Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:650

2026-05-21 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/549 WUV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-05-21
Publicatiedatum
2026-05-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/549 WUV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Weigering herziening periodieke Wuv-uitkering over de jaren 1991 en 1992. Verjaring. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. De door appellant in 1991 en 1992 ontvangen provisie is op de uitkering in mindering gebracht op basis van de door appellant ingezonden inlichtingenformulieren over die jaren.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.044 tekens)
25/549 WUV



Datum uitspraak: 21 mei 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Uitspraak in het geding tussen







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (Spanje) (appellant)



de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)










SAMENVATTING




Het verzoek van appellant om zijn periodieke uitkering op grond van de Wuv over de jaren 1991 en 1992 te herzien vanwege de kortingen die in die jaren volgens appellant ten onrechte zijn toegepast, is door verweerder terecht afgewezen. Verweerder heeft terecht een beroep op verjaring gedaan. Los daarvan, zijn door appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen die bij verweerder bij het nemen van het betreffende besluit in 1995 niet bekend waren dan wel voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om de uitkering over 1991 en 1992 te herzien.





PROCESVERLOOP


Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 maart 2025, (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wuv.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 april 2026. Appellant heeft aan de zitting deelgenomen via beeldbellen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.





OVERWEGINGEN



Inleiding


1. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellant, geboren in 1953, is met de vervolgde gelijkgesteld. Aanvaard is dat hij psychische klachten heeft die in overwegende mate het gevolg zijn van de vervolgingsgevolgen van zijn vader. Met een besluit in 1995 is appellant met ingang van 1 mei 1991 in aanmerking gebracht voor een periodieke uitkering op grond van de Wuv en zijn op die uitkering over de jaren 1991 en 1992 inkomsten in mindering gebracht.



1.2.
In mei 2000 heeft appellant om herziening verzocht van zijn periodieke uitkering over de jaren 1991, 1992 en 1993. Appellant stelde dat over die jaren ten onrechte inkomsten uit eigen bedrijf op zijn periodieke uitkering in mindering zijn gebracht omdat hij over die jaren geen inkomsten heeft genoten. Appellant heeft daarbij gewezen op de belastingaanslagen over de betreffende jaren, die op nihil waren gesteld. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen met een besluit van 31 augustus 2000 en deze afwijzing na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 21 december 2001. Overwogen is onder meer dat de door appellant in 1991 en 1992 ontvangen provisie op de uitkering in mindering is gebracht en dat dit is gebaseerd op onder meer de door appellant ingezonden inlichtingenformulieren over die jaren. Er is toen bewust afgeweken van de door appellant overgelegde belastingaanslagen over die jaren vanwege een verklaring van zijn accountant daarover in 1995. Over 1993 zijn geen inkomsten in mindering gebracht op de uitkering. Tegen het besluit van 21 december 2001 is geen beroep ingesteld.



1.3.
Appellant heeft vervolgens op 23 november 2024 opnieuw verzocht de periodieke uitkering over de jaren 1991 en 1992 te herzien, omdat volgens hem over die jaren ten onrechte inkomsten op de uitkering in mindering zijn gebracht. Met een besluit van 12 februari 2025 heeft verweerder dat verzoek afgewezen. Appellant heeft daartegen bewaar gemaakt. Dat bezwaar is met het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de financiële aanspraak jegens verweerder waarop het verzoek ziet, inmiddels is verjaard. Bovendien is volgens verweerder geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding geven om de periodieke uitkering over 1991 en 1992 te herzien.



1.4.
Appellant is het – kort gezegd – niet eens met de weigering om de periodieke uitkering over 1991 en 1992 te herzien.




Het oordeel van de Raad


2. De Raad beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de argumenten die appellant in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt.



2.1.
Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv heeft verweerder de bevoegdheid om op een door een belanghebbende gedane aanvraag een eerder genomen besluit in het voordeel van de aanvrager te herzien. Daarbij staat centraal de vraag of door de aanvrager nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangedragen die aan verweerder bij het nemen van zijn eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.



2.2.
Het is vaste rechtspraak dat financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaar niet meer in rechte afdwingbaar zijn. Het beginsel van rechtszekerheid brengt niet mee dat de verschuldigdheid vervalt maar alleen dat voldoening van de schuld van de overheid niet meer kan worden afgedwongen. Uit deze rechtspraak volgt dat het verval van afdwingbaarheid in beginsel geldt voor alle financiële aanspraken jegens de overheid, behoudens in het geval bij wet anders is voorzien of door de wetgever anders is beoogd. De Wuv bevat geen bepalingen op grond waarvan de genoemde rechtsregel buiten toepassing moet blijven.



2.3.
Appellant heeft ter zitting meegedeeld dat hij met zijn verzoek om herziening aanspraak wenst te maken op een nabetaling van zijn periodieke uitkering over 1991 en 1992 vanwege een in 1995 ten onrechte toegepaste korting op die uitkering. De termijn van vijf jaar voor deze financiële aanspraak jegens verweerder is evenwel ruimschoots verstreken. Terecht heeft verweerder dan ook een beroep gedaan op verjaring. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan gezegd moet worden dat verweerder gehouden was om van het beroep op verjaring af te zien, zijn niet naar voren gekomen.



2.4.
Los van het geslaagde beroep op verjaring, heeft appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht die bij verweerder bij het nemen van het besluit in 1995 (en ook bij het besluit in 2000) niet bekend waren dan wel voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om de periodieke uitkering van appellant over de jaren 1991 en 1992 te herzien. Daarbij wordt nog ten aanzien van de correspondentie tussen appellant en de Belastingdienst uit 2023 opgemerkt dat ook die geen ander licht werpt op de toegepaste korting, nu daarin alleen maar algemene informatie aan appellant is verstrekt die niet ziet op de specifieke situatie van appellant in 1991 en 1992.




Conclusie en gevolgen


2.5.
Het beroep slaagt niet. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.


3. Omdat het beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door B. Serno, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.





(getekend) B. Serno





(getekend) C.C.M. van ‘t Hol



Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers.


2 Artikel 3, tweede lid (oud), van de Wuv.


Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2024:2168.


Onder meer de uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2675.