Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2017:4880
2017-11-24
Strafrecht
R 001233-17
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek ex art 89 Sv. Afwijzing. Appellante heeft inverzekeringstelling en de voorlopige hechtenis aan zich zelf te wijten.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2013:BX5566 Hoge Raad 19-02-2013
Geciteerd door (19)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1028 Gerechtshof Amsterdam 19-03-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3044 Gerechtshof Amsterdam 21-11-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2022:878 Gerechtshof Amsterdam 22-03-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:420 Rechtbank Midden-Nederland 18-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3849 Gerechtshof Amsterdam 07-12-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3841 Gerechtshof Amsterdam 07-12-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3393 Gerechtshof Amsterdam 09-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3402 Gerechtshof Amsterdam 09-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3399 Gerechtshof Amsterdam 09-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3392 Gerechtshof Amsterdam 09-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2442 Gerechtshof Amsterdam 10-08-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2443 Gerechtshof Amsterdam 10-08-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2234 Gerechtshof Amsterdam 20-07-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2153 Gerechtshof Amsterdam 29-06-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2435 Gerechtshof Amsterdam 08-06-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:994 Gerechtshof Amsterdam 23-03-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1064 Gerechtshof Amsterdam 10-03-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1068 Gerechtshof Amsterdam 10-03-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1070 Gerechtshof Amsterdam 10-03-2021
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.617 tekens)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Rekestnummer: R 001233-17 (89 Sv HB)
Parketnummer in eerste aanleg: 15/800392-16
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 21 juli 2017 op het verzoekschrift op de voet van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[appellante],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,
mr. M.H.H. Meulmeesters, [adres].
1Inhoud van het verzoek
Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ten laste van de Staat, tot een bedrag van € 1.010,00, ter zake van schade die verzoekster stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer.
2Procesverloop
Het verzoekschrift is op 2 november 2016 ingediend. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen.
Het hoger beroep is op 26 juli 2017 ingesteld door verzoekster (hierna: appellante).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 10 november 2017 de advocaat-generaal en de advocaat van appellante ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellante is niet verschenen.
3Beoordeling van het hoger beroep
Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
Het verzoek is tijdig ingediend.
De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Het vonnis in die strafzaak is inmiddels onherroepelijk geworden.
De rechtbank heeft ten aanzien van de afwijzing van het verzoek overwogen dat appellante een bekennende verklaring heeft afgelegd en slechts is vrijgesproken omdat een verkeerde pleegplaats in de tenlastelegging stond vermeld. Aldus heeft de rechtbank aan de afwijzing kennelijk ten grondslag gelegd dat appellante ondanks de gegeven vrijspraak schuldig is aan het strafbare feit, hetgeen in strijd is met de rechtspraak van het EHRM. Het hof kan zich met de redengeving van de rechtbank niet verenigen -en zal daarom de beschikking vernietigen- en overweegt het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 90, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
In zijn arrest HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566 heeft de Hoge Raad erop gewezen dat bij het billijkheidsoordeel van de rechter omtrent het toekennen van een tegemoetkoming en bij het bepalen van de hoogte daarvan een belangrijke rol kan spelen in hoeverre de verdachte de voorlopige hechtenis ‘aan zijne eigen houding te wijten heeft’. Daarmee citeerde de Hoge Raad uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 90 Sv. Voorts is in dit arrest van de Hoge Raad onder meer de volgende passage weergegeven uit de Memorie van Toelichting bij de wet van 26 juni 1975, Stb. 1975, 341 (waarbij in artikel 89 Sv de term tegemoetkoming is vervangen door schadevergoeding):
‘De beoordeling van de vraag of er grond is voor een vergoeding vindt hier immers niet haar antwoord in de onrechtmatigheid van de overheidsmaatregel, maar in het billijkheidsoordeel, nl. de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking niet voor rekening van de gewezen verdachte worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen. (...).’
(Kamerstukken II, 1972, 12 132, nr. 3, p. 3)
Het hof overweegt voorts dat de onschuldpresumptie niet verbiedt, bij de inhoudelijke beoordeling van de vraag of er gronden van billijkheid aanwezig zijn om de gevraagde schadevergoeding geheel dan wel gedeeltelijk toe te wijzen, rekening te houden met de destijds bestaande verdenkingen en met de opstelling van de verzoeker gedurende de preventieve hechtenis. De onschuldpresumptie stelt wel de grenzen waarbinnen deze beoordeling kan plaatsvinden. Voorbeelden daarvan worden gegeven in het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Ashendon en Jones tegen het Verenigd Koninkrijk (15 december 2011, NJ 2013/35), zij het dat dit daar “in the context of defendants’ costs orders” gebeurt. Het hof gaat er echter van uit dat één en ander ook richtinggevend is voor een vergoeding als hier verzocht.
Samengevat komt het erop neer dat de verzoeken tot schadevergoeding niet kunnen worden geweigerd op gronden die ‘were based on any continuing suspicion that the applicant was guilty’ of in het geval dat ‘the applicant had been penalised for exercising his right to silence’. Wél kan weigering bijvoorbeeld toegelaten zijn in het geval dat ‘it was inevitable that a defendant who declined to produce any evidence until trial would incur costs until trial, and that those costs would then have to be borne by the defendant’ of als ‘the applicant had brought suspicion on himself and misled the prosecution into thinking the case against him was stronger than it was’ of in de situatie dat als ‘the applicant (had) explained her position before trial, the prosecution would in all likelihood have been dropped and there would have been no question of a defendant’s cost order’.
Het hof dient derhalve de vraag te beantwoorden of het, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, billijk is dat de nadelige gevolgen van de in verzekering stelling en de voorlopige hechtenis – uitgaande van de indertijd gerechtvaardigde verdenking – niet voor rekening van verzoeker worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen.
Het hof is van oordeel dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan appellante een vergoeding toe te kennen. Zij is aangehouden in verband met een verdenking van poging tot diefstal, waarna zij bij de politie een bekennende verklaring heeft afgelegd.
Onder de genoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat appellante de inverzekeringstelling en de voorlopige hechtenis aan zich zelf te wijten heeft en zijn er, hoewel de strafzaak zonder oplegging van straf of maatregel is geëindigd, geen gronden van billijkheid als bedoeld in artikel 90 Sv aanwezig om vergoeding toe te kennen voor de schade die de appellante stelt te hebben geleden. Derhalve zal het hof de verzochte vergoeding afwijzen.
4Beslissing
Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep.
Wijst het verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, M.L.M. van der Voet en C.M. Degenaar, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 24 november 2017.
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Rekestnummer: R 001233-17 (89 Sv HB)
Parketnummer in eerste aanleg: 15/800392-16
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 21 juli 2017 op het verzoekschrift op de voet van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[appellante],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,
mr. M.H.H. Meulmeesters, [adres].
1Inhoud van het verzoek
Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ten laste van de Staat, tot een bedrag van € 1.010,00, ter zake van schade die verzoekster stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer.
2Procesverloop
Het verzoekschrift is op 2 november 2016 ingediend. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen.
Het hoger beroep is op 26 juli 2017 ingesteld door verzoekster (hierna: appellante).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 10 november 2017 de advocaat-generaal en de advocaat van appellante ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellante is niet verschenen.
3Beoordeling van het hoger beroep
Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
Het verzoek is tijdig ingediend.
De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Het vonnis in die strafzaak is inmiddels onherroepelijk geworden.
De rechtbank heeft ten aanzien van de afwijzing van het verzoek overwogen dat appellante een bekennende verklaring heeft afgelegd en slechts is vrijgesproken omdat een verkeerde pleegplaats in de tenlastelegging stond vermeld. Aldus heeft de rechtbank aan de afwijzing kennelijk ten grondslag gelegd dat appellante ondanks de gegeven vrijspraak schuldig is aan het strafbare feit, hetgeen in strijd is met de rechtspraak van het EHRM. Het hof kan zich met de redengeving van de rechtbank niet verenigen -en zal daarom de beschikking vernietigen- en overweegt het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 90, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
In zijn arrest HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566 heeft de Hoge Raad erop gewezen dat bij het billijkheidsoordeel van de rechter omtrent het toekennen van een tegemoetkoming en bij het bepalen van de hoogte daarvan een belangrijke rol kan spelen in hoeverre de verdachte de voorlopige hechtenis ‘aan zijne eigen houding te wijten heeft’. Daarmee citeerde de Hoge Raad uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 90 Sv. Voorts is in dit arrest van de Hoge Raad onder meer de volgende passage weergegeven uit de Memorie van Toelichting bij de wet van 26 juni 1975, Stb. 1975, 341 (waarbij in artikel 89 Sv de term tegemoetkoming is vervangen door schadevergoeding):
‘De beoordeling van de vraag of er grond is voor een vergoeding vindt hier immers niet haar antwoord in de onrechtmatigheid van de overheidsmaatregel, maar in het billijkheidsoordeel, nl. de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking niet voor rekening van de gewezen verdachte worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen. (...).’
(Kamerstukken II, 1972, 12 132, nr. 3, p. 3)
Het hof overweegt voorts dat de onschuldpresumptie niet verbiedt, bij de inhoudelijke beoordeling van de vraag of er gronden van billijkheid aanwezig zijn om de gevraagde schadevergoeding geheel dan wel gedeeltelijk toe te wijzen, rekening te houden met de destijds bestaande verdenkingen en met de opstelling van de verzoeker gedurende de preventieve hechtenis. De onschuldpresumptie stelt wel de grenzen waarbinnen deze beoordeling kan plaatsvinden. Voorbeelden daarvan worden gegeven in het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Ashendon en Jones tegen het Verenigd Koninkrijk (15 december 2011, NJ 2013/35), zij het dat dit daar “in the context of defendants’ costs orders” gebeurt. Het hof gaat er echter van uit dat één en ander ook richtinggevend is voor een vergoeding als hier verzocht.
Samengevat komt het erop neer dat de verzoeken tot schadevergoeding niet kunnen worden geweigerd op gronden die ‘were based on any continuing suspicion that the applicant was guilty’ of in het geval dat ‘the applicant had been penalised for exercising his right to silence’. Wél kan weigering bijvoorbeeld toegelaten zijn in het geval dat ‘it was inevitable that a defendant who declined to produce any evidence until trial would incur costs until trial, and that those costs would then have to be borne by the defendant’ of als ‘the applicant had brought suspicion on himself and misled the prosecution into thinking the case against him was stronger than it was’ of in de situatie dat als ‘the applicant (had) explained her position before trial, the prosecution would in all likelihood have been dropped and there would have been no question of a defendant’s cost order’.
Het hof dient derhalve de vraag te beantwoorden of het, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, billijk is dat de nadelige gevolgen van de in verzekering stelling en de voorlopige hechtenis – uitgaande van de indertijd gerechtvaardigde verdenking – niet voor rekening van verzoeker worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen.
Het hof is van oordeel dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan appellante een vergoeding toe te kennen. Zij is aangehouden in verband met een verdenking van poging tot diefstal, waarna zij bij de politie een bekennende verklaring heeft afgelegd.
Onder de genoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat appellante de inverzekeringstelling en de voorlopige hechtenis aan zich zelf te wijten heeft en zijn er, hoewel de strafzaak zonder oplegging van straf of maatregel is geëindigd, geen gronden van billijkheid als bedoeld in artikel 90 Sv aanwezig om vergoeding toe te kennen voor de schade die de appellante stelt te hebben geleden. Derhalve zal het hof de verzochte vergoeding afwijzen.
4Beslissing
Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep.
Wijst het verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, M.L.M. van der Voet en C.M. Degenaar, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 24 november 2017.