Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:1925

2026-06-23 Civiel recht 200.363.784/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-23
Publicatiedatum
2026-07-15
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.363.784/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv, althans zekerheidstelling ex artikel 235 Rv; vonnis is al ten uitvoer gelegd; afwijzing.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.400 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM


afdeling civiel recht en belastingrecht, team I



zaaknummer : 200.363.784/01



zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/753538 / HA ZA 24-732




arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2026




inzake



de vennootschap onder firma [bedrijf],
gevestigd te [plaats] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. R. Bosman te Rotterdam,



tegen





1 [geïntimeerde 1] ,

2. [geïntimeerde 2],
beiden wonend te [plaats] ,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. M.E.G. Murris te Utrecht.






1Het geding in hoger beroep


Partijen worden hierna [bedrijf] en [geïntimeerden] genoemd.




[bedrijf] is bij dagvaarding van 12 januari 2026 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 30 april 2025 en 24 december 2025 die onder bovenstaand zaak- en rolnummer zijn gewezen tussen (onder andere) [geïntimeerden] als eisers en [bedrijf] als gedaagde.



De appeldagvaarding, met producties, bevat een incidentele vordering primair ex artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), subsidiair ex artikel 235 Rv.

[bedrijf] heeft incidenteel gevorderd dat het hof primair de uitvoerbaarheid bij voorraad van – zo begrijpt het hof – het bestreden vonnis van 24 december 2025 (hierna: het eindvonnis) zal schorsen, subsidiair aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde zal verbinden dat [geïntimeerden] zekerheid stellen door een bedrag gelijk aan (een deel van) het bedrag dat zij door de tenuitvoerlegging van het eindvonnis verkrijgen in een nader te specificeren depot te storten, althans op een wijze die het hof juist acht, telkens totdat in hoger beroep eindarrest is gewezen en dat arrest is betekend, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van dit incident, met nakosten en rente, uitvoerbaar bij voorraad.



Op de eerstdienende dag heeft [bedrijf] overeenkomstig voormeld exploot geconcludeerd en producties in het geding gebracht.

[geïntimeerden] hebben daarop een conclusie van antwoord in het incident genomen en daarbij geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [bedrijf] , althans afwijzing van haar incidentele vordering, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerden] in de (daadwerkelijke) kosten van het incident, althans een bedrag aan kosten dat het hof juist acht, met nakosten en rente.




[bedrijf] heeft nog een antwoordakte genomen.



Ten slotte is arrest in het incident gevraagd.






2Beoordeling



in het incident




2.1.
Bij het eindvonnis heeft de rechtbank [bedrijf] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerden] van € 123.586,01 aan schadevergoeding, € 2.010,86 aan buitengerechtelijke kosten en € 8.591,- aan proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met € 92,- bij niet tijdige betaling en betekening van het vonnis. [bedrijf] is verder veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad is niet gemotiveerd.



2.2.

Kort gezegd stelt [bedrijf] ter onderbouwing van haar incidentele vordering dat de bestreden vonnissen berusten op feitelijke of juridische misslagen. Niet alleen heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat sprake zou zijn van resultaatsverplichtingen van [bedrijf] en dat er een causaal verband bestaat tussen de vastgestelde beroepsfout en de door [geïntimeerden] gestelde schade, ook is de rechtbank ongemotiveerd voorbij gegaan aan haar verweer tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het eindvonnis en verzoek tot zekerheidstelling. [bedrijf] acht het dan ook hoogst aannemelijk dat de bestreden vonnissen in hoger beroep zullen worden vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog zullen worden afgewezen. Verder stelt [bedrijf] dat zij een groot restitutierisico loopt, omdat [geïntimeerden] direct tot (gedeeltelijke) aflossing van de overbruggingshypotheek zullen overgaan en niet over (voldoende) eigen middelen beschikken en liquiditeitsproblemen hebben. Daarmee hangt samen dat uitbetaling door haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar invloed zal hebben op de verzekeringspremie van haar en medeverzekerden, met alle gevolgen van dien.
Dit alles maakt volgens [bedrijf] dat haar belang bij behoud van de bestaande toestand, althans tenuitvoerlegging onder de voorwaarde van zekerheidstelling, totdat op het hoger beroep is beslist zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerden] bij onmiddellijke en onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging van het eindvonnis.




2.3.

[geïntimeerden] hebben verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan. Zij hebben onder meer aangevoerd dat door de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [bedrijf] reeds een bedrag van € 134.353,30 aan hen is betaald en dat het eindvonnis daarmee ten uitvoer is gelegd.



2.4.

Aangezien in het eindvonnis ongemotiveerd over de uitvoerbaarheid bij voorraad is beslist, stelt het hof bij de beoordeling van de incidentele vordering het volgende voorop
(vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.




2.5.

[bedrijf] heeft niet betwist dat met de betaling door haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar aan [geïntimeerden] de veroordelingen in het eindvonnis zijn nagekomen. Dit brengt mee dat [bedrijf] geen rechtens te respecteren belang heeft bij haar vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het eindvonnis. Schorsing van de tenuitvoerlegging dient immers tot behoud van de ten tijde van het wijzen van het bestreden vonnis bestaande toestand en door de betaling is dat niet meer aan de orde. De door [bedrijf] aangedragen argumenten dat juist schadebeperkend is gehandeld door onverschuldigd dan wel onder protest te betalen, dat de in het kader van de belangenafweging gestelde omstandigheden onverkort gelden en dat [geïntimeerden] (pas) in juni 2026 tot afbetaling van de overbruggingshypotheek zullen dienen over te gaan, zodat bij toewijzing van de incidentele vordering daaraan (zonder gedwongen verkoop) uitvoering kan worden gegeven, kunnen, wat daarvan verder ook zij, niet tot de conclusie leiden dat de primaire incidentele vordering toewijsbaar is.



2.6.
Ten aanzien van de incidentele vordering tot zekerheidstelling oordeelt het hof als volgt. Op grond van artikel 233 Rv en 235 Rv moet de daarin geregelde zekerheidstelling worden beschouwd als een voorwaarde, verbonden aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Als een dergelijke voorwaarde aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad is verbonden, geldt dus dat eerst zekerheid moet worden gesteld voordat een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling kan worden ten uitvoer gelegd. Met dit systeem verdraagt zich niet dat aan een reeds ten uitvoer gelegd vonnis, of een vonnis waaraan reeds vrijwillig is voldaan, alsnog – op grond van artikel 235 Rv – de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Een werkelijke voorwaarde waaraan moet worden voldaan voordat het vonnis – op grond van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad – kan worden ten uitvoer gelegd, is dan immers niet meer aan de orde. Voor toewijzing van de subsidiair gevorderde zekerheidstelling is dus geen plaats. De onder 2.5 weergegeven argumenten die [bedrijf] ook in dit verband heeft aangedragen, maken dit niet anders.



2.7.
Dit betekent dat de incidentele vordering van [bedrijf] zal worden afgewezen.



2.8.
Een oordeel over de (volledige) kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.



in de hoofdzaak





2.9.

In de hoofdzaak zal de zaak worden verwezen naar de rol voor memorie van grieven door [bedrijf] .

3. Beslissing




Het hof:




in het incident:



wijst de vordering af;



houdt de beslissing over de (volledige) proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;




in de hoofdzaak:



verwijst de zaak naar de rol van 4 augustus 2026 voor memorie van grieven door [bedrijf] ;



houdt iedere verdere beslissing aan.




Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, J.W.M. Tromp en M.C. Bosch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.