Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:1996:AB8629
1996-01-04
Civiel recht
307/94
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
gezondheidsrecht
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:PHR:2017:658 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:871 Parket bij de Hoge Raad 02-09-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (7.585 tekens)
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
Arrest van 4 januari 1996 in de zaak onder rolnummer 307/94 van:
[appellante] ,
optredende als moeder-voogdes van [naam 1] , wonende te [plaats 1] ,
APPELLANTE,
procureur: mr J.M. Beer,
t e g e n
1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [plaats 2] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [plaats 3] ,
3. de stichting EMMA KINDERZIEKENHUIS, gevestigd te Amsterdam,
procureur: mr M.P.H. Sanders.
1Het procesverloop in hoger beroep
1.1.
Bij dagvaarding van 3 maart 1994 is appellante, [appellante] , in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de arrondissements-rechtbank te Amsterdam onder rolnummer H 90.2916 tussen par-tijen heeft gewezen en dat is uitgesproken op 15 december 1993.
1.2.
Bij memorie heeft [appellante] vijf grieven tegen dit vonnis aange-voerd en geconcludeerd, dat het hof dat vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering van [appellante] zal toewijzen, met veroorde-ling van geïntimeerden in de kosten in beide instanties.
1.3.
Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden, [geïntimeerden] , de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep.
1.4.
Ten slotte hebben partijen de stukken van het geding in beide instanties aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.
2De grieven
Voor de inhoud der grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.
3De feiten
Onder 1.1 tot en met 1.7 heeft de rechtbank een aantal feiten als vaststaand tussen partijen aangenomen. Met uitzondering van grief I is geen der grieven hiertegen gericht, zodat ook het hof - onder voorbehoud van behandeling van die grief - van die feiten uitgaat.
4Beoordeling van het hoger beroep
4.1.
In grief I maakt [appellante] bezwaar tegen de vaststelling door de rechtbank van het feit dat door [geïntimeerde 1] aan [appellante] op 2 juni 1986 op of omstreeks 15.00 uur de instructie was gegeven zich tussentijds te melden als het niet goed ging.
Deze grief is gegrond. Het staat niet vast dat [geïntimeerde 1] deze instructie heeft gegeven.
Bij de beantwoording van vraag 4a hebben de deskundigen even-wel gezegd, dat zij de kans buitengewoon groot achten, dat ook bij een vroegere diagnosestelling restverschijnselen zouden
zijn overgebleven en dat, er van uitgaande dat de hersenbloe-ding reeds begonnen was voordat de eerste verwijzing naar het ziekenhuis had plaatsgevonden, de kans zeer groot is dat er toen al cerebrale schade was.
Het hof gaat er dan ook van uit dat die vijf uren tussen het bezoek om 15.00 uur en het moment dat [appellante] om 20.00 uur diezelfde avond wederom in het ziekenhuis kwam geen extra schade van betekenis hebben teweeggebracht.
De belangrijkste maatregel die genomen kon worden was - aldus de deskundigen - het toedienen van vitamine Ken dit is om
15.00
uur gebeurd. Andere maatregelen - behalve de noodzaak van opname, die door [geïntimeerden] wordt erkend - die vóór of om 20.00 uur genomen hadden moeten worden, noemen de deskundi-gen niet, ook niet de noodzaak tot het geven van scherp om-schreven instructies om 15.00 uur.
Deze grief - hoewel gegrond tiging van het vonnis.
leidt derhalve niet tot vernie-
4.2.
Grief II richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat aan [geïntimeerde 1] niet te verwijten valt dat hij op 2 juni 1986 om
15.00
uur geen therapeutische behandeling heeft toegepast, te weten vitamine K intraveneus en 4-stollingenconcentraat, in plaats van profylactisch 1 mg vitamine K intramusculair toe te dienen.
Anders dan [appellante] stelt valt uit de beantwoording van vraag 3b door de deskundigen niet af te leiden dat zij van oordeel zijn dat [geïntimeerde 1] om 15.00 uur tot deze agressieve aanpak had moeten besluiten. De deskundigen zeggen dat de door de huis-arts waargenomen symptomen die middag reeds wezen op de moge-lijkheid van een intracraniele complicatie. Uit de samenhang van de beantwoording van de verschillende vragen door de deskundigen blijkt, dat daarom nu juist vitamine K moest worden toegediend, zoals ook is gebeurd.
De rechtbank heeft voorts terecht geconcludeerd dat uit het artikel van onder meer de kinderarts [naam 2] in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 15 maart 1986 niet kan worden afgeleid dat - onder kinderartsen, neurologen en
neurochirurgen - zodanige eenstemmigheid over deze agressieve aanpak bestond dat afwijking daarvan een kunstfout oplevert. Deze grief faalt derhalve.
4.3.
Grief III richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat door het (gebrek aan juist en adaequaat) optreden van [geïntimeerden] niet een kans op restloos herstel verloren is gegaan.
Ook deze grief faalt.
De kans op restloos herstel kan niet met 100% zekerheid uitge-sloten worden. De deskundigen menen evenwel - zoals hierboven reeds overwogen - dat de kans buitengewoon groot is, dat ook bij een vroegere diagnosestelling restverschijnselen zouden zijn overgebleven. Het hof neemt dit oordeel van de deskundi-gen over. Daaruit volgt, dat de kans op restloos herstel verwaarloosbaar klein moet worden geacht, zodat voor het geven van een bewijsopdracht op dit punt geen plaats is.
Op grond hiervan faalt ook grief IV.
4.4.
Grief V richt zich tegen de vaststelling door de rechtbank van het percentage van de aansprakelijkheid van [geïntimeerden] voor de door [naam 1] geleden en nog te lijden schade.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden dit percentage heeft vastgesteld op 25.
Dit - afgeronde - percentage is - alle omstandigheden in aanmerking genomen - een juiste schatting. Ook wanneer de uren op 2 juni 1986 tussen 15.00 uur en 20.00 uur mede in aanmer-king worden genomen komt het hof - gelet op de bevindingen van de deskundigen - niet tot een hoger percentage.
Ook grief V faalt.
5slotsom
Aangezien geen der grieven doel treft, zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd.
[appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden ver-oordeeld in de proceskosten in hoger beroep.
De zaak zal worden teruggewezen naar de rechtbank Amsterdam . ter verdere behandeling en afdoening.
6Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15
december 1993;
veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op f.1.750,--;
wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam ter verdere behandeling en afdoening.
Dit arrest is gewezen door mrs Cremers, Stille en Van Har-tingsveldt en in het openbaar uitgesproken op 4 januari 1996.
Arrest van 4 januari 1996 in de zaak onder rolnummer 307/94 van:
[appellante] ,
optredende als moeder-voogdes van [naam 1] , wonende te [plaats 1] ,
APPELLANTE,
procureur: mr J.M. Beer,
t e g e n
1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [plaats 2] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [plaats 3] ,
3. de stichting EMMA KINDERZIEKENHUIS, gevestigd te Amsterdam,
procureur: mr M.P.H. Sanders.
1Het procesverloop in hoger beroep
1.1.
Bij dagvaarding van 3 maart 1994 is appellante, [appellante] , in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de arrondissements-rechtbank te Amsterdam onder rolnummer H 90.2916 tussen par-tijen heeft gewezen en dat is uitgesproken op 15 december 1993.
1.2.
Bij memorie heeft [appellante] vijf grieven tegen dit vonnis aange-voerd en geconcludeerd, dat het hof dat vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering van [appellante] zal toewijzen, met veroorde-ling van geïntimeerden in de kosten in beide instanties.
1.3.
Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden, [geïntimeerden] , de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep.
1.4.
Ten slotte hebben partijen de stukken van het geding in beide instanties aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.
2De grieven
Voor de inhoud der grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.
3De feiten
Onder 1.1 tot en met 1.7 heeft de rechtbank een aantal feiten als vaststaand tussen partijen aangenomen. Met uitzondering van grief I is geen der grieven hiertegen gericht, zodat ook het hof - onder voorbehoud van behandeling van die grief - van die feiten uitgaat.
4Beoordeling van het hoger beroep
4.1.
In grief I maakt [appellante] bezwaar tegen de vaststelling door de rechtbank van het feit dat door [geïntimeerde 1] aan [appellante] op 2 juni 1986 op of omstreeks 15.00 uur de instructie was gegeven zich tussentijds te melden als het niet goed ging.
Deze grief is gegrond. Het staat niet vast dat [geïntimeerde 1] deze instructie heeft gegeven.
Bij de beantwoording van vraag 4a hebben de deskundigen even-wel gezegd, dat zij de kans buitengewoon groot achten, dat ook bij een vroegere diagnosestelling restverschijnselen zouden
zijn overgebleven en dat, er van uitgaande dat de hersenbloe-ding reeds begonnen was voordat de eerste verwijzing naar het ziekenhuis had plaatsgevonden, de kans zeer groot is dat er toen al cerebrale schade was.
Het hof gaat er dan ook van uit dat die vijf uren tussen het bezoek om 15.00 uur en het moment dat [appellante] om 20.00 uur diezelfde avond wederom in het ziekenhuis kwam geen extra schade van betekenis hebben teweeggebracht.
De belangrijkste maatregel die genomen kon worden was - aldus de deskundigen - het toedienen van vitamine Ken dit is om
15.00
uur gebeurd. Andere maatregelen - behalve de noodzaak van opname, die door [geïntimeerden] wordt erkend - die vóór of om 20.00 uur genomen hadden moeten worden, noemen de deskundi-gen niet, ook niet de noodzaak tot het geven van scherp om-schreven instructies om 15.00 uur.
Deze grief - hoewel gegrond tiging van het vonnis.
leidt derhalve niet tot vernie-
4.2.
Grief II richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat aan [geïntimeerde 1] niet te verwijten valt dat hij op 2 juni 1986 om
15.00
uur geen therapeutische behandeling heeft toegepast, te weten vitamine K intraveneus en 4-stollingenconcentraat, in plaats van profylactisch 1 mg vitamine K intramusculair toe te dienen.
Anders dan [appellante] stelt valt uit de beantwoording van vraag 3b door de deskundigen niet af te leiden dat zij van oordeel zijn dat [geïntimeerde 1] om 15.00 uur tot deze agressieve aanpak had moeten besluiten. De deskundigen zeggen dat de door de huis-arts waargenomen symptomen die middag reeds wezen op de moge-lijkheid van een intracraniele complicatie. Uit de samenhang van de beantwoording van de verschillende vragen door de deskundigen blijkt, dat daarom nu juist vitamine K moest worden toegediend, zoals ook is gebeurd.
De rechtbank heeft voorts terecht geconcludeerd dat uit het artikel van onder meer de kinderarts [naam 2] in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 15 maart 1986 niet kan worden afgeleid dat - onder kinderartsen, neurologen en
neurochirurgen - zodanige eenstemmigheid over deze agressieve aanpak bestond dat afwijking daarvan een kunstfout oplevert. Deze grief faalt derhalve.
4.3.
Grief III richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat door het (gebrek aan juist en adaequaat) optreden van [geïntimeerden] niet een kans op restloos herstel verloren is gegaan.
Ook deze grief faalt.
De kans op restloos herstel kan niet met 100% zekerheid uitge-sloten worden. De deskundigen menen evenwel - zoals hierboven reeds overwogen - dat de kans buitengewoon groot is, dat ook bij een vroegere diagnosestelling restverschijnselen zouden zijn overgebleven. Het hof neemt dit oordeel van de deskundi-gen over. Daaruit volgt, dat de kans op restloos herstel verwaarloosbaar klein moet worden geacht, zodat voor het geven van een bewijsopdracht op dit punt geen plaats is.
Op grond hiervan faalt ook grief IV.
4.4.
Grief V richt zich tegen de vaststelling door de rechtbank van het percentage van de aansprakelijkheid van [geïntimeerden] voor de door [naam 1] geleden en nog te lijden schade.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden dit percentage heeft vastgesteld op 25.
Dit - afgeronde - percentage is - alle omstandigheden in aanmerking genomen - een juiste schatting. Ook wanneer de uren op 2 juni 1986 tussen 15.00 uur en 20.00 uur mede in aanmer-king worden genomen komt het hof - gelet op de bevindingen van de deskundigen - niet tot een hoger percentage.
Ook grief V faalt.
5slotsom
Aangezien geen der grieven doel treft, zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd.
[appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden ver-oordeeld in de proceskosten in hoger beroep.
De zaak zal worden teruggewezen naar de rechtbank Amsterdam . ter verdere behandeling en afdoening.
6Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15
december 1993;
veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op f.1.750,--;
wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam ter verdere behandeling en afdoening.
Dit arrest is gewezen door mrs Cremers, Stille en Van Har-tingsveldt en in het openbaar uitgesproken op 4 januari 1996.