Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:906

2026-06-25 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/486 BABW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-06-25
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/486 BABW-PV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De Raad vestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.862 tekens)
25/486 BABW-PV, 25/487 BABW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer


Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 januari 2025, 22/3250 en 22/6486 (aangevallen uitspraak)


Partijen:



[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)


Datum uitspraak: 25 juni 2026


Zitting heeft: D. Hardonk-Prins
Griffier: A.A. Verweij


Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. van Lith.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, en wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.





OVERWEGINGEN



Inleiding


1.1.
Op 16 november 2021 heeft appellant het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart (GPK) van 21 september 2021.


1.2.
Op 30 november 2021 heeft het college de aanvraag voor een GPK afgewezen. Op 16 december 2021 heeft het college de gehandicaptenparkeerplaats van appellant ingetrokken. Op 28 december 2021 heeft het college appellant alsnog een GPK toegekend. Op 15 april 2022 heeft het college de besluiten van 30 november 2021 en 16 december 2021 ingetrokken en in verband met het besluit van 28 december 2021 het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld.


1.3.
Met een besluit van 31 mei 2022 heeft het college naar aanleiding van de ingebrekestelling van 16 november 2021 vastgesteld geen dwangsom verschuldigd te zijn.


1.4.
Met een beslissing op bezwaar van 30 augustus 2022 heeft het college het hiertegen gerichte bezwaar van appellant gegrond verklaard en appellant een dwangsom toegekend van € 707,-. Appellant heeft ook hiertegen beroep ingesteld.


1.5.

Tijdens de beroepsprocedure heeft het college met een besluit van 8 maart 2023 de beslissing op bezwaar van 30 augustus 2022 gewijzigd in die zin dat er geen dwangsom verschuldigd is en besloten de toegekende dwangsom niet terug te vorderen.

Uitspraak van de rechtbank




2.1.
Over de afwijzing van de GPK en de intrekking van de gehandicaptenparkeerplaats heeft de rechtbank geoordeeld dat het college in het kader van de aanvraag om (verlenging van) de GPK terecht een medisch onderzoek heeft laten verrichten. Het college heeft weliswaar de afwijzing van de aanvraag om een GPK en de intrekking van de gehandicaptenparkeerkaart ongedaan gemaakt, maar het college heeft daarin geen aanleiding hoeven zien appellant op grond van artikel 7:15, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht een proceskostenvergoeding toe te kennen, omdat niet is gebleken en onderbouwd dat appellant in bezwaar dergelijke kosten heeft gemaakt.


2.2.
Het verzoek van appellant om schadevergoeding in verband met onbehoorlijk bestuur heeft de rechtbank afgewezen, omdat de door appellant gestelde schade niet is onderbouwd.


2.3.
De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, geoordeeld dat het college niet bevoegd was om te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het dwangsombesluit van 31 mei 2022, omdat het door appellant ingestelde beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een GPK mede betrekking heeft op het dwangsombesluit van 31 mei 2022. Het beroep tegen de beslissingen op bezwaar van 30 augustus 2022 en 8 maart 2023 is gegrond verklaard en deze besluiten zijn vernietigd omdat ze onbevoegd zijn genomen.


2.4.
De rechtbank heeft het beroep van rechtswege tegen het dwangsombesluit van 31 mei 2022 gegrond verklaard, het dwangsombesluit van 31 mei 2022 herroepen en appellant een dwangsom toegekend van € 707,-. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de ingebrekestelling gelet op de beslistermijn weliswaar prematuur was, zodat het college geen dwangsom verschuldigd was, maar dat door het verbod van reformatio in peius toch een dwangsom van € 707,- moet worden toegekend, waarmee appellant niet tekort is gedaan.


2.5.
De rechtbank heeft verder het verzoek van appellant om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. Appellant heeft volgens de rechtbank recht op een bedrag van in totaal € 1.500,- in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de samenhangende zaken. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat het oudste bezwaar dateert van 12 december 2021, dat de overschrijding van de redelijke termijn in beide beroepen geheel aan de rechtbank is toe te rekenen en dat de zaken over de aanvraag om een GPK, de daarmee samenhangende intrekking en de dwangsom bij de rechtbank gezamenlijk zijn behandeld.



Het oordeel van de Raad
3. De Raad beoordeelt of de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, in stand kan worden gelaten, aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3.1.
Dat de rechtbank de dwangsom ten onrechte heeft vastgesteld op € 707,- in plaats van op € 1.172,- volgt de Raad niet. Op het moment dat appellant het college in gebreke stelde was de beslistermijn inzake de aanvraag voor een GPK nog niet verstreken. Overigens heeft het college ook binnen twee weken na die ingebrekestelling beslist op de aanvraag, te weten met een besluit van 31 mei 2022. Dat dit besluit later is gewijzigd doet hier niet aan af.


3.2.
Dat de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn onjuist is, volgt de Raad ook niet, omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er sprake is van samenhangende zaken. Daar komt bij dat een bezwaar, beroep of hoger beroep tegen een dwangsombesluit niet kan leiden tot schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Met de vastgestelde schadevergoeding is appellant dus niet tekort gedaan.


3.3.
De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding in verband met het gesteld onbehoorlijk bestuur door het college terecht afgewezen, omdat dit verzoek niet is onderbouwd.


3.4.
Omdat appellant in persoon procedeert, heeft de rechtbank op goede gronden geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
4. In hoger beroep heeft appellant ook verzocht om een aanvullende schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. De Raad wijst dit verzoek af, omdat er geen reden is om voor de totale procedure waarbij ook het hoger beroep wordt betrokken, een aanvullende schadevergoeding toe te kennen naast de schadevergoeding die de rechtbank heeft toegekend.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten. Ook krijgt appellant het betaalde griffierecht niet terug.


Waarvan proces-verbaal.



De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer



(getekend) A.A. Verweij (getekend) D. Hardonk-Prins





Zie de uitspraak van de Raad van 14 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1360.


Zie de uitspraak van de Raad van 11 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2383.