Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1133

2026-08-18 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/1999 PW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-09-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/1999 PW-PV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Autohandel. Geen dringende redenen. Appellante heeft wel gesteld, maar op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat zij slechts als katvanger heeft gefungeerd en geen inkomsten heeft genoten. Appellante heeft verder geen duidelijkheid gegeven over de handelstransacties. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de transactiemaanden niet kan worden vastgesteld.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.408 tekens)
24/1999 PW-PV


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 juli 2024, 24/803 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)








Datum uitspraak: 18 augustus 2026



Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: S.A.M. Schilder



De zaak is aan de orde gesteld op een zitting van 18 augustus 2026. Partijen zijn niet verschenen.





BESLISSING




De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.



1.1. Het college heeft met een besluit van 28 februari 2023 de bijstand van appellante over de perioden van 1 mei 2022 tot en met 30 september 2022 en van 1 november 2022 tot en met 31 december 2022 ingetrokken en de bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 10.022,65 (bruto). Met een besluit van 10 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 28 februari 2023 deels herroepen, voor zover het de maand november 2022 betreft. In plaats van over november 2022 moet de bijstand worden ingetrokken en teruggevorderd over april 2022. Verder is de energietoeslag over het jaar 2022 ten onrechte teruggevorderd. Het college heeft de terugvordering verlaagd naar € 9.094,13 bruto. Voor het overige heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.



1.2. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door het college niet te informeren over de transacties met voertuigen die op haar naam hebben plaatsgevonden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij recht had op (aanvullende) bijstand in de maanden waarin de transacties hebben plaatsgevonden, omdat appellante geen gegevens heeft overgelegd. Het recht op bijstand is daarom niet vast te stellen. Er is het college niet gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering.


2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarna appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. Niet in geschil is dat in de periode van 1 april 2022 tot en met 30 september 2022 en in december 2022 negen kentekens van voertuigen voor korte duur, variërend van drie dagen tot ruim drie weken, geregistreerd op naam van appellante hebben gestaan. Ook is niet in geschil dat appellante hiervan geen melding heeft gemaakt bij het college. Evenmin is in geschil dat appellante geen administratie of andere controleerbare gegevens heeft bijgehouden van de transacties met de voertuigen.


3.1. Uit kentekenregistraties, zoals hier aan de orde, volgt de directe betrokkenheid bij de registraties van degene op wiens naam het voertuig geregistreerd staat of heeft gestaan. Indien een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde voertuig binnen een betrekkelijk korte periode ten aanzien van diverse voertuigen, dan is aannemelijk dat met betrekking tot die voertuigen handelstransacties hebben plaatsgevonden. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2437). De datum van de tweede wijziging van de tenaamstelling – met ingang waarvan de kentekenregistratie op naam van een betrokkene is geëindigd – wordt aangemerkt als de datum waarop de voor het recht op bijstand relevante transactie heeft plaatsgevonden.



3.2. Appellante voert aan dat de op haar naam geregistreerde voertuigen ten onrechte tot haar vermogen zijn gerekend. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals uit 1.1 en 1.2 volgt heeft het college dit niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd.



3.3. Appellante heeft wel gesteld, maar op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat zij slechts als katvanger heeft gefungeerd en geen inkomsten heeft genoten. Overigens moet in het geval van katvanger zijn ook worden gesproken van op geld waardeerbare activiteiten. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.



3.4. Appellante heeft verder betoogd dat het recht op bijstand wel is vast te stellen in de maanden dat de bijstand is ingetrokken. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Appellante heeft geen duidelijkheid gegeven over de handelstransacties. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de transactiemaanden niet kan worden vastgesteld.



3.5.1. Appellante doet tot slot een beroep op de dringende redenen van artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet (PW). Appellante heeft in dit verband gewezen op haar penibele financiële situatie en het gevolg van het terugvorderingsbesluit daarop.



3.5.2. Wat de beoordeling van de dringende redenen betreft is van betekenis dat het college verplicht is om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.



3.5.3. Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.



3.5.4. Het college heeft wat appellante heeft aangevoerd bij afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aan te merken om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet (deels) van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Aan de financiële situatie van appellante komt niet de betekenis toe die appellante daaraan toekent omdat zij bij de invordering de bescherming heeft van de beslagvrije voet.


4. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor de proceskosten en het betaalde griffierecht.


Waarvan proces-verbaal.



De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer



(getekend) S.A.M. Schilder (getekend) A.M. Overbeeke


Zie de uitspraak van 27 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2103.


Zie de uitspraken van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194 en ECLI:NL:CRVB:2024:2195.