Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2139
2026-08-04
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.368.609/01, 200.368.609/02 en 200.370.759/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing. Artikelen: 1:265b en 1:265c BW
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2022:395 Hoge Raad 18-03-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.003 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.368.609/01, 200.368.609/02 en 200.370.759/01
zaaknummers rechtbank: C/15/373761 / JU RK 26-97 en C/15/378377 / JU RK 26-836
beschikking van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak van
[de vader] ,
hierna: de vader,
[de moeder] ,
hierna: de moeder,
hierna gezamenlijk: de ouders,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekers in hoger beroep en in het incident,
advocaat: mr. M. van Espen te Hoorn,
en
de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep en in het incident,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
Als informant is aangemerkt:
- Stichting De Waerden.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.
1De zaak in het kort
1.1
De zaak gaat over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (8 jaar). De kinderrechter heeft op 11 februari 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd. Omdat de machtiging na drie maanden verliep, heeft de kinderrechter op 2 juni 2026 opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend. De ouders zijn het daar niet mee eens en komen in hoger beroep op tegen de verleende machtigingen tot uithuisplaatsing. De GI is het wel eens met de bestreden beschikkingen.
1.2
Het hof bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank en legt hierna uit hoe het tot deze beslissing komt.
2De procedure in hoger beroep
2.1
De ouders zijn op 8 mei 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 11 februari 2026 en op 25 juni 2026 van de beschikking van 2 juni 2026 (hierna: de bestreden beschikkingen) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter). Beide verzoekschriften bevatten ook een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikkingen.
2.2
De GI heeft op 15 juli 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- een brief van de zijde van de ouders van 6 juli 2026 met bijlage.
2.4
[minderjarige] heeft in een brief laten weten wat zij van de zaak vindt.
2.5
De mondelinge behandeling in de zaken waarop deze beschikking ziet, is op 16 juli 2026 gevoegd behandeld met de zaak met zaaknummer 200.370.759/02. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [naam 1] ;
- Stichting De Waerden, vertegenwoordigd door [naam 2] .
De raad is met bericht van afwezigheid niet verschenen.
2.6
Het hof heeft ter zitting in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.370.759/02 mondeling uitspraak gedaan. Het hof heeft het verzoek van de ouders tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking van 2 juni 2026 toegewezen tot de datum waarop in de onderhavige zaken uitspraak wordt gedaan. Een uitwerking van deze mondelinge uitspraak is op 30 juli 2026 vastgesteld.
3De feiten
3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2018.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
[minderjarige] staat sinds 14 februari 2019 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd, voor het laatst tot 14 februari 2027.
3.3
[minderjarige] is vanaf haar geboorte tot 17 februari 2024 uithuisgeplaatst geweest.
Sinds 17 februari 2024 woont [minderjarige] bij de ouders.
3.4
Bij beschikking van de kinderrechter van 15 december 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend. Omdat er nog geen passende (pleegzorg)plek voor [minderjarige] was gevonden, is deze machtiging niet ten uitvoer gelegd.
4De omvang van het hoger beroep
4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking van 11 februari 2026, voor zover hier van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 14 februari 2027.
Omdat de machtiging uithuisplaatsing bij gebrek aan tenuitvoerlegging was verlopen, heeft de kinderrechter bij de bestreden beschikking van 2 juni 2026 opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend tot 14 februari 2027.
4.2
Ter zitting in hoger beroep hebben de ouders het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking van 11 februari 2026 ingetrokken. Op het verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van 2 juni 2026 in de zaak met zaaknummer 200.370.759/02 is reeds mondeling uitspraak gedaan. Ter beoordeling van het hof liggen dus nog uitsluitend de verzoeken van de ouders voor om de bestreden beschikkingen te vernietigen en, naar het hof begrijpt, om alsnog het tweede verzoek van de GI tot verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] af te wijzen.
4.3
De GI heeft verzocht de hoger beroepen van de ouders af te wijzen en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2
Op grond van artikel 1:265c lid 3 BW vervalt een machtiging uithuisplaatsing wanneer deze na verloop van drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.
De standpunten
5.3
De ouders vinden een machtiging uithuisplaatsing disproportioneel en niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is bij haar geboorte direct uithuisgeplaatst. Daarna is zij één keer overgeplaatst naar een ander pleeggezin. Met de laatste pleegouders is nog goed contact. Naar aanleiding van een NIFP-onderzoek, waarin werd geconcludeerd dat de ouders in staat waren tot goed genoeg ouderschap, is [minderjarige] op 17 februari 2024 na een opbouwperiode volledig thuisgeplaatst. Omdat de GI niet achter deze thuisplaatsing stond hebben de ouders het idee dat de thuisplaatsing gedoemd was te mislukken. Zij hebben het gevoel onder een vergrootglas te liggen en het nooit goed genoeg te doen.
Bij beschikking van de kinderrechter van 15 december 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend. Bij de bestreden beschikking van 11 februari 2026 is deze machtiging verlengd. Omdat niet direct een passend pleeggezin werd gevonden is deze machtiging verlopen bij gebrek aan tenuitvoerlegging. Inmiddels heeft de GI een passend pleeggezin gevonden waarmee de ouders hebben kennisgemaakt. Daarom is bij de bestreden beschikking van 2 juni 2026 opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend. De ouders zijn bang dat [minderjarige] heen en weer geplaatst gaat worden tussen de ouders en pleeggezinnen. De ouders zijn bereid om [minderjarige] naar een weekendpleeggezin te laten gaan, zodat de ouders worden ontlast in de zorg voor [minderjarige] . Een gehele uithuisplaatsing vinden zij niet nodig. Zij zijn goed genoeg in staat om [minderjarige] de zorg te bieden die zij nodig heeft. Daarbij hebben zij wel dagelijks sturing nodig van passende hulpverlening, zoals bij de thuisplaatsing ook al vastlag. Daarvoor staan de ouders open. Hun persoonlijke hulpverleners van De Waerden zijn echter te weinig betrokken in het traject, terwijl deze hulpverleners juist de expertise hebben op het gebied van mensen met een lichtverstandelijke beperking. Incluzio, die door de GI is ingeschakeld om opvoedondersteuning te verlenen, mist deze expertise, aldus de ouders.
5.4
De GI vindt de uithuisplaatsing van [minderjarige] in haar belang noodzakelijk. Ondanks de inzet van de ouders, meerdere zorgaanbieders en de GI om de thuisplaatsing te laten slagen, zijn de zorgen over de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] steeds groter geworden. Aan de ouders is in dit kader eerst hulp geboden door de Omring en daarna door Incluzio. De Omring heeft de opdracht na een jaar aan de GI teruggegeven. Toen heeft de GI Incluzio ingezet om de ouders de nodige zorg en begeleiding bij de opvoeding van [minderjarige] te bieden. Incluzio heeft daarvoor medewerkers ingezet die ervaring hebben met het werken met mensen met een licht verstandelijke beperking. Desondanks stagneert de ontwikkeling van [minderjarige] doordat het de ouders onvoldoende lukt om [minderjarige] positief te stimuleren en om bij haar ontwikkelingsniveau aan te sluiten. Ook lukt het de ouders niet om [minderjarige] voldoende te begrenzen in haar schermtijd. De GI vindt dat sprake is van emotionele verwaarlozing en onderstimulatie van [minderjarige] waardoor zij in haar ontwikkeling stagneert. Dit doen de ouders niet opzettelijk, de zorg die [minderjarige] nodig heeft, overstijgt hun mogelijkheden. De aanwezige hulpverlening kan deze tekortkomingen onvoldoende compenseren door middel van ondersteuning aan de ouders. Hierdoor is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . Een weekendpleeggezin is ontoereikend omdat het grootste deel van de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] dan nog steeds bij de ouders ligt.
Nadat de kinderrechter op 15 december 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing had verleend heeft Parlan in opdracht van de GI gezocht naar een passend pleeggezin. Dit duurde even maar daardoor is een goed pleeggezin gevonden op 23 april 2026. Op 11 mei 2026 hebben de ouders voor het eerst met dit pleeggezin kennisgemaakt. De GI heeft rekening gehouden met de wens van de ouders om [minderjarige] het schooljaar, de zwemles en de voetbal te laten afronden voor de zomervakantie. Sinds 9 juli 2026 weet [minderjarige] dat zij gaat verhuizen naar de pleegouders en op 15 juli 2026 is zij een middag bij hen geweest om kennis te maken, aldus de GI.
De beoordeling door het hof
in de zaak met zaaknummer 200.368.609/02
5.5
Zoals hiervoor bij rechtsoverweging 4.2 beschreven hebben de ouders het schorsingsverzoek tegen de bestreden beschikking van 11 februari 2026 ter zitting in hoger beroep ingetrokken. Dit heeft tot gevolg dat het de door de ouders gedane schorsingsverzoek niet meer kan worden onderzocht. Het hof zal de ouders daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.
in de zaken met zaaknummers 200.368.609/01 en 200.370.759/01
5.6
Op grond van artikel 1:265c lid 3 BW is de termijn waarvoor de kinderrechter de uithuisplaatsing met ingang van 11 februari 2026 heeft verleend drie maanden daarna (11 mei 2026) verlopen omdat deze niet ten uitvoer is gelegd. In de uitspraak van de Hoge Raad (HR) van 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:395, heeft de HR ten aanzien daarvan overwogen dat indien ten tijde van de uitspraak in hoger beroep de periode is verstreken waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing is gegeven, het hof aan de hand van de aangevoerde grieven dient te beoordelen of de bestreden beslissing terecht is gegeven. Dit geldt ook indien de machtiging tot uithuisplaatsing niet binnen de in artikel 1:265c lid 3 BW genoemde termijn ten uitvoer is gelegd en daardoor ten tijde van de uitspraak in hoger beroep is vervallen. De machtiging tot uithuisplaatsing vormt een inmenging in het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, ook indien die machtiging niet ten uitvoer wordt gelegd. Het is immers aannemelijk dat alleen al de in die machtiging besloten liggende dreiging van uithuisplaatsing het gezinsleven verstoort. De ouder heeft daarom ook in dat geval een rechtens relevant belang om in hoger beroep te laten beoordelen of de machtiging terecht is gegeven.
5.7
In het licht van het voorgaande dient het hof nu dus niet alleen te beoordelen of de gronden voor een verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op het moment van de bestreden beschikking van 2 juni 2026 aanwezig waren, maar ook of dat het geval was op 11 februari 2026 en tot drie maanden daarna.
5.8
[minderjarige] is bij haar geboorte [in] 2018 direct uithuisgeplaatst in een pleeggezin. Bij beschikking van 17 augustus 2021 heeft dit hof geoordeeld dat meer onderzoek moest worden gedaan naar de opvoedvaardigheden van de ouders. Het NIFP heeft onderzoek gedaan naar de ouders en [minderjarige] . Bij rapporten van 17 juli 2023 heeft het NIFP geadviseerd de omgang uit te breiden zodat kan worden toegewerkt naar thuisplaatsing. Daarnaast is in de NIFP-rapporten geconcludeerd dat bij [minderjarige] sprake is van een IQ van gemiddeld tot boven gemiddeld niveau, terwijl de ouders beiden zijn gediagnosticeerd met een licht verstandelijke beperking.
Bij beschikking van de kinderrechter van 9 oktober 2023 is bepaald dat [minderjarige] met een opbouw geleidelijk zou worden thuisgeplaatst. Sinds 14 februari 2024 woont [minderjarige] volledig bij de ouders. Vanaf dat moment ontvingen de ouders ambulante opvoedbegeleiding van De Omring.
In augustus 2024 hebben de ouders twee schriftelijke aanwijzingen gekregen van de GI. Eén schriftelijke aanwijzing hield in dat de ouders toestemming moesten geven dat [minderjarige] alleen met de jeugdzorgwerker mag spreken. Een tweede schriftelijke aanwijzing hield in dat de ouders moesten samenwerken met de hulpverlening van De Omring. De ouders lieten de hulpverlening namelijk vaak niet binnen.
In oktober 2024 heeft de school van [minderjarige] gemeld dat zij niet meekomt met de aangeboden leerstof.
Sinds begin april 2025 is speltherapie ingezet voor [minderjarige] . Omdat [minderjarige] niet altijd naar speltherapie ging, heeft de GI hiervoor een schriftelijke aanwijzing gegeven. Deze is bekrachtigd bij beschikking van de kinderrechter van 11 september 2025. Sindsdien brengen de ouders [minderjarige] naar de speltherapie. In het rapport van de speltherapie van 7 juli 2026 is het advies dat [minderjarige] nog steeds baat heeft bij speltherapie.
In mei 2025 heeft De Omring aangekondigd de opdracht terug te geven aan de GI, omdat De Omring de hulpverlening niet langer aan de ouders wilde verlenen. De moeder herkende en erkende de zorgen van de hulpverlening niet waardoor zij geen verbetering liet zien in haar zorg en opvoeding. Sinds juli 2025 heeft Incluzio de ambulante opvoedondersteuning van De Omring overgenomen. In verband met de zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders komt Incluzio vijf keer per week bij de ouders thuis. Incluzio ziet dan vooral de moeder omdat de vader overdag werkt. Uit de verschillende rapportages van Incluzio, waarvan de laatste dateert van 7 juli 2026, blijkt dat de volgende zorgen onverminderd aanwezig zijn. Incluzio ziet dat de ouders de hulpverlening maar beperkt toelaten en niet profiteren van de hulpverlening. De moeder negeert de aanwezigheid en de adviezen van de hulpverlening. De ouders stellen zelf geen vragen. De moeder vindt het moeilijk om met adviezen om te gaan en kan daarop emotioneel reageren en daarbij steun zoeken bij [minderjarige] . Hierdoor blijft de begeleiding veel sturing geven in alledaagse opvoedsituaties. Ook lukt het de moeder onvoldoende om [minderjarige] sociaal en emotioneel te ondersteunen, haar op gepaste wijze te stimuleren, te zien wat [minderjarige] nodig heeft, in negatief gedrag te begrenzen en in positief gedrag te ontvangen. Ook stimuleren de ouders de schoolgang onvoldoende, [minderjarige] wordt veelvuldig ziekgemeld. [minderjarige] blijft dit jaar zitten in groep 4 omdat zij onvoldoende is meegekomen met de lesstof. De ouders hebben moeite met zich passend bij de leeftijd van [minderjarige] aan te sluiten en haar ontwikkeling te stimuleren en gepaste structuur, regelmaat en voorspelbaarheid te bieden, evenals gezonde voeding. Daarnaast is sprake van heel veel schermgebruik door [minderjarige] , wat niet passend is bij haar leeftijd. Ook speelt zij spellen die 18+ zijn en is er onvoldoende ouderlijk toezicht op haar telefoongebruik.
Beide voormalige pleegouders hebben verteld dat [minderjarige] een prikkelgevoelig meisje is met een grote opvoedbehoefte. Hiermee houden de ouders echter geen rekening. Zij bieden haar veel prikkelrijke activiteiten aan. Wanneer de ouders hierop worden aangesproken, herkennen zij dit niet.
5.9
Het hof overweegt dat de GI ruim de tijd heeft genomen om door middel van ambulante opvoedondersteuning van De Omring en Incluzio de thuisplaatsing van [minderjarige] te laten slagen. Toen dat langere tijd moeizaam verliep en er meerdere zorgen waren over de opvoedvaardigheden van de ouders en de ontwikkeling van [minderjarige] , is op 15 september 2025 de mogelijkheid van een weekendpleeggezin met de ouders besproken. Dat hebben zij toen geweigerd. Zonder hun medewerking zou een dergelijke oplossing niet in het belang van [minderjarige] zijn. Dat de ouders in dit hoger beroep stellen nu wel bereid te zijn om mee te werken aan een weekendpleeggezin, is te laat gebleken. [minderjarige] heeft inmiddels meer intensieve begeleiding nodig om tot de ontwikkeling te komen waarop zij recht heeft als kind van acht.
Het hof overweegt dat er geen reden is om aan te nemen dat de situatie anders zou zijn wanneer De Waerden een grotere rol in het gezin zou spelen. De GI heeft ter zitting uitgelegd dat het niet mogelijk was bij de thuisplaatsing van [minderjarige] in 2024 om opvoedondersteuning door De Waerden in te schakelen, omdat geen opvoedondersteuning via de gemeente bij De Waerden kon worden geregeld. Volgens de GI lukt het de hulpverleners van de moeder van De Waerden echter ook niet altijd om de moeder te bewegen.
Daarnaast is het hof van oordeel dat de ouders tijdens deze procedure op geen enkel moment hebben laten zien wat zij zelf hebben gedaan om [minderjarige] de zorg en opvoeding te bieden die zij nodig heeft of hoe zij anderszins hebben geprobeerd om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Het hof is ervan overtuigd dat de ouders hun best doen en heel veel van [minderjarige] houden. Zij zijn echter niet in staat gebleken om te profiteren van de aangeboden hulp. Beide ouders zijn licht verstandelijk beperkt en hebben hun eigen kwetsbaarheden. Mogelijk speelt dit een rol. Feit is echter dat het niet goed gaat met [minderjarige] . Zij blijft zitten in groep 4 omdat haar schoolontwikkeling te ver achterloopt. Ook als sprake zou zijn van dyslexie, waarnaar nu onderzoek wordt gedaan, verklaart dat niet waarom [minderjarige] zo zeer in haar ontwikkeling achterloopt. Daarnaast is sprake van een problematisch hoge hoeveelheid schermgebruik. Hoewel de moeder ter zitting heeft gezegd dat [minderjarige] nu minder op een scherm kijkt, wordt dat niet door Incluzio gezien. Het hof is het met de GI eens dat sprake is van emotionele verwaarlozing en onderstimulatie van [minderjarige] .
5.10
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet langer in het belang van [minderjarige] is om bij de ouders te blijven wonen. Sinds de zitting op 15 december 2025 is de GI begonnen met een stapsgewijze uithuisplaatsing van [minderjarige] zodat dit voor [minderjarige] en de ouders op een zo rustig mogelijke manier verloopt. Op 23 april 2026 is een passend pleeggezin gevonden. Op 11 mei 2026 hebben de ouders kennisgemaakt met de pleegouders. Op 15 juli 2026 is [minderjarige] een middag bij de pleegouders geweest. Het hof gaat ervan uit dat de GI en de ouders samen hun best zullen doen om de definitieve overgang naar de pleegouders goed te laten verlopen voor [minderjarige] .
5.11
Het voorgaande brengt mee dat het hof van oordeel is dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ten tijde van de beschikking op 11 februari 2026 en voor de duur van die eerste machtiging, tot 11 mei 2026, noodzakelijk was in het belang van haar verzorging en opvoeding. Ook de tweede machtiging tot uithuisplaatsing van 2 juni 2026 was in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing beide keren op terechte gronden verleend.
5.12
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.368.609/01
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
in de zaak met zaaknummer 200.368.609/02
verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking;
in de zaak met zaaknummer 200.370.759/01
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. A.R. Sturhoofd en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 4 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.368.609/01, 200.368.609/02 en 200.370.759/01
zaaknummers rechtbank: C/15/373761 / JU RK 26-97 en C/15/378377 / JU RK 26-836
beschikking van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak van
[de vader] ,
hierna: de vader,
[de moeder] ,
hierna: de moeder,
hierna gezamenlijk: de ouders,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekers in hoger beroep en in het incident,
advocaat: mr. M. van Espen te Hoorn,
en
de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep en in het incident,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
Als informant is aangemerkt:
- Stichting De Waerden.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.
1De zaak in het kort
1.1
De zaak gaat over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (8 jaar). De kinderrechter heeft op 11 februari 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd. Omdat de machtiging na drie maanden verliep, heeft de kinderrechter op 2 juni 2026 opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend. De ouders zijn het daar niet mee eens en komen in hoger beroep op tegen de verleende machtigingen tot uithuisplaatsing. De GI is het wel eens met de bestreden beschikkingen.
1.2
Het hof bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank en legt hierna uit hoe het tot deze beslissing komt.
2De procedure in hoger beroep
2.1
De ouders zijn op 8 mei 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 11 februari 2026 en op 25 juni 2026 van de beschikking van 2 juni 2026 (hierna: de bestreden beschikkingen) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter). Beide verzoekschriften bevatten ook een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikkingen.
2.2
De GI heeft op 15 juli 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- een brief van de zijde van de ouders van 6 juli 2026 met bijlage.
2.4
[minderjarige] heeft in een brief laten weten wat zij van de zaak vindt.
2.5
De mondelinge behandeling in de zaken waarop deze beschikking ziet, is op 16 juli 2026 gevoegd behandeld met de zaak met zaaknummer 200.370.759/02. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [naam 1] ;
- Stichting De Waerden, vertegenwoordigd door [naam 2] .
De raad is met bericht van afwezigheid niet verschenen.
2.6
Het hof heeft ter zitting in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.370.759/02 mondeling uitspraak gedaan. Het hof heeft het verzoek van de ouders tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking van 2 juni 2026 toegewezen tot de datum waarop in de onderhavige zaken uitspraak wordt gedaan. Een uitwerking van deze mondelinge uitspraak is op 30 juli 2026 vastgesteld.
3De feiten
3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2018.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
[minderjarige] staat sinds 14 februari 2019 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd, voor het laatst tot 14 februari 2027.
3.3
[minderjarige] is vanaf haar geboorte tot 17 februari 2024 uithuisgeplaatst geweest.
Sinds 17 februari 2024 woont [minderjarige] bij de ouders.
3.4
Bij beschikking van de kinderrechter van 15 december 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend. Omdat er nog geen passende (pleegzorg)plek voor [minderjarige] was gevonden, is deze machtiging niet ten uitvoer gelegd.
4De omvang van het hoger beroep
4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking van 11 februari 2026, voor zover hier van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 14 februari 2027.
Omdat de machtiging uithuisplaatsing bij gebrek aan tenuitvoerlegging was verlopen, heeft de kinderrechter bij de bestreden beschikking van 2 juni 2026 opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend tot 14 februari 2027.
4.2
Ter zitting in hoger beroep hebben de ouders het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking van 11 februari 2026 ingetrokken. Op het verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van 2 juni 2026 in de zaak met zaaknummer 200.370.759/02 is reeds mondeling uitspraak gedaan. Ter beoordeling van het hof liggen dus nog uitsluitend de verzoeken van de ouders voor om de bestreden beschikkingen te vernietigen en, naar het hof begrijpt, om alsnog het tweede verzoek van de GI tot verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] af te wijzen.
4.3
De GI heeft verzocht de hoger beroepen van de ouders af te wijzen en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2
Op grond van artikel 1:265c lid 3 BW vervalt een machtiging uithuisplaatsing wanneer deze na verloop van drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.
De standpunten
5.3
De ouders vinden een machtiging uithuisplaatsing disproportioneel en niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is bij haar geboorte direct uithuisgeplaatst. Daarna is zij één keer overgeplaatst naar een ander pleeggezin. Met de laatste pleegouders is nog goed contact. Naar aanleiding van een NIFP-onderzoek, waarin werd geconcludeerd dat de ouders in staat waren tot goed genoeg ouderschap, is [minderjarige] op 17 februari 2024 na een opbouwperiode volledig thuisgeplaatst. Omdat de GI niet achter deze thuisplaatsing stond hebben de ouders het idee dat de thuisplaatsing gedoemd was te mislukken. Zij hebben het gevoel onder een vergrootglas te liggen en het nooit goed genoeg te doen.
Bij beschikking van de kinderrechter van 15 december 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend. Bij de bestreden beschikking van 11 februari 2026 is deze machtiging verlengd. Omdat niet direct een passend pleeggezin werd gevonden is deze machtiging verlopen bij gebrek aan tenuitvoerlegging. Inmiddels heeft de GI een passend pleeggezin gevonden waarmee de ouders hebben kennisgemaakt. Daarom is bij de bestreden beschikking van 2 juni 2026 opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend. De ouders zijn bang dat [minderjarige] heen en weer geplaatst gaat worden tussen de ouders en pleeggezinnen. De ouders zijn bereid om [minderjarige] naar een weekendpleeggezin te laten gaan, zodat de ouders worden ontlast in de zorg voor [minderjarige] . Een gehele uithuisplaatsing vinden zij niet nodig. Zij zijn goed genoeg in staat om [minderjarige] de zorg te bieden die zij nodig heeft. Daarbij hebben zij wel dagelijks sturing nodig van passende hulpverlening, zoals bij de thuisplaatsing ook al vastlag. Daarvoor staan de ouders open. Hun persoonlijke hulpverleners van De Waerden zijn echter te weinig betrokken in het traject, terwijl deze hulpverleners juist de expertise hebben op het gebied van mensen met een lichtverstandelijke beperking. Incluzio, die door de GI is ingeschakeld om opvoedondersteuning te verlenen, mist deze expertise, aldus de ouders.
5.4
De GI vindt de uithuisplaatsing van [minderjarige] in haar belang noodzakelijk. Ondanks de inzet van de ouders, meerdere zorgaanbieders en de GI om de thuisplaatsing te laten slagen, zijn de zorgen over de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] steeds groter geworden. Aan de ouders is in dit kader eerst hulp geboden door de Omring en daarna door Incluzio. De Omring heeft de opdracht na een jaar aan de GI teruggegeven. Toen heeft de GI Incluzio ingezet om de ouders de nodige zorg en begeleiding bij de opvoeding van [minderjarige] te bieden. Incluzio heeft daarvoor medewerkers ingezet die ervaring hebben met het werken met mensen met een licht verstandelijke beperking. Desondanks stagneert de ontwikkeling van [minderjarige] doordat het de ouders onvoldoende lukt om [minderjarige] positief te stimuleren en om bij haar ontwikkelingsniveau aan te sluiten. Ook lukt het de ouders niet om [minderjarige] voldoende te begrenzen in haar schermtijd. De GI vindt dat sprake is van emotionele verwaarlozing en onderstimulatie van [minderjarige] waardoor zij in haar ontwikkeling stagneert. Dit doen de ouders niet opzettelijk, de zorg die [minderjarige] nodig heeft, overstijgt hun mogelijkheden. De aanwezige hulpverlening kan deze tekortkomingen onvoldoende compenseren door middel van ondersteuning aan de ouders. Hierdoor is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . Een weekendpleeggezin is ontoereikend omdat het grootste deel van de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] dan nog steeds bij de ouders ligt.
Nadat de kinderrechter op 15 december 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing had verleend heeft Parlan in opdracht van de GI gezocht naar een passend pleeggezin. Dit duurde even maar daardoor is een goed pleeggezin gevonden op 23 april 2026. Op 11 mei 2026 hebben de ouders voor het eerst met dit pleeggezin kennisgemaakt. De GI heeft rekening gehouden met de wens van de ouders om [minderjarige] het schooljaar, de zwemles en de voetbal te laten afronden voor de zomervakantie. Sinds 9 juli 2026 weet [minderjarige] dat zij gaat verhuizen naar de pleegouders en op 15 juli 2026 is zij een middag bij hen geweest om kennis te maken, aldus de GI.
De beoordeling door het hof
in de zaak met zaaknummer 200.368.609/02
5.5
Zoals hiervoor bij rechtsoverweging 4.2 beschreven hebben de ouders het schorsingsverzoek tegen de bestreden beschikking van 11 februari 2026 ter zitting in hoger beroep ingetrokken. Dit heeft tot gevolg dat het de door de ouders gedane schorsingsverzoek niet meer kan worden onderzocht. Het hof zal de ouders daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.
in de zaken met zaaknummers 200.368.609/01 en 200.370.759/01
5.6
Op grond van artikel 1:265c lid 3 BW is de termijn waarvoor de kinderrechter de uithuisplaatsing met ingang van 11 februari 2026 heeft verleend drie maanden daarna (11 mei 2026) verlopen omdat deze niet ten uitvoer is gelegd. In de uitspraak van de Hoge Raad (HR) van 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:395, heeft de HR ten aanzien daarvan overwogen dat indien ten tijde van de uitspraak in hoger beroep de periode is verstreken waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing is gegeven, het hof aan de hand van de aangevoerde grieven dient te beoordelen of de bestreden beslissing terecht is gegeven. Dit geldt ook indien de machtiging tot uithuisplaatsing niet binnen de in artikel 1:265c lid 3 BW genoemde termijn ten uitvoer is gelegd en daardoor ten tijde van de uitspraak in hoger beroep is vervallen. De machtiging tot uithuisplaatsing vormt een inmenging in het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, ook indien die machtiging niet ten uitvoer wordt gelegd. Het is immers aannemelijk dat alleen al de in die machtiging besloten liggende dreiging van uithuisplaatsing het gezinsleven verstoort. De ouder heeft daarom ook in dat geval een rechtens relevant belang om in hoger beroep te laten beoordelen of de machtiging terecht is gegeven.
5.7
In het licht van het voorgaande dient het hof nu dus niet alleen te beoordelen of de gronden voor een verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op het moment van de bestreden beschikking van 2 juni 2026 aanwezig waren, maar ook of dat het geval was op 11 februari 2026 en tot drie maanden daarna.
5.8
[minderjarige] is bij haar geboorte [in] 2018 direct uithuisgeplaatst in een pleeggezin. Bij beschikking van 17 augustus 2021 heeft dit hof geoordeeld dat meer onderzoek moest worden gedaan naar de opvoedvaardigheden van de ouders. Het NIFP heeft onderzoek gedaan naar de ouders en [minderjarige] . Bij rapporten van 17 juli 2023 heeft het NIFP geadviseerd de omgang uit te breiden zodat kan worden toegewerkt naar thuisplaatsing. Daarnaast is in de NIFP-rapporten geconcludeerd dat bij [minderjarige] sprake is van een IQ van gemiddeld tot boven gemiddeld niveau, terwijl de ouders beiden zijn gediagnosticeerd met een licht verstandelijke beperking.
Bij beschikking van de kinderrechter van 9 oktober 2023 is bepaald dat [minderjarige] met een opbouw geleidelijk zou worden thuisgeplaatst. Sinds 14 februari 2024 woont [minderjarige] volledig bij de ouders. Vanaf dat moment ontvingen de ouders ambulante opvoedbegeleiding van De Omring.
In augustus 2024 hebben de ouders twee schriftelijke aanwijzingen gekregen van de GI. Eén schriftelijke aanwijzing hield in dat de ouders toestemming moesten geven dat [minderjarige] alleen met de jeugdzorgwerker mag spreken. Een tweede schriftelijke aanwijzing hield in dat de ouders moesten samenwerken met de hulpverlening van De Omring. De ouders lieten de hulpverlening namelijk vaak niet binnen.
In oktober 2024 heeft de school van [minderjarige] gemeld dat zij niet meekomt met de aangeboden leerstof.
Sinds begin april 2025 is speltherapie ingezet voor [minderjarige] . Omdat [minderjarige] niet altijd naar speltherapie ging, heeft de GI hiervoor een schriftelijke aanwijzing gegeven. Deze is bekrachtigd bij beschikking van de kinderrechter van 11 september 2025. Sindsdien brengen de ouders [minderjarige] naar de speltherapie. In het rapport van de speltherapie van 7 juli 2026 is het advies dat [minderjarige] nog steeds baat heeft bij speltherapie.
In mei 2025 heeft De Omring aangekondigd de opdracht terug te geven aan de GI, omdat De Omring de hulpverlening niet langer aan de ouders wilde verlenen. De moeder herkende en erkende de zorgen van de hulpverlening niet waardoor zij geen verbetering liet zien in haar zorg en opvoeding. Sinds juli 2025 heeft Incluzio de ambulante opvoedondersteuning van De Omring overgenomen. In verband met de zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders komt Incluzio vijf keer per week bij de ouders thuis. Incluzio ziet dan vooral de moeder omdat de vader overdag werkt. Uit de verschillende rapportages van Incluzio, waarvan de laatste dateert van 7 juli 2026, blijkt dat de volgende zorgen onverminderd aanwezig zijn. Incluzio ziet dat de ouders de hulpverlening maar beperkt toelaten en niet profiteren van de hulpverlening. De moeder negeert de aanwezigheid en de adviezen van de hulpverlening. De ouders stellen zelf geen vragen. De moeder vindt het moeilijk om met adviezen om te gaan en kan daarop emotioneel reageren en daarbij steun zoeken bij [minderjarige] . Hierdoor blijft de begeleiding veel sturing geven in alledaagse opvoedsituaties. Ook lukt het de moeder onvoldoende om [minderjarige] sociaal en emotioneel te ondersteunen, haar op gepaste wijze te stimuleren, te zien wat [minderjarige] nodig heeft, in negatief gedrag te begrenzen en in positief gedrag te ontvangen. Ook stimuleren de ouders de schoolgang onvoldoende, [minderjarige] wordt veelvuldig ziekgemeld. [minderjarige] blijft dit jaar zitten in groep 4 omdat zij onvoldoende is meegekomen met de lesstof. De ouders hebben moeite met zich passend bij de leeftijd van [minderjarige] aan te sluiten en haar ontwikkeling te stimuleren en gepaste structuur, regelmaat en voorspelbaarheid te bieden, evenals gezonde voeding. Daarnaast is sprake van heel veel schermgebruik door [minderjarige] , wat niet passend is bij haar leeftijd. Ook speelt zij spellen die 18+ zijn en is er onvoldoende ouderlijk toezicht op haar telefoongebruik.
Beide voormalige pleegouders hebben verteld dat [minderjarige] een prikkelgevoelig meisje is met een grote opvoedbehoefte. Hiermee houden de ouders echter geen rekening. Zij bieden haar veel prikkelrijke activiteiten aan. Wanneer de ouders hierop worden aangesproken, herkennen zij dit niet.
5.9
Het hof overweegt dat de GI ruim de tijd heeft genomen om door middel van ambulante opvoedondersteuning van De Omring en Incluzio de thuisplaatsing van [minderjarige] te laten slagen. Toen dat langere tijd moeizaam verliep en er meerdere zorgen waren over de opvoedvaardigheden van de ouders en de ontwikkeling van [minderjarige] , is op 15 september 2025 de mogelijkheid van een weekendpleeggezin met de ouders besproken. Dat hebben zij toen geweigerd. Zonder hun medewerking zou een dergelijke oplossing niet in het belang van [minderjarige] zijn. Dat de ouders in dit hoger beroep stellen nu wel bereid te zijn om mee te werken aan een weekendpleeggezin, is te laat gebleken. [minderjarige] heeft inmiddels meer intensieve begeleiding nodig om tot de ontwikkeling te komen waarop zij recht heeft als kind van acht.
Het hof overweegt dat er geen reden is om aan te nemen dat de situatie anders zou zijn wanneer De Waerden een grotere rol in het gezin zou spelen. De GI heeft ter zitting uitgelegd dat het niet mogelijk was bij de thuisplaatsing van [minderjarige] in 2024 om opvoedondersteuning door De Waerden in te schakelen, omdat geen opvoedondersteuning via de gemeente bij De Waerden kon worden geregeld. Volgens de GI lukt het de hulpverleners van de moeder van De Waerden echter ook niet altijd om de moeder te bewegen.
Daarnaast is het hof van oordeel dat de ouders tijdens deze procedure op geen enkel moment hebben laten zien wat zij zelf hebben gedaan om [minderjarige] de zorg en opvoeding te bieden die zij nodig heeft of hoe zij anderszins hebben geprobeerd om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Het hof is ervan overtuigd dat de ouders hun best doen en heel veel van [minderjarige] houden. Zij zijn echter niet in staat gebleken om te profiteren van de aangeboden hulp. Beide ouders zijn licht verstandelijk beperkt en hebben hun eigen kwetsbaarheden. Mogelijk speelt dit een rol. Feit is echter dat het niet goed gaat met [minderjarige] . Zij blijft zitten in groep 4 omdat haar schoolontwikkeling te ver achterloopt. Ook als sprake zou zijn van dyslexie, waarnaar nu onderzoek wordt gedaan, verklaart dat niet waarom [minderjarige] zo zeer in haar ontwikkeling achterloopt. Daarnaast is sprake van een problematisch hoge hoeveelheid schermgebruik. Hoewel de moeder ter zitting heeft gezegd dat [minderjarige] nu minder op een scherm kijkt, wordt dat niet door Incluzio gezien. Het hof is het met de GI eens dat sprake is van emotionele verwaarlozing en onderstimulatie van [minderjarige] .
5.10
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet langer in het belang van [minderjarige] is om bij de ouders te blijven wonen. Sinds de zitting op 15 december 2025 is de GI begonnen met een stapsgewijze uithuisplaatsing van [minderjarige] zodat dit voor [minderjarige] en de ouders op een zo rustig mogelijke manier verloopt. Op 23 april 2026 is een passend pleeggezin gevonden. Op 11 mei 2026 hebben de ouders kennisgemaakt met de pleegouders. Op 15 juli 2026 is [minderjarige] een middag bij de pleegouders geweest. Het hof gaat ervan uit dat de GI en de ouders samen hun best zullen doen om de definitieve overgang naar de pleegouders goed te laten verlopen voor [minderjarige] .
5.11
Het voorgaande brengt mee dat het hof van oordeel is dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ten tijde van de beschikking op 11 februari 2026 en voor de duur van die eerste machtiging, tot 11 mei 2026, noodzakelijk was in het belang van haar verzorging en opvoeding. Ook de tweede machtiging tot uithuisplaatsing van 2 juni 2026 was in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing beide keren op terechte gronden verleend.
5.12
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.368.609/01
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
in de zaak met zaaknummer 200.368.609/02
verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking;
in de zaak met zaaknummer 200.370.759/01
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. A.R. Sturhoofd en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 4 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.