Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1193
2026-09-01
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/462 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Terugvordering van bijstand. Inkomen uit pgb. Geen dringende redenen. Herhaling beroepsgronden. Wat appellante aanvoert, is in de kern een herhaling van wat in beroep is aangevoerd. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. De Raad voegt daaraan toe dat inmiddels is gebleken dat appellante geen verzoek tot kwijtschelding heeft ingediend en zij het restant van de terugvordering op 16 april 2025 heeft afgelost.
Citeert (3)
- ECLI:NL:CRVB:2022:2207 Centrale Raad van Beroep 11-10-2022
- ECLI:NL:CRVB:2024:2193 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2026:267 Centrale Raad van Beroep 03-03-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.771 tekens)
25/462 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 januari 2025, 24/8862 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van Stroomopwaarts MVS, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 1 september 2026
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over een terugvordering van bijstand in verband met de ontvangst van inkomsten uit een persoonsgebonden budget (pgb) over een periode waarover appellante al bijstand had ontvangen. Appellante heeft aangevoerd dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Appellante krijgt geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Kaplan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Met een e-mail van 28 mei 2025 heeft mr. O.C. Bozbiyik, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Op verzoek van de Raad heeft het dagelijks bestuur nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 juli 2026. Voor appellante is mr. Bozbiyik verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.E. Bensoussan.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontving sinds 16 april 2022 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande onder toepassing van de kostendelersnorm. Daarbij heeft het dagelijks bestuur aan appellante, op grond van artikel 55 van de PW, de verplichting opgelegd om te onderzoeken of zij in aanmerking komt voor een pgb in verband met de verzorging van haar zorgbehoevende dochter.
1.2.
Met een besluit van 14 september 2023 heeft het dagelijks bestuur appellante een bedrag van € 86,- bijzondere bijstand toegekend voor de eigen bijdrage advocaatkosten.
1.3.
Met een besluit van 15 september 2023 heeft het dagelijks bestuur appellante een bedrag van € 477,- bijzondere bijstand toegekend, eveneens voor de eigen bijdrage advocaatkosten.
1.4.
Appellante heeft op 1 november 2023 telefonisch doorgegeven dat per 6 juli 2023 een pgb is toegekend. Op 2 november 2023 heeft appellante een zorgovereenkomst ondertekend. Appellante ontvangt met ingang van 6 juli 2023 van de Sociale verzekeringsbank € 3.980,14 (bruto) per maand aan inkomsten uit het pgb. Op 6 november 2023 heeft appellante over de maanden juli tot en met oktober 2023 een nabetaling in verband met het pgb ontvangen van € 10.794,82.
1.5.
Met een besluit van 30 november 2023 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2023 beëindigd omdat het inkomen van appellante hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Hiertegen heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.
1.6.
Met een besluit van 8 december 2023 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante vanaf 6 juli 2023 ingetrokken en de over de periode van 6 juli 2023 tot en met 31 oktober 2023 gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 4.962,38.
1.7.
Met een besluit van 9 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur, onder wijziging van de motivering, het bezwaar tegen het besluit van 8 december 2023 gegrond verklaard voor zover het de intrekking van de bijstand betreft en het bezwaar tegen de terugvordering ongegrond verklaard. Appellante heeft achteraf, over een periode waarover zij bijstand ontving, inkomsten uit een pgb ontvangen die hoger waren dan de bijstand die zij in die periode ontving. Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW bevoegd de over de periode van 6 juli 2023 tot en met 31 oktober 2023 gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 4.962,38. In het gemeentelijk beleid is bepaald dat Stroomopwaarts altijd gebruik maakt van de discretionaire bevoegdheid tot terugvordering van te veel verstrekte bijstand, tenzij sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Daarbij is verwezen naar de uitspraak van 11 oktober 2022. Er is geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank – na weergave van het gemeentelijke beleid en samengevat – geoordeeld dat partijen uitsluitend van mening verschillen of er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Appellante heeft op 2 november 2023 telefonisch doorgegeven dat het pgb met terugwerkende kracht tot 6 juli 2023 is toegekend. Daarop heeft het dagelijks bestuur adequaat gehandeld door haar bijstandsuitkering uit voorzorg per 1 november 2023 te blokkeren. Appellante heeft op verzoek van het dagelijks bestuur op 21 november 2023 een afschrift van de zorgovereenkomst verstrekt. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur met het besluit van 30 november 2023 de bijstand vanaf 1 november beëindigd wegens inkomsten boven de norm. Op 8 december 2023 is besloten om zowel de algemene als de bijzondere bijstand over de periode van 6 juli 2023 tot en met 31 oktober 2023 terug te vorderen. Gelet op de contacten over en weer en de korte periode tussen de toekenning van het pgb met terugwerkende kracht en de terugvordering van de bijstand kan appellante niet erin worden gevolgd dat zij niet behoefde te weten dat zij de bijstand moest terugbetalen en dat het dagelijks bestuur traag heeft gehandeld. De door appellante genoemde financiële omstandigheden vormen ook geen dringende redenen om af te zien van gebruikmaking van de bevoegdheid tot terugvordering. Appellante heeft op 6 november 2023 een nettobedrag van € 10.794,82 voor de maanden juli 2023 tot en met oktober 2023 aan pgb ontvangen, terwijl de terugvordering die kort daarop volgde een aanzienlijk lager bedrag betreft. Bovendien is op de zitting gebleken dat appellante al een bedrag van € 4.329,79 heeft terugbetaald en dat zij voor het resterende bedrag een kwijtscheldingsverzoek kan doen. Het is de rechtbank niet gebleken dat appellante door de gedane terugbetaling in de financiële problemen terecht is gekomen. Dat het bestreden besluit, gegeven de persoonlijke omstandigheden van appellante, onevenredig nadelige gevolgen heeft in verhouding tot de daarmee te dienen doelen is de rechtbank ook niet gebleken. Voor zover het de bijzondere bijstand betreft is de rechtbank met het dagelijks bestuur van oordeel dat appellante, vanaf het moment dat zij de beschikking had over de pgb-inkomsten, voldoende draagkracht had en dat er daarom ook geen aanleiding was om de terugvordering van de bijzondere bijstand achterwege te laten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante is sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Tegenover het belang van het dagelijks bestuur bij de terugvordering staat het belang van appellante om geen onevenredig nadelige financiële gevolgen van de terugvordering te ondervinden. Er is onvoldoende rekening mee gehouden dat zij een zeer zorgbehoevende dochter moet verzorgen hetgeen ook (hoge) kosten en lasten met zich brengt.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de terugvordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak hoeft bij een discretionaire terugvordering, zoals hier aan de orde, de vraag of de terugvordering wegens dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW moet worden beperkt, niet afzonderlijk besproken te worden. Tussen partijen is, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, uitsluitend in geschil of sprake is van dringende redenen als bedoeld in het beleid van het dagelijks bestuur.
4.2.
Wat appellante aanvoert is in de kern een herhaling van wat appellante in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellante heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens haar onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. De Raad voegt daaraan toe dat inmiddels is gebleken dat appellante geen verzoek tot kwijtschelding heeft ingediend en zij het restant van de terugvordering op 16 april 2025 heeft afgelost.
Conclusie en gevolgen
4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de terugvordering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) R.R. Olde Engberink
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke (wettelijke) regels
Participatiewet
Artikel 55
Naast de verplichtingen die ingevolge hoofdstuk 2 in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan wel daaraan door het college verbonden worden, kan het college vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplichtingen opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.
Artikel 58, tweede lid, aanhef en onderdeel f, ten eerste
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand:
f. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:
1. de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken;
Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 Stroomopwaarts MVS 2020
Artikel 8.2 - Gebruik bevoegdheid
1. Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid, om:
a. bijstand terug te vorderen op grond van de artikelen 58 tot en met 60 van de wet; […].
Artikel 8.3 - Afzien van (volledige) terugvordering wegens dringende redenen
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 58 lid 8 van de wet, artikel 25 IOAW en artikel 25 IOAZ is sprake als (volledige of gedeeltelijke) terugvordering voor de belanghebbende gelet op bijzondere omstandigheden in het individuele geval leidt tot onaanvaardbare gevolgen op financieel en sociaal-maatschappelijk gebied.
ECLI:NL:CRVB:2022:2207.
Zie de uitspraak van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, onder 4:12, en van 3 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:267.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 januari 2025, 24/8862 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van Stroomopwaarts MVS, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 1 september 2026
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over een terugvordering van bijstand in verband met de ontvangst van inkomsten uit een persoonsgebonden budget (pgb) over een periode waarover appellante al bijstand had ontvangen. Appellante heeft aangevoerd dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Appellante krijgt geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Kaplan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Met een e-mail van 28 mei 2025 heeft mr. O.C. Bozbiyik, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Op verzoek van de Raad heeft het dagelijks bestuur nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 juli 2026. Voor appellante is mr. Bozbiyik verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.E. Bensoussan.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontving sinds 16 april 2022 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande onder toepassing van de kostendelersnorm. Daarbij heeft het dagelijks bestuur aan appellante, op grond van artikel 55 van de PW, de verplichting opgelegd om te onderzoeken of zij in aanmerking komt voor een pgb in verband met de verzorging van haar zorgbehoevende dochter.
1.2.
Met een besluit van 14 september 2023 heeft het dagelijks bestuur appellante een bedrag van € 86,- bijzondere bijstand toegekend voor de eigen bijdrage advocaatkosten.
1.3.
Met een besluit van 15 september 2023 heeft het dagelijks bestuur appellante een bedrag van € 477,- bijzondere bijstand toegekend, eveneens voor de eigen bijdrage advocaatkosten.
1.4.
Appellante heeft op 1 november 2023 telefonisch doorgegeven dat per 6 juli 2023 een pgb is toegekend. Op 2 november 2023 heeft appellante een zorgovereenkomst ondertekend. Appellante ontvangt met ingang van 6 juli 2023 van de Sociale verzekeringsbank € 3.980,14 (bruto) per maand aan inkomsten uit het pgb. Op 6 november 2023 heeft appellante over de maanden juli tot en met oktober 2023 een nabetaling in verband met het pgb ontvangen van € 10.794,82.
1.5.
Met een besluit van 30 november 2023 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2023 beëindigd omdat het inkomen van appellante hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Hiertegen heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.
1.6.
Met een besluit van 8 december 2023 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante vanaf 6 juli 2023 ingetrokken en de over de periode van 6 juli 2023 tot en met 31 oktober 2023 gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 4.962,38.
1.7.
Met een besluit van 9 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur, onder wijziging van de motivering, het bezwaar tegen het besluit van 8 december 2023 gegrond verklaard voor zover het de intrekking van de bijstand betreft en het bezwaar tegen de terugvordering ongegrond verklaard. Appellante heeft achteraf, over een periode waarover zij bijstand ontving, inkomsten uit een pgb ontvangen die hoger waren dan de bijstand die zij in die periode ontving. Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW bevoegd de over de periode van 6 juli 2023 tot en met 31 oktober 2023 gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 4.962,38. In het gemeentelijk beleid is bepaald dat Stroomopwaarts altijd gebruik maakt van de discretionaire bevoegdheid tot terugvordering van te veel verstrekte bijstand, tenzij sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Daarbij is verwezen naar de uitspraak van 11 oktober 2022. Er is geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank – na weergave van het gemeentelijke beleid en samengevat – geoordeeld dat partijen uitsluitend van mening verschillen of er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Appellante heeft op 2 november 2023 telefonisch doorgegeven dat het pgb met terugwerkende kracht tot 6 juli 2023 is toegekend. Daarop heeft het dagelijks bestuur adequaat gehandeld door haar bijstandsuitkering uit voorzorg per 1 november 2023 te blokkeren. Appellante heeft op verzoek van het dagelijks bestuur op 21 november 2023 een afschrift van de zorgovereenkomst verstrekt. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur met het besluit van 30 november 2023 de bijstand vanaf 1 november beëindigd wegens inkomsten boven de norm. Op 8 december 2023 is besloten om zowel de algemene als de bijzondere bijstand over de periode van 6 juli 2023 tot en met 31 oktober 2023 terug te vorderen. Gelet op de contacten over en weer en de korte periode tussen de toekenning van het pgb met terugwerkende kracht en de terugvordering van de bijstand kan appellante niet erin worden gevolgd dat zij niet behoefde te weten dat zij de bijstand moest terugbetalen en dat het dagelijks bestuur traag heeft gehandeld. De door appellante genoemde financiële omstandigheden vormen ook geen dringende redenen om af te zien van gebruikmaking van de bevoegdheid tot terugvordering. Appellante heeft op 6 november 2023 een nettobedrag van € 10.794,82 voor de maanden juli 2023 tot en met oktober 2023 aan pgb ontvangen, terwijl de terugvordering die kort daarop volgde een aanzienlijk lager bedrag betreft. Bovendien is op de zitting gebleken dat appellante al een bedrag van € 4.329,79 heeft terugbetaald en dat zij voor het resterende bedrag een kwijtscheldingsverzoek kan doen. Het is de rechtbank niet gebleken dat appellante door de gedane terugbetaling in de financiële problemen terecht is gekomen. Dat het bestreden besluit, gegeven de persoonlijke omstandigheden van appellante, onevenredig nadelige gevolgen heeft in verhouding tot de daarmee te dienen doelen is de rechtbank ook niet gebleken. Voor zover het de bijzondere bijstand betreft is de rechtbank met het dagelijks bestuur van oordeel dat appellante, vanaf het moment dat zij de beschikking had over de pgb-inkomsten, voldoende draagkracht had en dat er daarom ook geen aanleiding was om de terugvordering van de bijzondere bijstand achterwege te laten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante is sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Tegenover het belang van het dagelijks bestuur bij de terugvordering staat het belang van appellante om geen onevenredig nadelige financiële gevolgen van de terugvordering te ondervinden. Er is onvoldoende rekening mee gehouden dat zij een zeer zorgbehoevende dochter moet verzorgen hetgeen ook (hoge) kosten en lasten met zich brengt.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de terugvordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak hoeft bij een discretionaire terugvordering, zoals hier aan de orde, de vraag of de terugvordering wegens dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW moet worden beperkt, niet afzonderlijk besproken te worden. Tussen partijen is, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, uitsluitend in geschil of sprake is van dringende redenen als bedoeld in het beleid van het dagelijks bestuur.
4.2.
Wat appellante aanvoert is in de kern een herhaling van wat appellante in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellante heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens haar onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. De Raad voegt daaraan toe dat inmiddels is gebleken dat appellante geen verzoek tot kwijtschelding heeft ingediend en zij het restant van de terugvordering op 16 april 2025 heeft afgelost.
Conclusie en gevolgen
4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de terugvordering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) R.R. Olde Engberink
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke (wettelijke) regels
Participatiewet
Artikel 55
Naast de verplichtingen die ingevolge hoofdstuk 2 in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan wel daaraan door het college verbonden worden, kan het college vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplichtingen opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.
Artikel 58, tweede lid, aanhef en onderdeel f, ten eerste
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand:
f. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:
1. de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken;
Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 Stroomopwaarts MVS 2020
Artikel 8.2 - Gebruik bevoegdheid
1. Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid, om:
a. bijstand terug te vorderen op grond van de artikelen 58 tot en met 60 van de wet; […].
Artikel 8.3 - Afzien van (volledige) terugvordering wegens dringende redenen
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 58 lid 8 van de wet, artikel 25 IOAW en artikel 25 IOAZ is sprake als (volledige of gedeeltelijke) terugvordering voor de belanghebbende gelet op bijzondere omstandigheden in het individuele geval leidt tot onaanvaardbare gevolgen op financieel en sociaal-maatschappelijk gebied.
ECLI:NL:CRVB:2022:2207.
Zie de uitspraak van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, onder 4:12, en van 3 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:267.