Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2275

2026-08-18 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.363.279/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.363.279/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Opheffing bewind.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.011 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)


zaaknummer: 200.363.279/01
zaaknummer rechtbank: 11803122 BB VERZ-25-7178



beschikking van de meervoudige kamer van 18 augustus 2026 in de zaak van





[betrokkene] ,

wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de betrokkene,
advocaat: mr. T.T. Robijn te Amsterdam.



Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- [de vader] , de vader van de betrokkene,
- [de moeder] , de moeder van de betrokkene,
- [de broer] , de broer van de betrokkene,
- [naam] h.o.d.n, E-Mac beschermingbewind en mentorschap, hierna: de bewindvoerder.
De moeder en de broer van de betrokkene hebben aangegeven niet betrokken te willen worden bij deze zaak.





1De zaak in het kort


De zaak gaat over de vraag of het bewind moet eindigen en zo nee, of er een andere bewindvoerder moet komen. De kantonrechter heeft het verzoek van de betrokkene tot opheffing van het bewind afgewezen. Ook heeft de kantonrechter het verzoek tot ontslag van de huidige bewindvoerder afgewezen.
De betrokkene is het daar niet mee eens en wil dat het verzoek tot opheffing van het bewind alsnog wordt toegewezen. Mocht het hof van mening zijn dat bewind nog nodig is, dan wil de betrokkene dat de huidige bewindvoerder wordt ontslagen.






2De procedure in hoger beroep


2.1

De betrokkene is op 5 januari 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van
20 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter).




2.2

De zitting heeft op 10 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de betrokkene, bijgestaan door haar advocaat.









3De feiten


3.1
De kantonrechter heeft op 27 september 2022 het bewind ingesteld als gevolg van de lichamelijke of geestelijke toestand van de rechthebbende met benoeming van Beaufin B.V. tot bewindvoerder.



3.2
Bij beschikking van 4 september 2024 is Beaufin B.V. op verzoek van de betrokkene ontslagen en de huidige bewindvoerder benoemd.






4De omvang van het hoger beroep


4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking het verzoek tot opheffing van het bewind en het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder en benoeming van BilancioBudget B.V. afgewezen. Daarnaast heeft de kantonrechter de partijen verzocht om voor 15 oktober 2026 verslag te doen van de zelfredzaamheidsperiode.



4.2
De betrokkene verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de onderbewindstelling op te heffen. Subsidiair verzoekt de betrokkene de bewindvoerder te ontslaan.






5De motivering van de beslissing



Het wettelijk kader




5.1
Uit artikel 1:449, tweede lid, BW volgt dat de rechter het bewind kan opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is de onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.



De standpunten





5.2
De betrokkene wil dat de onderbewindstelling wordt opgeheven. In de afgelopen jaren heeft zij zich in positieve zin ontwikkeld. Zij heeft geen schulden gemaakt en doet geen impulsieve aankopen. De maatregel van bewind is daarom niet langer passend. De betrokkene is in staat haar eigen financiën te regelen en er zijn geen stukken waaruit blijkt dat dat anders is. Zij betwist dan ook de stelling van de bewindvoerder bij de rechtbank dat zij onvoldoende zelfredzaam is om haar financiën zelf te regelen. Daar komt bij dat de betrokkene niet tevreden is over hoe de bewindvoerder de taken uitvoert. Zij wil dat, als het hof vindt dat er nog een bewind nodig is, de huidige bewindvoerder wordt ontslagen. De bewindvoerder reageert niet of laat op e-mails en berichten. Ook wordt de betrokkene niet goed geïnformeerd over waar haar geld naartoe gaat. De bewindvoerder laat taken, zoals het aanvragen van bijzondere bijstand, aan de betrokkene over. Dit wijst erop dat betrokkene over de vaardigheden beschikt om dergelijke zaken zelfstandig te regelen en dat de bewindvoerder dit kennelijk ook zo beoordeelt.




De beoordeling door het hof





5.3
Het hof is van oordeel dat voortzetting van het bewind niet langer noodzakelijk is. Het hof licht dit als volgt toe.



5.4
De goederen van de betrokkene zijn in september 2022 op haar eigen verzoek onder bewind gesteld wegens haar geestelijke of lichamelijk toestand. Het bewind is aangevraagd omdat bij de betrokkene sprake was van een lachgasverslaving. Inmiddels is de betrokkene naar eigen zeggen al meerdere jaren niet meer verslaafd en gaat het goed met haar. Dat strookt met de waarnemingen van het hof: de betrokkene maakt ter zitting een solide indruk en is gemotiveerd overgekomen om haar (financiële) zaken zelf te regelen. Het hof constateert dat de betrokkene goed op de hoogte is van haar financiële situatie. Verder is gebleken dat de betrokkene op dit moment al het een ander zelf regelt, zo heeft zij onder meer zelf contact gehad met de gemeente over haar uitkering, zij raadpleegt zelf haar bankafschriften en heeft aan het hof uiteengezet dat zij plannen heeft om te sparen. Hieruit leidt het hof af dat de betrokkene in staat is om zelfstandig haar zaken te behartigen. Ook heeft de betrokkene ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij in het kader van een schuldentraject beter met geld heeft leren omgaan. Het hof betrekt bij zijn oordeel tevens de houding van de bewindvoerder. De bewindvoerder is niet ter zitting verschenen, heeft in hoger beroep geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het verzoek tot opheffing van het bewind en laat, volgens betrokkene, contacten met instanties in belangrijke mate aan de betrokkene zelf over. Kennelijk is de bewindvoerder van oordeel dat de betrokkene deze handelingen zelfstandig kan uitvoeren, nu hij geen aanleiding heeft gezien haar zelfredzaamheid te betwisten. De stelling van de bewindvoerder bij de kantonrechter dat de betrokkene (nog) niet zelfredzaam genoeg is, is niet met stukken door hem onderbouwd. Ook heeft de bewindvoerder geen gestructureerd plan voor zelfredzaamheid opgesteld na de aansporing van de kantonrechter om binnen een jaar aan zelfredzaamheid te werken.



5.5
Gezien het voorgaande acht het hof de betrokkene voldoende in staat om zelf haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Het hof is dan ook van oordeel dat de noodzaak voor het bewind over de goederen van betrokkene niet langer bestaat. Dit maakt dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en het bewind zal opheffen met ingang van de datum van deze beschikking.



5.6
Nu het hof het bewind zal opheffen, komt het niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de betrokkene tot ontslag van de bewindvoerder.







6De beslissing


Het hof:



vernietigt de beschikking waarvan beroep van de kantonrechter in rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2025, voor zover daarbij na heden het bewind voortduurt over de goederen die (zullen) toebehoren aan [betrokkene] (hierna [betrokkene] ), geboren te [plaats A] [in] 1995, en in zoverre opnieuw rechtdoende;



heft op, met ingang van heden, het bewind over de goederen van [betrokkene] ;



bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de betrokkene en een - zo mogelijk door hem voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Amsterdam, overlegt;



gelast de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, sectie kanton, in verband met aantekening in het centraal curatele- en bewindregister;



verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.




Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E Geerlings, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr.
M. Groenleer, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 18 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.