op zich nam om de door EFMCenter bestelde en door ESTG geleverde omvormers kosteloos te vervangen voor nieuwe, in de zin dat ESTG de kosten voor de nieuwe omvormers voor haar rekening zou nemen. Ook zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit ESTG had moeten afleiden dat EFMCenter de bewoordingen in deze e-mail in laatstgenoemde zin had opgevat. Integendeel, uit de onder 3.11 genoemde e-mail van 25 november 2021 volgt dat EFMCenter zich ook ervan bewust was dat het in de e-mail ging om de kosten voor het omwisselen van de omvormers, niet om de kosten van de omvormers zelf: “Retourneren als in: jullie komen ze halen? Ik zal uitzoeken wat de kosten zijn voor het omwisselen, maar die dienen mijns inziens niet voor onze rekening te komen.” ESTG heeft voorts in haar onder 3.13 genoemde e-mail van 10 februari 2022 enkel bevestigd dat zij nieuwe omvormers had besteld en dat partijen na aflevering daarvan nader zouden overleggen over het retourneren van de oude omvormers. Van een toezegging dat de kosten van de nieuwe omvormers voor rekening van ESTG zouden zijn, is geen sprake. Op deze e-mail heeft EFMCenter niet meer gereageerd. Dat ESTG deze bestelling nadien aanduidde als re-order brengt, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, redelijkerwijs niet mee dat EFMCenter erop mocht vertrouwen dat ESTG de nieuwe omvormers voor haar rekening zou nemen. Dat ESTG niet vooraf betaling eiste van deze nieuwe omvormers maakt dat niet anders. ESTG heeft immers toegelicht dat, gelet op het feit dat [Fabrikant] door EFMCenter verantwoordelijk werd gehouden, de factuur mogelijk naar [Fabrikant] gestuurd kon worden. EFMCenter heeft die toelichting niet weersproken. Dat ESTG zich pas na drie jaar op het standpunt zou hebben gesteld dat haar aanbod slechts betrekking had op het kosteloos ophalen van de omvormers kan EFMCenter ook niet baten. ESTG heeft immers onbetwist gesteld dat zij eerst op 28 augustus 2023 ermee bekend raakte dat EFMCenter dat aanbod anders had geïnterpreteerd. Of ESTG op enig moment EFMCenter had moeten adviseren om de omvormers elders te bestellen kan in het midden blijven, nu dat geen omstandigheid is die een rol speelt bij de vraag of ESTG de gewijzigde verbintenis met de door EFMCenter gestelde inhoud op zich heeft genomen.
6.10
In het voorgaande heeft het hof vastgesteld dat er geen sprake is van een Aanvullende Afspraak tussen partijen van 23 november 2021 waarmee een (gewijzigde) verbintenis op ESTG is komen te rusten om de door haar geleverde omvormers kosteloos te vervangen voor nieuwe omvormers. Om die reden kan de onder 3.14 genoemde e-mail van 24 augustus 2023, waarin ESTG meldt dat de gewenste (nieuwe) omvormers niet kunnen worden geleverd, ook niet worden gezien als een mededeling van ESTG dat zij in de nakoming van die verbintenis tekort zou schieten (in de zin van artikel 6:83 sub c BW) en is zij om die reden niet in verzuim. Het bevrijdende verweer van ESTG (het ontbreken van verzuim) slaagt dus en de primaire vorderingen van EFMCenter zijn om die reden niet toewijsbaar.
Verjaring
6.11.
Over het verjaringsverweer van ESTG oordeelt het hof als volgt. Niet in geschil is dat de Algemene Voorwaarden van ESTG op Bestelling 1 van toepassing zijn. Artikel 8.7 van de Algemene Voorwaarden bepaalt: “Vorderingen en verweren, gegrond op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen, dat de afgeleverde producten niet aan de Overeenkomst beantwoorden, verjaren door verloop van één jaar na aflevering.” Hieruit volgt dat op de vorderingen van EFMCenter tot ontbinding van Bestelling 1, in afwijking van artikel 7:23 lid 2 BW, een verjaringstermijn van één jaar van toepassing is.
6.12.
Nu vast staat dat de omvormers uiterlijk op 1 mei 2021 zijn geïnstalleerd, volgt daaruit dat de omvormers vóór die datum aan EFMCenter zijn geleverd door ESTG. De hiervoor genoemde verjaringstermijn van één jaar is vanaf het moment van levering gaan lopen. Uit de e-mail van EFMC van 13 mei 2021 is af te leiden dat zij zich in elk geval op dat moment bewust was van het feit dat er omvormers waren geleverd zonder vlamboogdetectie. Tussen 13 mei 2021 en 11 december 2023 heeft EFMCenter geen stuitingshandeling verricht in de zin van art. 3:317 lid 1 BW. Daarmee staat vast dat de verjaring van de rechtsvorderingen tot ontbinding van Bestelling 1 (de koopovereenkomst van 23 december 2020) is voltooid vóór 1 mei 2022 en daarmee ook vóór de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring van 11 december 2023.
6.13.
EFMCenter heeft haar vordering tot (aanvullende) schadevergoeding (bestaande uit de kosten van aangepaste bekabeling) mede gebaseerd op een tekortkoming in de nakoming van Bestelling 2 (de koopovereenkomst van 9 april 2021). EFMCenter heeft daartoe gesteld dat zij, nadat bij Bestelling 1 ongeschikte mounting plates waren geleverd, Bestelling 2 heeft geplaatst om alsnog mounting plates te verkrijgen die geschikt waren voor de al aangelegde bekabeling. Toen bleek dat de mounting plates niet binnen vier weken konden worden geleverd, heeft EFMCenter Bestelling 2 op 20 april 2021 geannuleerd en zag zij zich genoodzaakt aangepaste bekabeling te bestellen. Daarmee vloeit de schadevordering volgens de eigen stellingen van EFMCenter rechtstreeks voort uit het niet conform afspraak afleveren van Bestelling 1 en valt deze onder artikel 8.7 Algemene Voorwaarden, waardoor ook op deze vordering een verjaringstermijn van één jaar van toepassing is. Uitgaande van de stellingen van EMFCenter was zij op het moment van annuleren op 20 april 2021 ermee bekend dat de tekortkoming tot schade zou lijden. Daarmee is de verjaring van de vordering voltooid op 20 april 2022 en daarmee ook vóór de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring van 11 december 2023. Ook deze vordering is daarom verjaard.
6.14.
In reactie op het verjaringsverweer van ESTG beroept EFMCenter zich opnieuw op de Aanvullende Afspraak en stelt dat zij, nu op dat moment (23 november 2021) een nieuwe/gewijzigde verbintenis is ontstaan voor ESTG om de onjuiste omvormers kosteloos te vervangen, een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen en dat EFMCenter pas op 24 augustus 2023 duidelijk werd dat ESTG ook de nieuwe verbintenis niet zou nakomen. Zoals het hof hiervoor onder 6.8 heeft overwogen, is van het ontstaan van een dergelijke verbintenis op 23 november 2021 geen sprake. Daarmee is de lopende verjaring van de rechtsvorderingen van EFMCenter dus niet gestuit en is evenmin op 24 augustus 2023 een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen.
6.15.
Een beroep op verjaring, waaronder begrepen een beroep op het niet stuiten van de verjaring, kan in bijzondere omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (HR 23 november 2018, ECLI:NL:2018:2047). Hoewel dat op haar weg had gelegen, heeft EFMCenter geen bijzondere en concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat het beroep van ESTG op een contractueel met EFMCenter overeengekomen verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De (door ESTG betwiste) stelling van EFMCenter dat ESTG door het tijdsverloop op geen enkele wijze in haar verdedigingsbelang is geschaad, is daarvoor niet toereikend, het feit dat in de periode mei – december 2021 tussen partijen contact is geweest over de bestelling evenmin.
6.16.
Tot slot is niet komen vast te staan dat ESTG op enig moment de vorderingen van EFMCenter heeft erkend, waarmee de lopende verjaring van de die vorderingen tussentijds is gestuit (op grond van artikel 3:318 BW). EFMCenter heeft niet of nauwelijks toegelicht waarom zij op basis van de tussen partijen gevoerde correspondentie en het aanbod van de medewerker van ESTG ervan uit mocht gaan dat ESTG haar vordering erkende. Nog los daarvan kan de juistheid van deze (in hoger beroep voor het eerst betrokken) stelling in het midden blijven, nu deze niet tijdig naar voren is gebracht. EFMCenter had uiterlijk in de memorie van grieven moeten anticiperen op het verjaringsverweer dat ESTG ook in de rechtbankprocedure heeft gevoerd, wat zij heeft nagelaten.
Tussenconclusie primaire vorderingen
6.17.
Uit het voorgaande volgt dat de door de ESTG opgeworpen bevrijdende verweren slagen. De primair door EFMCenter gevorderde verklaring voor recht dat Bestelling 1 buitengerechtelijk is ontbonden met haar brief van 11 december 2023 is daarmee niet toewijsbaar. De samenhangende vordering tot betaling van een bedrag op grond van een uit de ontbinding voortvloeiende ongedaanmakingsverbintenis is daarmee evenmin toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de vordering tot betaling van een bedrag aan aanvullende schadevergoeding in de zin van artikel 6:277 BW, nu deze afhangt van ontbinding van de overeenkomst. Voor zover de vordering tot schadevergoeding gebaseerd zou zijn op een toerekenbare tekortkoming van ESTG (artikel 6:74 BW), geldt dat deze vordering eveneens afstuit op het ontbreken van verzuim en bovendien is verjaard. Slotsom is dat de primaire vorderingen van EFMCenter niet toewijsbaar zijn.
Subsidiaire vorderingen
6.18.
Gezien op hetgeen hiervoor onder 6.8 is overwogen, zijn de op de door EFMCenter gestelde Aanvullende Afspraak gebaseerde subsidiaire vorderingen van EFMCenter ook niet toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten
6.19.
Uit het voorgaande, het ontbreken van een op ESTG rustende verplichting tot schadevergoeding, volgt dat EFMCenter ook geen aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. De door EFMCenter gevorderde kosten wegens het leggen van conservatoir (derden)beslag zijn evenmin toewijsbaar.
In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
6.20.
Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis op het punt van de door de rechtbank vastgestelde feiten en het oordeel van de rechtbank over compensatie van proceskosten. Nu het hof in het principaal hoger beroep de grieven van EFMCenter zal verwerpen is de aan het incidenteel hoger beroep verbonden voorwaarde niet ingetreden zodat aan behandeling daarvan niet wordt toegekomen.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.21.
Het principaal hoger beroep heeft geen succes. Omdat de (primaire en subsidiaire) vorderingen van EFMCenter niet toewijsbaar zijn, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om EFMCenter toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
6.22.
EFMCenter is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het principaal hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 2.255,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 4.835,00
7Beslissing
Het hof:
7.1
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2
veroordeelt EFMCenter in de kosten in het principaal hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 4.835,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
7.3.
veroordeelt EFMCenter tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
7.4
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.M. de Winter, J.F. Aalders en R.D. Lubach en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.