Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1203
Inhoudsindicatie
Toegekende jeugdhulp bestaande uit jeugdhulp met verblijf onterecht. Belanghebbende. Anders dan de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat artikel 7.3.5, eerste lid, van de Jw onjuist is toegepast. Appellante is de gezaghebbende ouder en zij heeft haar toestemming voor de jeugdhulp ingetrokken. Daarom kon de toegekende jeugdhulp met verblijf niet zonder meer worden voortgezet. Het besluit van het college is daarom onrechtmatig en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden in stand gelaten om te voorkomen dat de kosten van de jeugdhulp op appellante of haar dochter worden verhaald. De Raad acht het aannemelijk dat dit besluit en het daarmee feitelijk mogelijk maken van het verblijf van haar dochter bij de stichting een grote impact op appellante heeft gehad. Zij heeft daardoor ernstige onrust, spanning en frustratie gehad. Daarom kent de Raad een schadevergoeding van € 5.000,- toe.
Citeert (4)
- ECLI:NL:CRVB:2020:887 Centrale Raad van Beroep 08-04-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2022:2680 Rechtbank Noord-Nederland 19-07-2022
- ECLI:NL:HR:1998:ZC2714 Hoge Raad 25-09-1998
- ECLI:NL:HR:2021:1024 Hoge Raad 29-06-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (35.196 tekens)
Meervoudige kamer
25/76 JW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 december 2024, 23/1845 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Het Hogeland (college)
Datum uitspraak: 20 augustus 2026
SAMENVATTING
Het college heeft aan een 17-jarige jeugdhulp met verblijf toegekend terwijl de ouder met gezag de toestemming daarvoor had ingetrokken. Dit heeft een schending van artikel 8 van het EVRM met zich gebracht. De Raad ziet onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat artikel 7.3.5, eerste lid, van de Jw tevens ziet op jeugdhulp op grond van artikel 2.3 in de vorm van verblijf en dat toestemming van de ouder niet nodig is. Van belang is onder meer dat de wetgever specifieke rechterlijke procedures in het leven heeft geroepen voor een situatie waarin de Staat wil afwijken van de hoofdregel dat ouders met gezag de verblijfplaats bepalen. De Raad oordeelt voorts dat de ontstane schending van een fundamenteel recht moet worden aangemerkt als een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. De Raad acht het aannemelijk dat het in strijd met de Jw en het zonder rechterlijke machtiging toekennen van jeugdhulp met verblijf en het daarmee feitelijk mogelijk maken van het verblijf van [naam dochter] in [naam stichting] een behoorlijke impact op appellante heeft gehad en wel zodanig dat dit bij haar ernstige onrust, spanning en frustratie heeft teweeggebracht. De Raad ziet daarin voldoende grond tot toekenning van een vergoeding van schade van € 5.000,- aan appellante.
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een reactie op het verweerschrift en nadere stukken ingediend.
[naam dochter] , dochter van appellante, is uitgenodigd om als belanghebbende aan het geding deel te nemen maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 mei 2026. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L. van Wijngeerden, E.M. Braam en M.C.E. Sap.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is de – destijds gezaghebbende – ouder van [naam dochter] ( [naam dochter] ) tot [naam dochter] op [geboortedatum] 2021 18 jaar werd. [naam dochter] zat in klas 5 van het gymnasium en heeft op 1 juni 2020 haar ouderlijk huis in [woonplaats] verlaten. Zij heeft vervolgens ruim een maand, zonder toestemming van appellante, bij voor appellante onbekende personen – te weten de via internet ontmoete vriend van [naam dochter] – in [plaats] verbleven. Appellante heeft aangifte gedaan van het onttrekken van [naam dochter] aan het ouderlijk gezag. Nadien is een aanvraag op grond van de Jw bij het college ingediend voor [naam dochter] . Deze bevindt zich niet onder de gedingstukken en is niet door appellante ingediend. Appellante heeft op 10 juli 2020 toestemming verleend voor het verblijf van [naam dochter] in een crisisopvang voor jeugdigen in de provincie Groningen: [naam stichting] . Daar is [naam dochter] op 10 juli 2020 vanuit [plaats] naartoe gegaan. Appellante heeft haar toestemming enkele dagen later ingetrokken. Sinds 2021 woont [naam dochter] weer bij appellante en haar partner, de stiefvader van [naam dochter] . Zij heeft het gymnasium vervolgens succesvol afgerond en is gaan studeren.
1.2.
Met een besluit van 23 juli 2020, gericht aan de ouders(s)/verzorgers(s) van [naam dochter] , heeft het college aan [naam dochter] jeugdhulp toegekend bestaande uit jeugdhulp crisisverblijf bij [naam stichting] en IT Ambulante Spoedhulp voor de periode van 10 juli 2020 tot en met 21 augustus 2020, in de vorm van jeugdhulp in natura. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het college heeft dit besluit ingetrokken en vervangen door een besluit van 24 augustus 2020, gericht aan [naam dochter] , met dezelfde inhoud als het besluit van 23 juli 2020. Ter zitting is gebleken dat [naam dochter] na 21 augustus 2020 bij [naam stichting] is gebleven. Het college kon ter zitting niet toelichten op grond van welke jeugdhulpvoorziening dat was maar wel dat het college daarin heeft voorzien.
1.3.
De casemanager heeft namens het college de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) om een onderzoek verzocht. Op 27 augustus 2020 heeft de RvdK de kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland verzocht [naam dochter] onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen tot haar meerderjarigheid op [geboortedatum] 2021. Tevens heeft de RvdK de kinderrechter verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor 24-uurs zorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Met een beschikking van 11 september 2020 heeft de kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland deze verzoeken toegewezen.
1.4.
Het college heeft het bezwaar van appellante gericht tegen het besluit van 23 juli 2020 aangemerkt als bezwaar tegen het besluit van 24 augustus 2020 en dat bezwaar met een besluit van 18 november 2020 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante niet is aan te merken als belanghebbende. [naam dochter] was op het moment van de aanvraag ouder dan zestien jaar en dus op grond van artikel 7.3.5 van de Jw bekwaam om voorzieningen aan te vragen. Zij is de primair belanghebbende. [naam dochter] heeft zelf geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 augustus 2020 en appellante heeft geen machtiging van [naam dochter] overgelegd, waaruit blijkt dat appellante namens [naam dochter] bezwaar heeft gemaakt, aldus het college. Appellante heeft daartegen beroep ingesteld.
1.5.
Met een uitspraak van 19 juli 2022 heeft de rechtbank Noord-Nederland – voor zover hier van belang – het beroep gegrond verklaard en het besluit van 18 november 2020 vernietigd, onder toekenning van proceskostenvergoeding en griffierecht. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante als met het gezag belaste ouder degene is die, tot [naam dochter] 18 jaar is, gerechtigd en verplicht is tot opvoeding en verzorging van haar minderjarige dochter en heeft daarbij verwezen naar de artikelen 1:245 en 1:247 van het BW. Vanwege dat recht en die plicht heeft zij een eigen belang en is zij dus belanghebbende. Dat [naam dochter] op grond van artikel 7.3.5 van de Jw zelf bekwaam is tot het verrichten van rechtshandelingen die verband houden met de aanvraag, doet daar niet aan af. Omdat appellante heeft vermeld dat haar belang ligt in het verkrijgen van schadevergoeding heeft de rechtbank partijen in overweging gegeven om daarover met elkaar in overleg te treden om te kijken of een minnelijke oplossing mogelijk is. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
1.6.
Nadat is gebleken dat partijen niet tot een minnelijke oplossing konden komen, heeft het college met een besluit van 9 maart 2023 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Tijdens de hoorzitting heeft het college gesteld dat [naam dochter] geen school- of gedragsproblemen heeft maar dat [naam dochter] aangeeft niet naar huis te willen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat [naam dochter] op het moment van de aanvraag 17,4 jaar oud was. Zij was bevoegd om zelf een aanvraag in te dienen. De aanvraag zag onder meer op het wijzigen van haar verblijfplaats. Gelet op artikel 7.3.5 van de Jw was toestemming van appellante niet vereist voor de toegekende jeugdhulp. Als deze toestemming wel vereist zou zijn ten aanzien van de toegekende crisisopvang, dan heeft appellante deze gegeven op 10 juli 2022 (lees: 2020). Appellante stelt haar toestemming op 14 juli 2020 per e-mail te hebben ingetrokken. Deze is echter verstuurd naar het mailadres van de casemanager waarvan appellante wist dat deze vanwege vakantie niet te bereiken was. Eerst op 10 augustus 2020 werd kennis genomen van deze intrekking van de toestemming. Het college heeft op basis van de toestemming van [naam dochter] en de toestemming van appellante van 10 juli 2020 besloten om in het belang van [naam dochter] en om de veiligheid en continuïteit te borgen, de toegekende jeugdhulp voort te zetten, aldus het college. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de toestemming van appellante geen vereiste was voor het mogen toekennen van de jeugdhulp. Weliswaar bepaalt artikel 1:234 van het BW dat de minderjarige handelingsbekwaam is mits hij de toestemming heeft van de ouders (met ouderlijk gezag) maar daarin staat ook dat dit slechts geldt voor zover de wet niet anders bepaalt. In artikel 7.3.5 van de Jw is bij wet anders bepaald. In dat artikel staat namelijk dat de minderjarige van zestien of zeventien jaar bekwaam is tot het verlenen van toestemming voor de verlening van jeugdhulp ten behoeve van zichzelf, alsmede tot het verrichten van rechtshandelingen die daarmee onmiddellijk verband houden. De individuele voorziening in de vorm van jeugdhulp met verblijf elders die de dochter van appellante heeft gekregen, betreft jeugdhulp. Gelet op artikel 7.3.5 van de Jw is de toestemming van appellante daarvoor niet vereist. Dat het hier deels jeugdzorg met verblijf elders betreft, maakt dit niet anders. Uit artikel 1:247 van het BW volgt weliswaar dat de gezaghebbende ouder het recht heeft om te bepalen waar het kind woont, maar artikel 7.3.5 van de Jw is van latere datum dan artikel 1:247 van het BW, zodat artikel 7.3.5 van de Jw voorgaat (lex posterior). Doordat appellante heeft geweigerd toestemming te verlenen voor kennisname door de rechtbank van bepaalde stukken als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is de rechtbank beperkt in haar mogelijkheden om te beoordelen of het college tot de aan de dochter van appellante toegekende jeugdhulp heeft kunnen komen. De informatie waarvan de rechtbank wel kennis heeft kunnen nemen is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de toekenning van de jeugdhulp niet deugdelijk is onderbouwd. Omdat geen sprake is van een onrechtmatig besluit, heeft de rechtbank het verzoek van appellante om schadevergoeding afgewezen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Onder meer heeft zij betwist dat haar toestemming geen vereiste was voor het toekennen van jeugdhulp met verblijf en in het verlengde daarvan het oordeel dat artikel 7.3.5 Jw voorgaat op artikel 1:234 van het BW. Zij mist voorts een deugdelijke en feitelijke onderbouwing van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. De verleende jeugdhulp was niet passend. Als deze al nodig zou zijn geweest dan had haar dochter kunnen verblijven bij haar broer of tante maar dat is niet deugdelijk onderzocht. Zij heeft gewezen op diverse bepalingen van het EVRM en het IVRK die naar haar mening onvoldoende in acht zijn genomen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over het toekennen van jeugdhulp in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Ambtshalve
Belanghebbende
4.1.
De Raad is met de rechtbank in de uitspraak van 19 juli 2022 van oordeel dat appellante belanghebbende is bij het aan haar dochter gerichte besluit. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat appellante als met het gezag belaste ouder degene is die, tot [naam dochter] 18 jaar is, op grond van artikel 1:247 van het BW gerechtigd en verplicht is tot opvoeding en verzorging van haar minderjarige dochter. Vanwege dat recht en die plicht heeft zij een eigen belang en is zij dus belanghebbende.
Procesbelang
4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887) is pas sprake van (voldoende) procesbelang bij een uitspraak van de Raad als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Procesbelang kan aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
4.3.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het niet op voorhand onaannemelijk is dat appellante immateriële schade heeft geleden. Appellante heeft er terecht op gewezen dat haar recht op een ongestoord gezinsleven zoals beschermd door onder meer artikel 8 van het EVRM in geding was.
Inhoudelijk
5. Vast staat dat appellante haar aanvankelijk gegeven toestemming voor de toegekende jeugdhulp met verblijf, heeft ingetrokken. Ter zitting is gebleken dat voor het college niet meer in geschil is dat appellante de toestemming die zij op 10 juli 2020 heeft gegeven, heeft ingetrokken op 14 juli 2020. Dat strookt met een door appellante overgelegde e-mail van 14 juli 2020 aan de casemanager met de duidelijk verwoorde intrekking en met het feit dat deze medewerker van het college daar op 15 en 16 juli 2020 nog op heeft gereageerd. Dit brengt met zich dat reeds ten tijde van het nemen van de primaire besluiten aan het college bekend was dat appellante geen toestemming gaf voor het verblijf van haar dochter bij [naam stichting] .
5.1.
Partijen verschillen vervolgens van mening over de vraag of het college zich op het standpunt kon stellen dat voor de toegekende jeugdhulp met verblijf de toestemming van de ouder niet nodig is. Daarover wordt als volgt overwogen.
5.2.
Zoals hierboven vermeld hebben ouders op grond van het BW het gezag over hun minderjarige kinderen (artikel 1:245). Een minderjarige is dan ook alleen met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger bekwaam rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt (artikel 1:234). Ouders hebben het recht en de plicht hun kinderen te verzorgen en op te voeden (artikel 1:247). Ouderlijk gezag omvat, ook in het kader van artikel 8 van het EVRM, de bevoegdheid te beslissen over de vraag waar het kind verblijf moet houden. De hoofdregel is dat ingevolge artikel 1:12 van het BW een minderjarige de woonplaats volgt van hem die het gezag over hem uitoefent.
5.3.
Artikel 7.3.4 van de Jw bepaalt dat voor het verlenen van jeugdhulp de toestemming van de betrokkene is vereist. Dit tenzij het jeugdhulp betreft in het kader van een machtiging gesloten jeugdhulp, een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp, een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Onder betrokkene wordt ingevolge artikel 7.3.1 van de Jw verstaan de persoon aan wie rechtstreeks jeugdhulp wordt verleend. Artikel 7.3.5 van de Jw bepaalt – in afwijking van artikel 1:234 van het BW – dat een minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, bekwaam is tot het verlenen van toestemming voor de verlening van jeugdhulp ten behoeve van zichzelf, alsmede tot het verrichten van rechtshandelingen die daarmee onmiddellijk verband houden.
5.4.
Deze artikelen in de Jw zijn ontleend aan de regeling van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in het BW. Voor de geneeskundige behandelingsovereenkomst gelden eveneens bepalingen die afwijken van de algemene regeling van handelingsonbekwaamheid van minderjarigen en het gezag van ouders. Op grond van artikel 7:447 van het BW is een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, bekwaam tot het aangaan van een behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf, alsmede tot het verrichten van rechtshandelingen die met de overeenkomst onmiddellijk verband houden. Ingevolge artikel 7:450 van het BW is voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst, de toestemming van de patiënt vereist. Tot twaalf jaar en van twaalf tot zestien jaar geldt overigens een andere regeling, die de Jw ook kent.
5.5.
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Jw is op dit punt vermeld dat, waar mogelijk, voor jeugdhulp is aangesloten bij bestaande zorgwetgeving. “Hiermee wordt voorkomen dat aanbieders die zowel op het jeugd- als op het volwassenendomein acteren, met verschillende wettelijke regimes worden geconfronteerd. De bepalingen in deze paragraaf zijn daarom afgeleid van de Wgbo (…). Omdat nauwkeurig is aangesloten bij de bepalingen van de Wgbo, worden de bepalingen niet uitvoerig artikelsgewijs toegelicht. Voor zover nodig voor het goede begrip, worden afwijking van de Wgbo wel expliciet toegelicht.”
5.6.
De Raad ziet onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat artikel 7.3.5, eerste lid, van de Jw tevens ziet op jeugdhulp op grond van artikel 2.3 van de Jw in de vorm van verblijf. De tekst van de bepaling is daarover niet duidelijk. De oorsprong van de bepaling, waarbij is aangesloten bij de geneeskundige behandelingsovereenkomst, duidt daar evenmin op. De essentie van de geneeskundige behandeling is immers niet het verleggen van de woon- of verblijfplaats. Voorts is in de totstandkomingsgeschiedenis van de Jw geen steun te vinden voor die uitleg. Die aanknopingspunten zijn naar het oordeel van de Raad wel nodig omdat sprake is van een uitzondering op de algemene, ook in artikel 5 van het IVRK erkende, regel dat ouders het gezag hebben. Van belang is voorts dat de wetgever specifieke rechterlijke procedures in het leven heeft geroepen voor een situatie waarin de Staat wil afwijken van artikel 1:12 en artikel 1:245 van het BW en de hoofdregel dat ouders met gezag de verblijfplaats bepalen. Ter waarborging van het recht op gezinsleven, dat in geding is bij het verblijf van een jeugdige, gescheiden van de ouder(s) tegen hun wil, is het de rechter die daarover beslist op grond van het BW en niet het college of een door het college gemandateerde functionaris of instelling. Daarbij sluit aan dat het onttrekken van een minderjarige aan het ouderlijk gezag strafbaar is gesteld.
5.7.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit blijk geeft van een onjuiste uitleg van artikel 7.3.5, eerste lid, van de Jw. Het bestreden besluit dient alleen al hierom te worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. De overige door appellante aangevoerde gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Schadevergoeding
6. Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding wordt als volgt overwogen.
6.1.
Met bovenstaande is de onrechtmatigheid van het bestreden besluit gegeven. De toerekening, als bedoeld in artikel 6:162 van het BW, daarvan aan het college is niet in geding. Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad is voor vergoeding van schade vereist dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. Bij de beoordeling of toegerekend moet worden acht de Raad onder meer de aard en strekking van het vernietigde besluit een relevante factor.
6.2.
Anders dan appellante heeft gesteld, is de Raad van oordeel dat bij gebreke van een begin van onderbouwing niet aangenomen kan worden dat de hersenbloeding die haar partner heeft gehad een gevolg is van de besluiten van het college en het daarop volgende verblijf van haar dochter bij [naam stichting] . Dit nog daargelaten of de partner belanghebbende is bij het bestreden besluit, nu hij geen bezwaar heeft gemaakt.
6.3.
Appellante heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade. Voor de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in hoeverre immateriële schade moet worden vergoed, wordt (ook) zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
6.4.
Appellante heeft onder meer gewezen op de schending van artikel 8 van het EVRM en bepalingen van het IVRK. De Raad is van oordeel dat sprake is van een situatie waarin aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. Het gaat hier immers om een ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven van appellante, en daarmee een ernstige schending van artikel 8 van het EVRM. Daarbij weegt mee dat appellante, mede tegen de achtergrond van artikel 8 van het EVRM en artikel 9 van het IVRK, welke bepalingen mede strekken tot bescherming van het recht van ouders om gezag over hun minderjarige kinderen uit te oefenen, recht had op de waarborg van een rechterlijke toets van de vraag of [naam dochter] tegen de wil van appellante, in staat mocht worden gesteld tot een verblijf bij [naam stichting] . Appellante heeft daar ook op gewezen. Deze schending en de eventueel daaruit voortvloeiende schade moeten bij de toepassing van artikel 8:88 van de Awb, mede in aanmerking genomen het in artikel 13 van het EVRM opgenomen beginsel van een ‘effective remedy’, als een gevolg van die besluiten aan het college worden toegerekend.
6.5.
Dan resteert de vraag wat een billijke vergoeding van de immateriële schade is, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval. De Raad acht het aannemelijk dat het in strijd met de Jw en het zonder rechterlijke machtiging toekennen van jeugdhulp met verblijf en het daarmee feitelijk mogelijk maken van het verblijf van [naam dochter] in [naam stichting] een behoorlijke impact op appellante heeft gehad en wel zodanig dat dit bij haar ernstige onrust, spanning en frustratie heeft teweeggebracht. De Raad ziet daarin voldoende grond tot toekenning van een vergoeding van schade van € 5.000,-.
Conclusie en gevolgen
6.6.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden in stand gelaten om te voorkomen dat de kosten van de jeugdhulp op appellante of haar dochter worden verhaald.
6.7.
Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen.
Kosten rechtsbijstand en griffierecht
7. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden begroot op drie maal € 934,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verzoek om schadevergoeding en 1 punt voor het verschijnen ter zitting), in totaal € 2.802,-. In hoger beroep is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Het college moet ook het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellante vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 maart 2023;
bepaalt dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt het college tot vergoeding van de schade tot een bedrag van € 5.000,- ;
veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.802,-;
bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 193,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en B. Serno en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) M.G.J. van Eck
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Burgerlijk Wetboek
Artikel 1:12, eerste lid
Een minderjarige volgt de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent, de onder curatele gestelde die van zijn curator. Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarige kind uit, doch hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.
Artikel 1:245
1. Minderjarigen staan onder gezag.
2. Onder gezag wordt verstaan ouderlijk gezag dan wel voogdij.
3. Ouderlijk gezag wordt door de ouders gezamenlijk of door één ouder uitgeoefend. Voogdij wordt door een ander dan een ouder uitgeoefend.
4. Het gezag heeft betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte.
Artikel 1:247
1. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden.
2. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe.
Artikel 7:450
1. Voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst is de toestemming van de patiënt vereist.
2. Indien de patiënt minderjarig is en de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, is tevens de toestemming van de ouders die het gezag over hem uitoefenen of van zijn voogd vereist. De verrichting kan evenwel zonder de toestemming van de ouders of de voogd worden uitgevoerd, indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen, alsmede indien de patiënt ook na de weigering van de toestemming, de verrichting weloverwogen blijft wensen.
3. (…)
Artikel 7:447
1. Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, is bekwaam tot het aangaan van een behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf, alsmede tot het verrichten van rechtshandelingen die met de overeenkomst onmiddellijk verband houden.
2. De minderjarige is aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende verbintenissen, onverminderd de verplichting van zijn ouders tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding.
3. In op die behandelingsovereenkomst betrekking hebbende aangelegenheden is de minderjarige bekwaam in en buiten rechte op te treden.
Artikel 7:465
1. De verplichtingen die voor de hulpverlener uit deze afdeling jegens de patiënt voortvloeien worden, indien de patiënt de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, door de hulpverlener nagekomen jegens de ouders die het gezag over de patiënt uitoefenen dan wel jegens zijn voogd.
Jeugdwet
Artikel 7.3.4
Voor het verlenen van jeugdhulp is de toestemming van de betrokkene vereist, tenzij het jeugdhulp betreft in het kader van een machtiging gesloten jeugdhulp, een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp, een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering.
Indien de betrokkene minderjarig is en de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaar heeft bereikt, is tevens de toestemming van de ouders die het gezag over hem uitoefenen of van zijn voogd vereist. De jeugdhulp kan evenwel zonder de toestemming van die ouders of de voogd worden verleend, indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen, alsmede indien de betrokkene ook na de weigering van de toestemming, de verrichting weloverwogen blijft wensen.
(…)
Artikel 7.3.5
1. Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, is bekwaam tot het verlenen van toestemming voor de verlening van jeugdhulp ten behoeve van zichzelf, alsmede tot het verrichten van rechtshandelingen die daarmee onmiddellijk verband houden.
2. De minderjarige is aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende verbintenissen, onverminderd de verplichting van zijn ouders tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding.
3. In op die verlening van jeugdhulp betrekking hebbende aangelegenheden is de minderjarige bekwaam in en buiten rechte op te treden.
Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind
Artikel 5
De Staten die partij zijn, eerbiedigen de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de ouders of, indien van toepassing, van de leden van de familie in ruimere zin of de gemeenschap al naar gelang het plaatselijk gebruik, van wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind, voor het voorzien in passende leiding en begeleiding bij de uitoefening door het kind van de in dit Verdrag erkende rechten, op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind.
Artikel 9
1. De Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. (…)
2. In procedures ingevolge het eerste lid van dit artikel dienen alle betrokken partijen de gelegenheid te krijgen aan de procedures deel te nemen en hun standpunten naar voren te brengen.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 8
Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Wetboek van Strafrecht
Artikel 279
1. Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
Jeugdwet.
ECLI:NL:RBNNE:2022:2680.
Burgerlijk Wetboek.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind.
ECLI:NL:HR:1998:ZC2714.
Ingevolge artikel 7:450, lid 2 geldt dat indien de patiënt de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, tevens de toestemming van de ouders die het gezag over hem uitoefenen of van zijn voogd is vereist. Ingevolge artikel 7:465 van het BW geldt dat de verplichtingen van de hulpverlener, indien de patiënt de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, door de hulpverlener worden nagekomen jegens de gezaghebbende ouders.
Kamerstukken II 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 212 e.v.
Zoals artikel 1:255 BW (ondertoezichtstelling) en artikel 1:265a BW (machtiging uit huis plaatsing).
Artikel 279 Wetboek van Strafrecht.
Vgl CRVB:2010:BM8044 en ECLI:NL:HR:2021:1024.