Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2163

2026-08-04 Strafrecht 23-001483-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
23-001483-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis muv de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en svm. Overwegingen tbs dwang

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (32.230 tekens)
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001483-25
datum uitspraak: 4 augustus 2026


TEGENSPRAAK


Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 13-285099-24 en 13-082319-21 (TUL) tegen




[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
thans gedetineerd in [detentieadres] .


Onderzoek van de zaak


Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.



De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.



Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.





Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep


De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van wat hem onder feit 5 ten laste is gelegd. Hoger beroep tegen deze vrijspraak is voor de verdachte niet mogelijk, gelet op artikel 404, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het hof verklaart de verdachte daarom voor feit 5 niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.





Vonnis waarvan beroep


De behandeling van verdachte’s strafzaak in hoger beroep heeft het hof niet tot andere oordelen gebracht dan de rechtbank, behalve ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [stichting] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. Op die punten zal het vonnis worden vernietigd. Dit betekent dat het hof (voor het overige) tot dezelfde oordelen komt als de rechters in eerste aanleg, ook voor wat betreft de bewezenverklaring, kwalificatie en de oplegging van de gevangenisstraf en de maatregel terbeschikkingstelling met het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd (hierna: TBS met dwangverpleging).
Het hof zal de gegeven motivering met betrekking tot de oplegging van de gevangenisstraf en de TBS met dwangverpleging vervangen door de onderstaande.



De verdediging heeft ten aanzien van feiten 1 en 2 (deels) verweer gevoerd, maar dit leidt niet tot andere overwegingen. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en verwijst naar de inhoud van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.





Oplegging van straf en maatregel


De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast is ook TBS met dwangverpleging aan de verdachte opgelegd.



De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest, en dat hem TBS met dwang zal worden opgelegd.



De raadsman heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht af te zien van TBS met dwangverpleging en bepleit dat volstaan kan worden met een gevangenisstraf en TBS met voorwaarden. De verdachte is bereid zich aan alle voorwaarden te houden die de reclassering heeft geadviseerd in het reclasseringsrapport van 12 februari 2026, waaronder een klinische opname.



Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.



De verdachte heeft een jong meisje, dat ten tijde van het feit slechts tien jaar oud was, seksueel misbruikt. Hij heeft tweemaal met haar afgesproken en verschillende seksuele handelingen bij haar verricht waarbij de verdachte haar (onder meer) met zijn penis heeft gepenetreerd in haar mond en vagina. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en seksuele ontwikkeling van het nog zeer jonge slachtoffer.
De raadsman heeft verzocht de straf te matigen omdat de verdachte in de veronderstelling was dat het slachtoffer ouder was. Het hof vindt dit verzoek, gelet op de zeer jonge leeftijd van het slachtoffer, onbegrijpelijk. De wetgever heeft niet voor niets de geestelijke en lichamelijke integriteit van minderjarigen uitdrukkelijk beschermd door de leeftijd van het minderjarige slachtoffer te objectiveren. Kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren worden onvoldoende in staat geacht om hun lichamelijke en seksuele integriteit zelf te bewaken en de reikwijdte van hun gedrag te overzien. Nog daargelaten hoe zij overkomen, minderjarigen zijn op seksueel gebied nog niet volgroeid. Zij kunnen de emotionele gevolgen van seksueel contact onvoldoende overzien. Dat de verdachte dacht dat het slachtoffer ouder was, neemt het hof dan ook niet in strafmatigende zin mee.



Daarnaast heeft de verdachte een tweede (meerderjarig maar kwetsbaar) slachtoffer uitgebuit om zelf aan geld te komen, zonder zich rekenschap te geven van de gevolgen die dat voor haar kon hebben. Het slachtoffer heeft dusdanig veel geld aan de verdachte moeten afstaan dat zij zelfs haar huur en vaste lasten liet terugboeken om dit vervolgens aan de verdachte te geven. Toen de verdachte nog meer geld wilde, heeft hij de kwetsbaarheid van het slachtoffer vervolgens verder misbruikt door haar tot twee keer toe te dwingen om hem te pijpen waarbij zij werd gefilmd, zogenaamd om het seksfilmpje te kunnen verkopen. De verdachte liet zich niet door angst van het slachtoffer weerhouden om zijn financiële en seksuele behoeften te bevredigen, ook niet als zij duidelijk te kennen gaf het niet te willen.
De verdachte heeft ook hier zijn eigen behoeften telkens weer voorop gezet en geen enkele rekening gehouden met zijn kwetsbare slachtoffer.




Gevangenisstraf

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden, ter vergelding van het leed dat de verdachte de slachtoffers heeft aangedaan. Op grond van de hierna aangehaalde Pro Justitia rapportages stelt het hof vast dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Het hof rekent het bewezenverklaarde daarom in verminderde mate aan de verdachte toe.



Alles afwegende acht het hof, evenals de rechtbank, een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren passend en geboden.



Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de
orde is.




Tbs met dwang

Het hof heeft kennis genomen van onder meer de navolgende rapportages betreffende de verdachte:



een de verdachte betreffend Pro Justitia rapport van 9 april 2025 opgemaakt door drs. A. Banaei Kashani, psychiater;


een de verdachte betreffend Pro Justitia rapport psychologisch onderzoek van 8 april 2025 opgemaakt door drs. [persoon 1] , GZ-psycholoog, onder supervisie van [persoon 2] , GZ-psycholoog;


een reclasseringsadvies ‘TBS met voorwaarden’ van 1 mei 2025; en


een aanvullend reclasseringsadvies ‘TBS met voorwaarden’ van 12 februari 2026.




Voormelde Pro Justitia rapportages waren ten tijde van de aanvang van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting in hoger beroep, op 21 juli 2026, meer dan een jaar oud. De verdediging en de advocaat-generaal hebben in hoger beroep desalniettemin ingestemd met het gebruik daarvan.



Uit het psychiatrisch- en psychologisch onderzoek volgt dat bij de verdachte sprake is van een ernstige antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Er is tevens een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis. De stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Door zowel de psychiater als de psycholoog wordt geadviseerd om de verdachte het ten laste gelegde, indien bewezen, verminderd toe te rekenen.



De psychiater overweegt dat de verdachte niet in staat wordt geacht om zijn gedrag volledig onder controle te houden vanwege de ernst van zijn persoonlijkheidspathologie. Het antisociale en narcistische gedrag is zodanig verweven in zijn persoon dat hij zeker ten tijde van stress (door bijvoorbeeld geldgebrek) en spanning, slechts zijn antisociale en narcistische coping en gedrag kan aanwenden. Hij is dan gefixeerd op eigen behoeftebevrediging, gedraagt zich onverschillig en onverantwoordelijk, en gaat steeds over grenzen van anderen heen. Het risico op herhaling, op zowel seksuele delicten als vermogens- en geweldsdelicten, wordt als hoog ingeschat.



De psychiater adviseert om de verdachte de TBS-maatregel op te leggen. De psychiater acht het aangewezen de verdachte, gezien zijn hardnekkige en ernstige problematiek, het feit dat hij zich eerder niet aan voorwaarden heeft gehouden, de schijnaanpassing die hij heeft laten zien, zijn totale gebrek aan inzicht en de bij hem aanwezige psychopathische trekken, TBS met dwangverpleging op te leggen. Echter, indien hij zou meewerken aan voorwaarden, verdient het de voorkeur om de verdachte TBS met voorwaarden op te leggen, omdat hij in staat wordt geacht om zich aan voorwaarden te houden, mits hij voldoende, waarschijnlijk in het begin extrinsiek, gemotiveerd is. De psychiater geeft de verdachte het voordeel van de twijfel en met de nodige slagen om de arm. Daarnaast adviseert hij om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op te leggen, zoals neergelegd in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr).



Ook de psycholoog schat het risico op herhaling, op zowel seksuele delicten als vermogensdelicten en geweldsdelicten, in als hoog. De psycholoog adviseert een strikt kader in de zin van een klinische opname in een forensische setting, zoals een FPK gespecialiseerd in persoonlijkheidsproblematiek.
Daarbij heeft de psycholoog overwogen of een TBS met voorwaarden voldoende mogelijkheden biedt om het risico te beperken, of dat een TBS met dwangverpleging genoodzaakt is. De verdachte geeft aan overal aan te willen meewerken op het gebied van behandeling, toezicht en voorwaarden. Dit, en het feit dat hij niet eerder de kans heeft gehad van klinische behandeling te profiteren, maakt dat een TBS met voorwaarden een passend kader zou kunnen zijn. Er zijn wel zorgen bij dit kader, omdat zijn motivatie extrinsiek lijkt en de verdachte zich zeer sociaal wenselijk op stelt. Er zijn zorgen van schijnaanpassing, gezien de contacten met hulpverlening en toezicht in het verleden, waar de verdachte schijnbaar de indruk heeft gegeven zich open en begeleidbaar op te stellen, zonder dat dit tot vermindering van het recidiverisico leidde en hij herhaaldelijk recidiveerde tijdens deze contacten, volgens de psycholoog. Naast de TBS-maatregel adviseert de psycholoog om een GVM op te leggen. Deze maatregel biedt mogelijkheden voor voldoende monitoring en sancties op de langere termijn. Op die manier is het mogelijk om, indien dat noodzakelijk wordt geacht, voorwaarden te formuleren om het risico ook na afloop van de TBS-maatregel te beperken.



Uit de rapportage van de reclassering van 1 mei 2025 volgt dat zij een TBS met voorwaarden niet afdoende achtten. Gezien de toenmalige houding van de verdachte en het feit dat de verdachte onder toezicht van de reclassering stond, behandeling bij De Waag volgde, bewindvoering had en werd begeleid door HVO Querido in de pleegperiode van de ten laste gelegde feiten, schatte de reclassering in dat deze maatregel onvoldoende bescherming zou bieden om tot een passende behandeling te komen. De reclassering adviseerde tot dwangverpleging, met begeleiding binnen een zeer strak en duidelijk kader. De verdachte is blijkbaar in staat om te laten lijken dat het goed met hem gaat, terwijl het plegen van strafbare feiten voortgezet wordt en indien hij ook wordt veroordeeld wegens het seksueel geweld dat hij heeft gepleegd, ook nog eens verergerd zijn, volgens destijds de reclassering. Dit is tevens ter zitting in eerste aanleg door de reclasseringsmedewerkster verder toegelicht.
De reclassering adviseerde daarnaast een GVM op te leggen na de oplegging van een TBS-maatregel en/of gevangenisstraf. De reclassering achtte dit noodzakelijk gelet op de ernst van de ten laste gelegde delicten, omdat de verdachte in het verleden onvoldoende heeft geprofiteerd van opgelegde voorwaarden en het de vraag was of de verdachte zich volledig zou gaan inzetten tijdens de behandeling.



Op 12 februari 2026 heeft de reclassering een aanvullend, geactualiseerd advies uitgebracht. Gelet op de gewijzigde houding van de verdachte tijdens het opstellen van dat reclasseringsadvies, wijkt de reclassering nu af van het eerdere advies. De verdachte heeft zich gecommitteerd aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden en stemt in met een klinische behandeling. Hij lijkt zich er nu wel meer van bewust te zijn dat hij hulp nodig heeft om zijn leven op de rit te krijgen en zegt deze hulp te willen aangrijpen. Hij heeft zichzelf onder meer als doel gesteld om te stoppen met blowen en wil anderen geen pijn doen. De reclassering adviseert gematigd positief over TBS met voorwaarden. De reclassering adviseert daarnaast wederom een GVM op te leggen.




Het hof is met de rechtbank van oordeel dat op grond van de hiervoor aangehaalde rapporten moet worden aangenomen dat sprake is van een hoog recidiverisico. Anders dan de deskundigen, is het hof van oordeel dat het risico onvoldoende kan worden ingeperkt door een TBS met voorwaarden. Uit voornoemde rapportages blijkt dat een eerder reclasseringstoezicht met gelijktijdige begeleiding en/of behandeling door de reclassering, de Waag en HVO Querido niet heeft geleid tot enige gedragsverandering. Sterker nog: de verdachte heeft de ten laste gelegde feiten in die periode gepleegd, terwijl de delicten in ernst zijn toegenomen in vergelijking met eerdere veroordelingen. Geen van deze instanties was dus in staat om werkelijk zicht te houden op de verdachte om het risico op het plegen van strafbare feiten te verminderen. De verdachte heeft tijdens het toezicht op meerdere momenten contact gezocht met kwetsbare slachtoffers en vanuit eigen behoeftebevrediging en/of geldgebrek misbruik van hen gemaakt. De psychiater en psycholoog hebben gerapporteerd dat de verdachte sociaal wenselijk gedrag vertoont en dat sprake is van een beperkte gewetensfunctie. Ook het hof heeft deze indruk van de verdachte ter zitting gekregen. Het cannabismisbruik is - ondanks de gepresenteerde gewijzigde houding van de verdachte - nog niet in remissie. Gebleken is dat hij ook in detentie positief heeft getest op cannabisgebruik. Een strakker kader dan wat de verdachte tot nu toe heeft gehad, acht het hof, evenals de rechtbank, noodzakelijk. Dit kader kan naar het oordeel van het hof alleen worden bereikt door een TBS met dwangverpleging.



Het hof stelt op basis van de rapportages, en op de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, Sr is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten immers sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, de feiten betreffen telkens een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en naar het oordeel van het hof eist de algemene veiligheid van personen oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging.




Ongemaximeerd

De maatregel wordt opgelegd wegens misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand is gemaximeerd.




GVM

Gelet op de ernst van de problematiek in het gedrag van de verdachte en de rapportages waaronder het recente advies van de reclassering om een GVM op te leggen is het hof van oordeel dat de reële kans aanwezig is dat het recidiverisico na afloop van de duur van TBS met dwangverpleging nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen.



Het hof is daarom, evenals de rechtbank, van oordeel dat het noodzakelijk is om de verdachte de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om de verdachte ook na de TBS-maatregel, indien dat nodig blijkt, onder toezicht te stellen, zodat het risico op recidive wordt verkleind. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan. Aan de verdachte wordt immers de TBS-maatregel opgelegd en oplegging van de GVM is naar het oordeel van het hof in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen.





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]


De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 15.580,00, waarvan € 580,00 ter zake materiële schade (kosten uit vervangingskosten van een laptop) en € 15.000,- ter zake van immateriële schade.



De vordering is bij het vonnis waarvan beroep deels toegewezen tot een bedrag van € 12.500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.



De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijk toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, conform het vonnis in eerste aanleg.



De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.



Het hof is met de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de materiële schadepost (laptop) rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezenverklaarde feit. De gevorderde materiële schade zal het hof afwijzen.



Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof dat uit het dossier en het onderzoek ter zitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van onder feit 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending, te weten ontucht, in dit geval, met zich mee dat de gestelde nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van aantasting in de persoon op een andere wijze. De verdachte is dan ook op grond van voornoemd artikel gehouden tot vergoeding van de schade.



Het hof heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’ (hierna: RS), een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Uit de RS blijkt dat een bedrag aan schadevergoeding tussen de € 6.000,00 - € 12.500,00 billijk kan zijn bij ‘ernstig’ ontucht met binnendringen (categorie 15.2 onder b).



In dit verband overweegt het hof dat de bewezenverklaarde ontucht op twee momenten heeft plaatsgevonden met een slachtoffer van slechts 10 jaar oud, waarbij onder meer sprake is geweest van penetratie. Het hof is daarom van oordeel dat de handelingen niet vallen binnen de lichtere categorie ‘tamelijk ernstig’, zoals de verdediging heeft betoogd. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen zoals opgenomen in de strafmotivering, acht het hof net als de rechtbank in deze zaak een immateriële schadevergoeding van € 12.500,00 passend.



Het hof is van oordeel dat er sprake is van een causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de immateriële schade. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat de psychische klachten die voortvloeien uit de eventuele psychische predispositie als gevolg van een eerder of eerdere incidenten, geldt immers dat de veroorzaker het slachtoffer heeft te accepteren zoals zij is. Volgens vaste rechtspraak staat een predispositie in principe niet aan toerekening van de schade in de weg en bestaat ook aansprakelijkheid voor schade die nauwelijks te voorzien was en veroorzaakt wordt door de verhoogde kwetsbaarheid van een slachtoffer. Alleen als sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals het geval dat het slachtoffer heeft nagelaten alles in het werk te stellen wat redelijkerwijs van haar kan worden verlangd om tot het herstelproces bij te dragen, kan dit anders zijn. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is hier geen sprake. Dit brengt mee dat de geleden immateriële schade door de verdachte moet worden vergoed. Het hof ziet geen aanleiding om de hoogte van de schadevergoeding verder te matigen.



Voor het overige deel zal de vordering worden afgewezen.



Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]


De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 18.876,60, waarvan € 11.376,60 ter zake materiële schade (bestaande uit weggenomen geldbedragen, toekomstige kosten voor het eigen risico en verlies aan inkomen) en € 7.500,- aan immateriële schade.



De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 16.376,60 (te weten: € 11.376,60 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade). De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.



De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen.



De verdediging heeft de vordering niet betwist.



Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de materiële schadeposten rechtstreeks verband houden met het onder 3 bewezenverklaarde feit. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen.



Het hof overweegt verder dat uit het dossier en het onderzoek ter zitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van onder feit 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending, te weten verkrachting, in dit geval, met zich dat de gestelde nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van aantasting in de persoon op een andere wijze. De verdachte is dan ook op grond van voornoemd artikel gehouden tot vergoeding van de schade.



Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade ook hier de RS tot uitgangspunt. In deel C, Smartengeld anders dan vanwege (aangetoond) letsel, hoofdstuk 15 ‘Seksuele misdrijven’, wordt voor een verkrachting in de categorie ‘(c) tamelijk ernstig’ een bedrag tussen de
€ 2.500,00 tot € 7.500,00 genoemd. In deze categorie gaat het doorgaans om een eenmalige verkrachting. Situaties waarin de benadeelde en de dader een date hebben, vallen vaak in deze categorie. Dit was ook het geval in deze zaak.



In dit verband overweegt het hof dat de bewezenverklaarde ontucht twee momenten bevat waarbij het slachtoffer de verdachte onder dwang moest pijpen, waarbij de verdachte haar heeft gefilmd. De verdachte was erg dwingend en heeft het al kwetsbare slachtoffer ontredderd achter gelaten in haar woning. Het hof is daarom van oordeel dat de handelingen vallen binnen de categorie ‘tamelijk ernstig’. Gelet op het voorgaande acht het hof, anders dan de rechtbank, in deze zaak de gevorderde immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 7.500,00, passend.



Het hof zal de vordering vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.





Vordering van de benadeelde partij [stichting]


De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 260,00 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.



De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen.



De verdediging heeft de vordering niet betwist.



Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.



Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.





BESLISSING


Het hof:



Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen het ten laste gelegde feit 5.



Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing over de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 12.500,00 (twaalfduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 12.500,00 (twaalfduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 87 (zevenentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 mei 2023.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 2 en 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 18.876,60 (achttienduizend achthonderdzesenzeventig euro en zestig cent) bestaande uit € 11.376,60 (elfduizend driehonderdzesenzeventig euro en zestig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 2 en 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 18.876,60 (achttienduizend achthonderdzesenzeventig euro en zestig cent) bestaande uit € 11.376,60 (elfduizend driehonderdzesenzeventig euro en zestig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 119 (honderdnegentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 28 januari 2024.




Vordering van de benadeelde partij [stichting]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [stichting] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 260,00 (tweehonderdzestig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [stichting] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 260,00 (tweehonderdzestig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 2 februari 2024.



Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van wat hiervoor is overwogen.



Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. A.P.M. van Rijn en mr. C.A. Boom, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 augustus 2026.