Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:1200
2026-05-01
Strafrecht
23-001641-20
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHAMS:2026:1200 → ECLI:NL:RBAMS:2020:3722 overig
Inhoudsindicatie
Evenals de rechtbank spreekt het hof de verdachte vrij. Op basis van het dossier kan niet worden gesteld dat de heroïne zich in de feitelijke machtssfeer van de verdachte heeft bevonden. Ook kan niet worden vastgesteld dat de verdachte als (mede)pleger betrokken was bij het opzettelijk bereiden, bewerken of verwerken van de heroïne. Het DNA van verdachte op een mondmasker in de woning is daarvoor onvoldoende.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2026:440 Hoge Raad 17-03-2026
- ECLI:NL:HR:2021:1945 Hoge Raad 21-12-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.036 tekens)
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001641-20
datum uitspraak: 1 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juli 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-065599-20 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1975,
zonder bekende woon- of verblijfplaats
domicilie kiezende te: [adres]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het vonnis aanvult met een nadere overweging ten aanzien van de vrijspraak.
Aanvullende overweging met betrekking tot de vrijspraak
Van ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het ‘aanwezig hebben’ hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Dit aanwezig hebben geldt als misdrijf wanneer wordt tenlastegelegd en bewezen verklaard dat sprake is van opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) op het aanwezig hebben. (Vgl. HR 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:440 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945.)
Op basis van de bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat de aangetroffen drugs in de slaapkamer zich in de feitelijke machtssfeer van de verdachte hebben bevonden. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte in de slaapkamer is geweest. Het DNA spoor van de verdachte dat is aangetroffen op een mondmasker bevond zich in de woonkamer. Het enkele feit dat de verdachte wel in de woonkamer en badkamer aanwezig is geweest is naar het oordeel van het hof onvoldoende om vast te stellen dat de drugs in zijn feitelijke macht waren. Bovendien is niet gebleken dat de verdachte beschikte over een sleutel van de woning of de verhuurder van de woning kende.
Ook kan op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat de verdachte als (mede)pleger betrokken was bij het opzettelijk bereiden, bewerken of verwerken van de aangetroffen heroïne. Het enkel aantreffen van verdachtes DNA op een mondmasker in de woning is daarvoor onvoldoende.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. W.F. Groos en mr. A.R.O. Mooy, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 mei 2026.
=========================================================================
[…]
parketnummer: 23-001641-20
datum uitspraak: 1 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juli 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-065599-20 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1975,
zonder bekende woon- of verblijfplaats
domicilie kiezende te: [adres]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het vonnis aanvult met een nadere overweging ten aanzien van de vrijspraak.
Aanvullende overweging met betrekking tot de vrijspraak
Van ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het ‘aanwezig hebben’ hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Dit aanwezig hebben geldt als misdrijf wanneer wordt tenlastegelegd en bewezen verklaard dat sprake is van opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) op het aanwezig hebben. (Vgl. HR 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:440 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945.)
Op basis van de bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat de aangetroffen drugs in de slaapkamer zich in de feitelijke machtssfeer van de verdachte hebben bevonden. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte in de slaapkamer is geweest. Het DNA spoor van de verdachte dat is aangetroffen op een mondmasker bevond zich in de woonkamer. Het enkele feit dat de verdachte wel in de woonkamer en badkamer aanwezig is geweest is naar het oordeel van het hof onvoldoende om vast te stellen dat de drugs in zijn feitelijke macht waren. Bovendien is niet gebleken dat de verdachte beschikte over een sleutel van de woning of de verhuurder van de woning kende.
Ook kan op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat de verdachte als (mede)pleger betrokken was bij het opzettelijk bereiden, bewerken of verwerken van de aangetroffen heroïne. Het enkel aantreffen van verdachtes DNA op een mondmasker in de woning is daarvoor onvoldoende.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. W.F. Groos en mr. A.R.O. Mooy, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 mei 2026.
=========================================================================
[…]