Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2071

2026-07-16 Strafrecht 23-002780-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-07-28
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
23-002780-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Beperkt appel. Bevestiging vonnis behalve t.a.v. de straf en de beslissingen op de vorderingen bp. Bewezenverklaring medeplegen teweegbrengen ontploffing. Drie medeverdachten hebben een vuurwerkbom gemaakt. Vervolgens is er een baksteen door het raam van de woning van de slachtoffers gegooid, waarna de vuurwerkbom is afgestoken en richting diezelfde woning is gegooid. Deze is voor de woning afgegaan. De slachtoffers waren op dat moment thuis. De verdachte is de opdrachtgever geweest. Vorderingen bp zijn geheel toegewezen. Strafbepaling conform artikel 423, vierde lid, Sv: oplegging JD 400 dagen wv 126 dagen voorwaardelijk + bijz. vw + DUT en een werkstraf van 100 uren. Voor deze zaak is een jeugddetentie voor de duur van 30 dagen opgelegd. TUL afgewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.162 tekens)
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002780-25
datum uitspraak: 16 juli 2026


TEGENSPRAAK


Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 november 2025 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-176595-24 (hierna: zaak A) en 13-065920-24 (hierna: zaak B) en 15-318697-23 (hierna: zaak C) en 15-332665-23 (zaak D), alsmede 15-055208-23 (TUL A), 15-029527-22 (TUL B) tegen




[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 2007,
adres: [adres] .


Onderzoek van de zaak


Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.



Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.



Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.





Omvang van het hoger beroep


De rechtbank heeft de verdachte bij voormeld vonnis vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak D onder 8 is tenlastegelegd en hem veroordeeld voor hetgeen in zaak A onder 1 primair, 2 primair en 3 primair, in zaak B onder 4, 5 en 6, in zaak C onder 7 en in zaak D onder 9 en 10 aan hem is tenlastegelegd. Namens de verdachte is beperkt hoger beroep tegen voormeld vonnis ingesteld, te weten tegen de veroordeling van het in zaak A onder feit 3 primair tenlastegelegde.



Het hoger beroep is dus slechts gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het in zaak A onder feit 3 tenlastegelegde. Nu Tul A en Tul B zijn verbonden met deze zaak zal het hof ook daarop een beslissing nemen.



De met betrekking tot zaak A onder 3 ingediende vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zijn in eerste aanleg gedeeltelijk toegewezen en de benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.



Het voorgaande betekent dat het in zaak A onder 1 primair en 2 primair, in zaak B onder 4, 5 en 6, in zaak C onder 7 en in zaak D onder 9 en 10 bewezenverklaarde niet in appel voorligt en het hof geen oordeel toekomt met betrekking tot de beslissingen ten aanzien van die feiten. Wel zal het hof in geval van vernietiging ten aanzien van de straf toepassing dienen te geven aan artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).





Vonnis waarvan beroep


Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:




in de bewijsmotivering van de rechtbank op pagina 8 van het vonnis (onder het kopje ‘Ten aanzien van feit 3 primair’) na de zin “De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat dit zijn account is” de navolgende zin toevoegt: “De verdachte heeft toen ook verklaard dat diegene met wie hij het account zou delen zich niet met dit soort dingen (het hof begrijpt: ontploffingen/aanslagen) bezighoudt.”;


de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen aanvult zoals hierna weergegeven.






Aanvulling bewijsmiddel


Het hof vult het door de rechtbank op p. 33 van het vonnis vermelde bewijsmiddel, inhoudende de verklaring die de verdachte op de terechtzitting d.d. 22 januari 2025 heeft afgelegd aan met de volgende zinnen: Ik deelde het account met iemand anders. Dat is iemand die zich niet met dit soort dingen (het hof begrijpt: ontploffingen/aanslagen) bezighoudt.





Strafbepaling conform artikel 423, vierde lid, Sv


De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 primair, 2 primair en 3 primair, in zaak B onder 4, 5 en 6, in zaak C onder 7 en in zaak D onder 9 en 10 bewezenverklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 431 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de rechtbank bijzondere voorwaarden verbonden en deze dadelijk uitvoerbaar verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie opgelegd.



De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de straf ten aanzien van het in zaak A onder 1 primair en 2 primair, in zaak B onder 4, 5 en 6, in zaak C onder 7 en in zaak D onder 9 en 10 tenlastegelegde zal bepalen op een jeugddetentie voor de duur van 400 dagen, waarvan 126 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Zij heeft eveneens de door rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan gevorderd, waarbij de bijzondere voorwaarden met betrekking tot de avondklok en het meewerken aan begeleiding vanuit IFA komen te vervallen. Tot slot heeft de advocaat-generaal een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie gevorderd.



De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de strafoplegging voor het in zaak A onder 1 primair en 2 primair, in zaak B onder 4, 5 en 6, in zaak C onder 7 en in zaak D onder 9 en 10 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.



Nu het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 Sv eerst de straf bepalen ten aanzien van de in zaak A onder 1 primair en 2 primair, in zaak B onder 4, 5 en 6, in zaak C onder 7 en in zaak D onder 9 en 10 bewezenverklaarde misdrijven. Dat houdt in dat het hof moet beslissen welk gedeelte van de straf geacht moet worden door de rechtbank te zijn opgelegd ter zake van deze feiten, die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen.



Het hof zal de straf voor deze feiten bepalen op een jeugddetentie voor de duur van 400 dagen, waarvan 126 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Het hof zal aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden, zoals die door de Raad en de Jeugdreclassering ter terechtzitting in hoger beroep zijn geadviseerd en door de advocaat-generaal zijn gevorderd, en beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan, nu nog steeds aan het wettelijk criterium daarvoor is voldaan, mede gelet op het gegeven dat de verdachte recentelijk opnieuw met justitie in aanraking is gekomen. Dit betekent dat er twee bijzondere voorwaarden zullen vervallen (begeleiding door een IFA-coach en de avondklok). Tot slot bepaalt het hof dat een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie door de rechtbank voor deze feiten wordt geacht te zijn opgelegd.





Oplegging van straf in zaak A onder 3 primair


De advocaat-generaal heeft terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 3 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, met aftrek van het voorarrest.



De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep in geval van een bewezenverklaring van het in zaak A onder 3 primair tenlastegelegde geen standpunt ingenomen over de eventueel op te leggen straf.



Ten aanzien van het tenlastegelegde in zaak A onder 3 primair heeft het hof in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.



De verdachte heeft zich samen met anderen op 13 februari 2024 schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning in Medemblik. Er is een baksteen door de ruit van de woonkamer gegooid. De baksteen kwam vlak naast het slachtoffer [benadeelde partij 2] terecht, die op dat moment op de bank en voor het raam, lag. Direct daarna vond een explosie plaats. De explosie is erg bedreigend en beangstigend geweest voor de bewoners van de woning en heeft bij hen tot veel gevoelens van angst en onveiligheid geleid. Dit blijkt mede uit de ter terechtzitting van 22 januari 2025 voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring, waaruit onder meer naar voren komt dat het slachtoffer, mevrouw [benadeelde partij 2] , en haar kinderen na dit incident een tijd lang afzonderlijk van elkaar ondergedoken hebben gezeten uit angst voor nog een aanslag. Een woning is bij uitstek de plek waar iedereen zich veilig moet kunnen voelen. Een ontploffing zorgt ook voor omwonenden en in algemene zin binnen de samenleving voor onrust en gevoelens van angst en onveiligheid, zeker in de huidige tijd waarin veel ontploffingen in of bij woningen plaatsvinden. De verdachte heeft bijgedragen aan de zeer intimiderende vorm van geweld. Sterker nog, zonder zijn opdracht was het niet gebeurd. De verdachte mag van geluk spreken dat de vuurwerkbom niet in de woning, maar in de voortuin is ontploft en dat er geen grote brand is ontstaan. De gevolgen hadden anders hadden nog veel ernstiger kunnen zijn. De verdachte heeft zich geen rekenschap gegeven van de zeer gevaarlijke gevolgen van zijn handelen.



Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf ook kennisgenomen van het rapport van de Raad van 22 juni 2026, de tussentijdse evaluaties van de Jeugdreclassering van respectievelijk 20 mei 2026 en 12 juni 2026 en hetgeen door de Raad en de Jeugdreclassering ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht. Ook heeft het hof rekening gehouden met wat er door de raadsman en de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht.



Alles afwegende acht het hof een jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.





Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.





Vordering tenuitvoerlegging (TUL A)


Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 september 2023 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 30 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.



Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.
Het hof zal in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een werkstraf van hierna te melden duur gelasten.





Vordering tenuitvoerlegging (TUL B)


Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 december 2022 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen jeugddetentie. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.



Het hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, nu de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde werkstraf reeds onherroepelijk is bevolen bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 september 2023.





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]


De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.253,78, bestaande uit € 753,78 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.634,78, bestaande uit € 634,78 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.



De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding volledig moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, met een hoofdelijke veroordeling en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.



De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht de vordering gelet op de bepleite vrijspraak niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair verzocht de vordering tot immateriële schadevergoeding te matigen.



Het hof overweegt als volgt.




Materiële schade




De gestelde materiële schade bestaat uit:




Picknick tafel: € 50,00;


Vitrage: € 50,00;


Verlies van arbeidsinkomsten: € 487,38;


Kosten beveiligingscamera: € 119,00;


Reiskosten: € 47,40.


Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 3 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden als onder 1 tot en met 5 genoemd. Daarbij is betrokken dat de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van de benadeelde partij door de verdediging niet (voldoende) gemotiveerd zijn betwist. Nu dit deel van de vordering het hof voorts niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, ook voor zover het de kosten van de beveiligingscamera betreft die door de rechtbank nog waren afgewezen, ligt het voor toewijzing gereed.



Immateriële schade




Voorts is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderbouwing van de vordering gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 3 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Immers hebben de verdachte en zijn mededaders een ontploffing bij de woning van de benadeelde partij veroorzaakt. De benadeelde partij was thuis op het moment van het bewezenverklaarde handelen. De psychische impact volgt ook uit de toelichting bij de vordering van de benadeelde partij. Hieruit blijkt dat zij en haar gezin in de eerste periode na het misdrijf niet in de woning konden blijven en dat zij bij terugkomst in de woning last bleef houden van angst en een onveilig gevoel. Zij ervaarde veel stress, sliep nauwelijks en kon daardoor tijdelijk niet werken. Hiermee is de aard en ernst van de normschending in samenhang met de specifieke gevolgen daarvan dermate ernstig en ingrijpend dat geleden immateriële schade vanwege een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek kan worden verondersteld. De eigen woning is immers bij uitstek een plek waar iemand zich veilig moet voelen; logischerwijs wordt iemand diep geraakt als dat vanzelfsprekende gevoel van veiligheid met het veroorzaken van een ontploffing geweld wordt aangedaan.



Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal (RS) tot uitgangspunt. In hoofdstuk 19 ‘Persoonsaantastingen bij bedreigende situaties’ wordt onder paragraaf 19.3 sub b “Een ontploffing in of vlakbij de woning van de benadeelde, waar de benadeelde op dat moment aanwezig was (…)” een bedrag tussen de € 1.000,00 tot € 5.000,00 genoemd. Alles afwegend, stelt het hof de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op de gevorderde € 3.500,00.



Resumerend is de verdachte – hoofdelijk met zijn mededaders – tot in totaal € 4.253,78 tot vergoeding van schade gehouden. De toe te wijzen bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]


De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.500,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.



De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding volledig moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de hoofdelijkheid en de schadevergoedingsmaatregel.



De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht de vordering gelet op de bepleite vrijspraak niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair verzocht de vordering tot immateriële schadevergoeding te matigen.



Het hof overweegt als volgt.



Uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderbouwing van de vordering is het hof gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 3 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Immers hebben de verdachte en zijn mededaders een ontploffing bij de woning van de benadeelde partij veroorzaakt. De benadeelde partij was thuis op het moment van het bewezenverklaarde handelen. De psychische impact volgt ook uit de toelichting bij de vordering van de benadeelde partij. Hieruit blijkt dat hij en zijn moeder en zus in de eerste periode na het misdrijf niet in de woning konden blijven en dat hij kampte met constante gevoelens van angst, onveiligheid en alertheid. Hij durfde de straat niet op, is gestopt met zijn bijbaan en met voetbal en is niet meer begonnen aan de opleiding waarvoor hij ingeschreven stond. Hiermee is de aard en ernst van de normschending in samenhang met de specifieke gevolgen daarvan dermate ernstig en ingrijpend dat geleden immateriële schade vanwege een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek kan worden verondersteld. De eigen woning is immers bij uitstek een plek waar iemand zich veilig moet voelen; logischerwijs wordt iemand diep geraakt als dat vanzelfsprekende gevoel van veiligheid met het veroorzaken van een ontploffing geweld wordt aangedaan.



Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal (RS) tot uitgangspunt. In hoofdstuk 19 ‘Persoonsaantastingen bij bedreigende situaties’ wordt onder paragraaf 19.3 sub b “Een ontploffing in of vlakbij de woning van de benadeelde, waar de benadeelde op dat moment aanwezig was (…)” een bedrag tussen de € 1.000,00 tot € 5.000,00 genoemd. Alles afwegend, stelt het hof de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op de gevorderde € 3.500,00.



Resumerend is de verdachte – hoofdelijk met zijn mededaders – tot in totaal € 3.500,00 tot vergoeding van schade gehouden. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.





BESLISSING


Het hof:



Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] en doet in zoverre opnieuw recht.



Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het in zaak A onder 1 primair en 2 primair, in zaak B onder 1, 2 en 3, in zaak C onder 1 en in zaak D onder 2 en 3 bewezenverklaarde op:



Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen jeugddetentie.



Een jeugddetentie voor de duur van 400 (vierhonderd) dagen.



Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 126 (honderdzesentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.




Stelt als bijzondere voorwaarden dat:



- de verdachte op geen enkele wijze contact zal opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachten:


[medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 2] 1987,

[medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 3] 2006,

[medeverdachte 3] , geboren op [geboortedag 4] 2008,

[medeverdachte 4] , geboren op [geboortedag 5] 2008,

[medeverdachte 5] , geboren op [geboortedag 6] 1999,

[medeverdachte 6] , geboren op [geboortedag 7] 2001,

[medeverdachte 7] , geboren op [geboortedag 8] 2005,

[medeverdachte 8] , geboren op [geboortedag 9] 2008,

[medeverdachte 9] , geboren op [geboortedag 10] 2010,

[medeverdachte 10] , geboren op [geboortedag 11] 2010;


- de verdachte op geen enkele wijze contact zal opnemen, zoeken of hebben met de slachtoffers:


[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 12] 2010,

[slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 13] 2007,

[slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 14] 2007,

[benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedag 15] 2006,

[benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedag 16] 1976;


- de verdachte verblijft in een instelling voor begeleid wonen zoals Multiplus Zorg of een soortgelijke instelling;

- de verdachte onderwijs volgt of deelneemt aan dagbesteding zoals wordt aangewezen door de jeugdreclassering;


Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.



Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:


- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;


Geeft opdracht dat de Jeugdbescherming Regio Amsterdam toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.



Veroordeelt de verdachte voor het in zaak A onder 3 primair bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van 30 (dertig) dagen.



Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in zaak A onder 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.253,78 (vierduizend tweehonderddrieënvijftig euro en achtenzeventig cent) bestaande uit € 753,78 (zevenhonderddrieënvijftig euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het in zaak A onder 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.253,78 (vierduizend tweehonderddrieënvijftig euro en achtenzeventig cent) bestaande uit € 753,78 (zevenhonderddrieënvijftig euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 13 februari 2024.





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in zaak A onder 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het in zaak A onder 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 13 februari 2024.



Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 september 2023 met parketnummer 15-055208-23 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.



Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket OVJ Noord-Holland van 25 juli 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 december 2022 met parketnummer 15-029527-22, voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 30 dagen subsidiair 15 dagen jeugddetentie.



Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.



Beveelt de opheffing van het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.














Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. R.A.E. van Noort en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2026.



De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.