Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:998
Inhoudsindicatie
Niet-ontvankelijk beroep. Geen procesbelang. Bezwaar tegen uitkeringsspecificaties. Besluitkarakter. Inhouding vanwege ontvangen heffingskorting. Juiste toepassing rekenregels. Het college heeft de Rekenregels niet in strijd met de PW toegepast. Uit de Rekenregels volgt dat als er bijstand naar de gehuwdennorm wordt verstrekt, voor de berekening van de verschuldigde loonbelasting en premie volksverzekeringen de verleende bijstand fiscaal gelijkelijk wordt verdeeld over beide partners. Niet relevant daarvoor is aan wie de bijstand feitelijk is uitbetaald. Vervolgens wordt voor iedere partner afzonderlijk de af te dragen loonheffing berekend. Dat de geïndividualiseerde toepassing van belasting- en premiewetgeving volgens de Rekenregels bij toepassing van de gehuwdennorm van de PW voor de gehuwden kan leiden tot een terugvordering en verrekening op grond van de PW door de uitbetaling van de heffingskorting minstverdienende partner, maakt niet dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Appellanten krijgen namelijk uiteindelijk netto aan bijstand uitbetaald waarop ze recht hebben.
Citeert (11)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:9877 Rechtbank Noord-Holland 01-10-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2025:10158 Rechtbank Noord-Holland 18-07-2025
- ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264 Centrale Raad van Beroep 29-01-2008
- ECLI:NL:CRVB:2017:482 Centrale Raad van Beroep 31-01-2017
- ECLI:NL:CRVB:2024:635 Centrale Raad van Beroep 02-04-2024
- ECLI:NL:CRVB:2014:2313 Centrale Raad van Beroep 08-07-2014
- ECLI:NL:CRVB:2026:300 Centrale Raad van Beroep 10-03-2026
- ECLI:NL:CRVB:2025:212 Centrale Raad van Beroep 21-01-2025
- ECLI:NL:CRVB:2023:860 Centrale Raad van Beroep 09-05-2023
- ECLI:NL:CRVB:2017:4474 Centrale Raad van Beroep 19-12-2017
- ECLI:NL:CRVB:2022:1952 Centrale Raad van Beroep 27-09-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.704 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 1 oktober 2024, 24/311 (aangevallen uitspraak 1) en van 18 juli 2025, 24/6079 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk (college)
Datum uitspraak: 2 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in zaak 24/2495 PW om een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van appellanten omdat zij volgens de rechtbank geen procesbelang (meer) hebben. In zaak 25/1711 PW gaat het om een niet-ontvankelijkverklaring van drie bezwaren van appellanten omdat deze bezwaren volgens het college niet zijn gericht tegen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast gaat het in die zaak om een maandelijkse inhouding van bijstand in verband met de algemene heffingskorting minstverdienende partner 2024 en een terugvordering van bijstand in verband met de naderhand uitbetaalde algemene heffingskorting minstverdienende partner 2023. Appellanten vinden dat zij wel procesbelang hebben, dat de uitkeringsspecificaties en het emailbericht besluiten zijn waartegen bezwaar kan worden gemaakt en dat het college bij de inhouding en terugvordering de Participatiewet (PW) niet goed heeft uitgevoerd. Volgens appellanten hebben zij een individueel uitkeringsrecht en heeft het college de rekenregels over de afdracht van loonbelasting niet op de juiste wijze toegepast. Appellanten krijgen, net als bij de rechtbank, geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft [gemachtigde 1] hoger beroepen ingesteld. Het college heeft verweerschriften ingediend.
De Raad heeft in zaak 24/2495 PW in een regiebrief van 9 juli 2025 aan partijen voorgehouden hoe de Raad het geschil voorshands ziet. Partijen hebben op deze brief gereageerd. Appellanten hebben nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Bodegom en H.S. Groot.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten ontvangen sinds 30 maart 2016 bijstand op grond van de PW, in aanvulling op de uitkering van appellante op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
1.2
Op 20 mei 2023 heeft de Belastingdienst aan appellante een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen over het jaar 2022 (aanslag IB 2022) opgelegd met een te betalen bedrag van € 180,-. Op 22 juni 2023 heeft de Belastingdienst aan appellant een voorlopige aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2022 opgelegd met een te ontvangen/verrekenen bedrag van € 667,- wegens algemene heffingskorting minstverdienende partner. Laatstgenoemd bedrag heeft de Belastingdienst verrekend met een nog openstaande belastingschuld.
1.3
Appellante heeft op 31 juli 2023 bijzondere bijstand aangevraagd voor de te betalen aanslag IB 2022 van € 180,-. Met een besluit van 3 augustus 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 13 november 2023 (bestreden besluit 1) heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. De aanslag IB 2022 is weliswaar het gevolg van een administratieve fout van het college, maar door deze fout heeft appellant een hogere belastingteruggave over 2022 ontvangen. Deze teruggave is inkomen waarover appellant redelijkerwijs kan beschikken. Dat het bedrag van de teruggave over 2022 niet op de bankrekening van appellanten is bijgeschreven maar is verrekend met een belastingschuld, maakt dat niet anders. Appellanten hadden de beschikking over andere middelen en daarom is de aanvraag om bijzondere bijstand terecht afgewezen.
1.4.
In beroep heeft het college met een brief van 15 mei 2024 de rechtbank bericht dat de administratieve fout is hersteld en dat aan appellante een gecorrigeerde jaaropgaaf 2022 is verstrekt. Op 20 juni 2024 heeft de Belastingdienst de aanslag IB 2022 van appellante verminderd met € 180,-.
1.5.
Appellante heeft met een emailbericht van 16 mei 2024 de consulent Werk en Inkomen (consulent) verzocht om de (bijgevoegde) te betalen aanslag inkomstenbelasting 2023 (aanslag IB 2023) van € 152,- te vergoeden. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de consulent appellante bericht dat appellant een teruggave wegens algemene heffingskorting minstverdienende partner 2023 (teruggave 2023) heeft ontvangen, welke teruggave als inkomen bij de bijstand in aanmerking moet worden genomen. Met een emailbericht van 4 juni 2024 heeft de consulent appellante een voorstel gedaan over de terugvordering van bijstand in verband met de teruggave 2023 en de vergoeding van de aanslag IB 2023. Tegen dit emailbericht hebben appellanten bezwaar gemaakt. Ook hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen de uitkeringsspecificaties over mei 2024 en juni 2024.
1.6.
Met een besluit van 20 juni 2024 (besluit 1) heeft het college met ingang van 1 juni 2024 een bedrag van € 96,70 per maand op de bijstand ingehouden in verband met het inkomen van appellant dat hij in de vorm van de voorlopige teruggave wegens algemene heffingskorting minstverdienende partner 2024 (voorlopige teruggave 2024) zal ontvangen. Met een besluit van 27 juni 2024, vervangen met een besluit van 8 juli 2024 (besluit 2), heeft het college, wegens vermindering van de aanslag IB 2023, de bijstand van appellanten over de periode van 8 maart 2023 tot en met 31 december 2023 tot een bedrag van € 401,- van hen teruggevorderd in verband met de naderhand verkregen teruggave 2023. Tegen deze besluiten hebben appellanten bezwaar gemaakt.
1.7.
Met een besluit van 1 augustus 2024 heeft het college besluit 1 ingetrokken omdat de Belastingdienst de aanvraag van appellant om een voorlopige teruggave 2024 heeft afgewezen. De inhouding van bijstand over juni 2024 zal alsnog worden uitbetaald.
1.8.
Met een besluit van 8 augustus 2024 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren tegen het onder 1.5 vermelde emailbericht en uitkeringsspecificaties nietontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen de onder 1.6 vermelde besluiten van 20 juni 2024 en 8 juli 2024 ongegrond verklaard. Aan de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren heeft het college ten grondslag gelegd dat het emailbericht en de uitkeringsspecificaties geen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb betreffen. Aan de ongegrondverklaring van de bezwaren heeft het college ten grondslag gelegd dat de teruggave 2023 en teruggave 2024 als inkomen bij de bijstand in aanmerking moet worden genomen. Appellanten kunnen hierover redelijkerwijs beschikken. De bijstand kent voor gehuwden en daarmee gelijkgestelden één bijstandsnorm en dus geen individuele aanvulling van 50%. De fiscale benadering door toerekening van de bijstand aan ieder afzonderlijk is niet relevant.
De uitspraken van de rechtbank
2. Met aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank, met bepalingen over griffierecht en proceskosten, het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft met aangevallen uitspraak 2 het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 2 in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het beroep van appellanten tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ook beoordeelt de Raad of de rechtbank bestreden besluit 2 terecht in stand heeft gelaten. De Raad beoordeelt dit aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De regelgeving die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Aangevallen uitspraak 1
4.1.
Appellanten voeren – samengevat – aan dat zij procesbelang hebben behouden omdat tot op heden nog steeds sprake is van systeemfouten in de uitkeringsadministratie van het college. Dat het college de jaaropgave 2022 van appellante heeft gecorrigeerd zodat de aanslag IB 2022 op nihil is gesteld, betekent volgens appellanten niet dat het correct is gebeurd. Doordat de rechtbank de zaak niet inhoudelijk heeft beoordeeld, is de oorzaak van de fouten niet aangepakt. Deze fouten worden ook gemaakt in de jaren 2023 en 2024. Ondanks dat de financiële pleister is geplakt, knaagt deze zaak. Deze beroepsgrond slaagt om de navolgende reden niet.
4.1.1.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Van de bestuursrechter kan in een geval waarin de uitkomst van het beroep niet in concreto tot een voor de betrokkene gunstiger resultaat kan leiden, geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan voor mogelijke toekomstige gevallen. Ook kan geen procesbelang worden ontleend aan de omstandigheid dat het bestuursorgaan geen vergoeding heeft toegekend voor de door betrokkene gemaakte kosten in bezwaar, als het bestuursorgaan het primaire besluit heeft gehandhaafd en het beroep daartegen ongegrond is verklaard.
4.1.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellanten geen procesbelang meer hebben bij een beoordeling van bestreden besluit 1. Door de vermindering van de aanslag IB 2022 van appellante zijn de kosten van € 180,- komen te vervallen waardoor de kosten zich niet (meer) voordoen. Dit betekent dat de aanvraag om bijzondere bijstand niet meer kan worden toegewezen en belang ontbreekt. Wat appellanten onder 4.1 aanvoeren, is louter een principieel belang. Dat is gelet op 4.1.1 onvoldoende om procesbelang aan te nemen. Overigens heeft het college in de door hem gemaakte fout aanleiding gezien appellanten tegemoet te komen door geen gebruik te maken van de bevoegdheid om het onder 1.2 vermelde inkomen van appellant bestaande uit de teruggave 2022 van appellanten terug te vorderen.
Aangevallen uitspraak 2
Uitkeringsspecificaties van mei 2024, juni 2024 en het emailbericht van 4 juni 2024.
4.2.
Appellanten voeren aan dat het emailbericht van de consulent en de uitkeringsspecificaties besluiten zijn omdat daarin beslissingen worden genomen die gericht zijn tot appellanten. In het emailbericht worden ook bedragen genoemd. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.2.1.
Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dat staat in artikel 1:3, eerste lid van de Awb.
4.2.2.
De rechtbank heeft gewezen op vaste rechtspraakdat aan elke (meestal: maandelijkse) betaling van salaris of uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag ligt. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt, kan dit besluit zichtbaar worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel van bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld als er in de periodieke betaling geen wijziging optreedt.
4.2.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de betaling van bijstand over mei 2024 niet is gewijzigd ten opzichte van eerdere maanden. In de uitkeringsspecificatie van mei 2024 komen namelijk geen nieuwe elementen naar voren ten opzichte van de maanden daarvoor. De uitkeringsspecificatie van juni 2024 daarentegen bevat wel een wijziging in de betaling van bijstand ten opzichte van voorgaande maanden, maar met de rechtbank stelt de Raad vast dat aan deze wijziging besluit 1 ten grondslag ligt. Deze uitkeringsspecificatie is in zoverre een herhaling van dat besluit en dus niet zelf op rechtsgevolg gericht.
4.2.4.
Ook heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het emailbericht van 4 juni 2024 geen besluit is als onder 4.2.1 bedoeld omdat het gaat om een voorstel van de consulent. Alleen al daarom kan niet worden gesproken van een beslissing van een bestuursorgaan die een rechtshandeling inhoudt.
4.2.5.
Gelet op vorenstaande behoeven de overige beroepsgronden in verband met de uitkeringsspecificaties en het e-mailbericht geen bespreking.
Besluiten van 20 juni 2024 en 8 juli 2024
4.3.
Appellanten voeren – samengevat en zoals ter zitting besproken – aan dat het college een foutieve werkwijze hanteert en daardoor een fiscaal probleem creëert. Volgens appellanten gaat het om een onjuiste uitvoering van de PW en het niet goed toepassen van de Rekenregels en handleiding loonbelasting/premie volksverzekeringen en inkomens afhankelijke bijdrage Zvw over bijstand 2023 en 2024 (Rekenregels). Bijstandsverlening moet in het geval, zoals hier, waarin één van de gehuwden of daarmee gelijkgestelden een gering inkomen heeft, op een andere manier worden uitgevoerd. Volgens appellanten moet voor hen beiden afzonderlijk het recht op bijstand op 50% van de gehuwdennorm worden gesteld, waarna de inkomsten uit de WAO-uitkering van appellante op haar deel van de bijstand worden ingehouden. Volgens appellanten is sprake van een ongeoorloofde aantasting van het eigendomsrecht. Zij verwijzen hiervoor naar artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (Eerste protocol). Ook deze beroepsgronden slagen niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.3.1.
Appellanten behoren tot de kring van rechthebbenden en zij zijn niet uitgesloten van het recht op bijstand. De PW kent twee rechtssubjecten: de alleenstaande en het gezin (waaronder: de gehuwden tezamen). Appellanten worden op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de PW voor de bijstand als gehuwden aangemerkt. Op grond van artikel 11, vierde lid, van de PW komt het recht op bijstand hen gezamenlijk toe. Appellanten ontvangen in overeenstemming daarmee (aanvullende) bijstand naar de norm voor gehuwden. In de memorie van toelichting bij de herinrichting van de Algemene Bijstandswet heeft de wetgever daarover het volgende opgemerkt.
“Het uitkeringsrecht wordt, aan de hand van de gezamenlijke behoeften en middelen, als geheel vastgesteld, waarbij beide echtgenoten een gelijke aanspraak op de gezinsbijstand kunnen doen gelden.”
Hieruit volgt dat er bij de gehuwdenbijstand geen individueel uitkeringsrecht bestaat en dat geen sprake kan zijn van ongeoorloofde aantasting van het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol doordat appellanten niet elk een eigen recht op bijstand hebben en elk hun eigen uitkering ontvangen. Dit is vaste rechtspraak. De stelling van appellanten dat voor hen afzonderlijk recht bestaat op 50% van de bijstandsnorm houdt dan ook geen stand. Dit betekent dat de WAO-uitkering van appellante alsook de teruggave 2023 als inkomen in aanmerking moeten worden genomen bij de (gezamenlijke) gezinsbijstand. Dit is vaste rechtspraak.
4.3.2.
Het recht op bijstand is in de PW op netto-uitkering bepaald en wordt ook zo door de bijstandverlenende instantie uitbetaald. Gemeenten en de Sociale verzekeringsbank (Svb) zijn als inhoudingsplichtige krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 verplicht om loonbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet te betalen aan de Belastingdienst over de netto betaalde bijstand. Dit is bepaald in artikel 19, vierde lid, van de PW. De hoogte van die belasting, premie of bijdrage vloeit niet voort uit de PW; ook vloeit daaruit niet voort wie als belastingplichtige moet worden aangemerkt. Dat behoort in beginsel tot het domein van het belastingrecht en daartoe is de belastingrechter bevoegd. Om de gemeenten en de Svb te helpen en te instrueren bij hun taak als inhoudingsplichtige geeft de Belastingdienst jaarlijks de Rekenregels uit. De Rekenregels hebben volgens vaste rechtspraak wel betekenis voor de toepassing van de PW bij brutering van de terugvordering op grond van artikel 58, vijfde lid, van de PW. In dit geval gaat het echter niet om brutering van een terugvordering.
4.3.3.
Uit paragraaf 3.1 van de Rekenregels volgt dat in gevallen waarin bijstand wordt verstrekt aan gehuwden en daarmee gelijkgestelden, voor toepassing van de Rekenregels voor beide partners een gelijke aanspraak op de (aanvullende) bijstand bestaat. Hierbij is niet van belang aan wie van de partners de bijstand wordt uitbetaald. Dit betekent dat voor het bepalen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw het rekenvoorschrift voor elk van de partners moet worden toegepast. Deze individuele benadering geldt ook voor de definitieve vaststelling na afloop van het kalenderjaar. Daarbij moet de loonheffingskorting (en het eventueel al gebruikte deel daarvan) per partner individueel worden berekend.
4.3.4.
In paragraaf 3.2 is een rekenvoorschrift loonbelasting/premie volksverzekeringen voor uitkeringen op grond van de PW opgenomen. Dit luidt als volgt.
“ Het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen over bijstand vindt in beginsel in 2 fasen plaats.
1e fase
Gedurende het jaar gebruikt u voor de bepaling van de loonbelasting/premie volksverzekeringen het bijstandspercentagetarief van tabel 2 in paragraaf 3.2.1. De uitkomsten van deze berekeningen hebben een voorlopig karakter.
2e fase
Aan het einde van het jaar bepaalt u de definitieve loonbelasting/premie volksverzekeringen door herrekening. Daarbij brengt u in mindering wat u in fase 1 al voorlopig hebt afgedragen. Het bedrag van de herrekening neemt u op in de aangifte loonheffingen over de maand december van dat jaar. De rekenregels daarvoor staan in paragraaf 3.2.2 en 3.2.3.
Let op 1
Als u niet met deze 2 fases wilt rekenen, dan berekent u de loonbelasting/premie volksverzekeringen volgens de methode van fase 2. [….].”
4.3.5.
Het college heeft de Rekenregels niet in strijd met de PW toegepast. Uit paragraaf 3.1 van de Rekenregels volgt dat als er bijstand naar de gehuwdennorm wordt verstrekt, voor de berekening van de verschuldigde loonbelasting en premie volksverzekeringen de verleende en dus betaalde bijstand fiscaal gelijkelijk wordt verdeeld over beide partners. Niet relevant daarvoor is aan wie de bijstand feitelijk is uitbetaald. Vervolgens wordt voor iedere partner afzonderlijk de af te dragen loonheffing berekend. Uit paragraaf 3.2 van de Rekenregels volgt dat het college de verschuldigde loonbelasting niet maandelijks hoeft te berekenen. Het college mag er ook voor kiezen alleen aan het einde van het jaar de definitieve loonbelasting/premie volksverzekeringen te berekenen. Dat de geïndividualiseerde toepassing van belasting- en premiewetgeving volgens de Rekenregels bij toepassing van de gehuwdennorm van de PW voor de gehuwden, waarvan één ook een ander inkomen heeft, kan leiden tot een terugvordering en verrekening op grond van de PW door de uitbetaling van de heffingskorting minstverdienende partner, maakt op zichzelf nog niet dat de besluitvorming van het college in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Appellanten krijgen namelijk uiteindelijk netto aan bijstand uitbetaald waarop ze recht hebben. De gevolgen voor appellanten wat betreft toeslagen op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen ligt in deze zaak niet voor. De Raad verwijst in dat kader naar zijn uitspraak over compensatie van die gevolgen en het sinds 1 januari 2025 geldende artikel 78gg van de PW.
Conclusie en gevolgen
4.4.
De hoger beroepen slagen dus niet. Aangevallen uitspraak 1 moet worden bevestigd, voor zover aangevochten. Aangevallen uitspraak 2 moet ook worden bevestigd. Dit betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en van de bezwaren in stand blijft. Ook blijft de terugvordering van bijstand van € 401,- in stand.
5. Omdat de hoger beroepen niet slagen, krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten;
bevestigt aangevallen uitspraak 2.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
De griffier is verhinderd te ondertekenen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel
Participatiewet
Artikel 78gg
1. Het college kent ambtshalve of op aanvraag een tegemoetkoming toe aan een huishouden, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. het huishouden heeft een inkomen uit een uitkering, niet zijnde een uitkering op grond van deze wet, eventueel aangevuld met een uitkering op grond van artikel 19;
b. vergeleken met een vergelijkbaar huishouden, waarvoor het inkomen uit enkel een uitkering bestaat op grond van artikel 19, ontvangt het huishouden een lager bedrag aan tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, als gevolg van de verschillende afbouwpaden van de dubbele algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 37, tweede lid, en in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001; en
c. de som van het netto-inkomen en de ontvangen tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen ligt lager dan bij een vergelijkbaar huishouden waarvoor het inkomen uit een uitkering enkel bestaat uit een uitkering op grond van artikel 19, vanwege hetgeen genoemd is onder b.
2. De tegemoetkoming is geen bijstand in de zin van deze wet.
3. Op de tegemoetkoming is artikel 46, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
4. De Dienst Toeslagen verstrekt aan de Belastingdienst de informatie die nodig is voor de uitvoering van het vijfde lid.
5. De Belastingdienst verstrekt aan het college door tussenkomst van het Inlichtingenbureau de burgerservicenummers en de gemeentecodes van de inwoners van de betreffende gemeente die in aanmerking komen voor de tegemoetkoming.
6. Een besluit tot toekenning van een tegemoetkoming wordt niet ten nadele van het huishouden herzien.
7. De hoogte van de tegemoetkoming wordt jaarlijks vastgesteld bij ministeriële regeling.
8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de goede uitvoering van dit artikel.
ECLI:NL:RBNHO:2024:9877.
ECLI:NL:RBNHO:2025:10158.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:482.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2313.
Kamerstukken II, 1991/91, 22545, nr. 3, p. 58-59.
Vergelijk de uitspraak van 10 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:300.
Zie de uitspraak van 21 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:212 onder 4.3.1.
Zie de uitspraak van 9 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:860 en 19 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4474.
Zie de uitspraak van 27 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1952.