Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1091
Inhoudsindicatie
Intrekking, herziening en terugvordering van bijstand. Boete. Schending inlichtingenverplichting. Crypto-activiteiten. Inkomen uit vermogen. Recht vaststellen. Opdracht nieuw besluit. Als een betrokkene incidenteel ten behoeve van zichzelf en met eigen middelen crypto’s koopt en deze nadien verkoopt is slechts sprake van een mutatie van eigen vermogen en niet van het verkrijgen van inkomsten. Het incidenteel aankopen of verkopen van crypto’s met eigen middelen valt onder het algemeen gangbaar vermogensbeheer van de betrokkene en kan niet worden geacht te zijn gericht op het verkrijgen van inkomsten uit vermogen. Dergelijke incidentele crypto-activiteiten, die in beginsel slechts vermogensmutaties behelzen, zijn op zichzelf dan ook niet van invloed op het recht op bijstand. Daarvan hoeft dus ook geen mededeling te worden gedaan aan de bijstandverlenende instantie. Als echter de aan- en verkoop van crypto’s met eigen middelen, gelet op de omvang, de duur en het terugkerende karakter ervan, het algemeen gangbaar vermogensbeheer van de betrokkene overstijgen, dan kunnen die crypto-activiteiten wel van invloed zijn op het recht op bijstand. Crypto-activiteiten die het algemeen gangbaar vermogensbeheer overstijgen kunnen immers worden geacht te zijn gericht op het verkrijgen van inkomsten uit vermogen en moeten daarom gemeld worden aan de bijstandverlenende instantie. Uit het transactieoverzicht volgt dat de aan- en verkoop van crypto’s door appellant het algemeen gangbaar vermogensbeheer overstegen, o.m. doordat appellant op ongeveer 600 verschillende tijdstippen aan- of verkooptransacties van crypto’s heeft verricht. Van het incidenteel aan- en verkopen van crypto’s was in het geval van appellant dan ook geen sprake.
Citeert (6)
- ECLI:NL:CRVB:2020:1183 Centrale Raad van Beroep 02-06-2020
- ECLI:NL:CRVB:2017:366 Centrale Raad van Beroep 31-01-2017
- ECLI:NL:CRVB:2018:7 Centrale Raad van Beroep 02-01-2018
- ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852 Centrale Raad van Beroep 27-09-2011
- ECLI:NL:CRVB:2002:AE7159 Centrale Raad van Beroep 27-08-2002
- ECLI:NL:CRVB:2018:7 Centrale Raad van Beroep 02-01-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (32.705 tekens)
Meervoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 augustus 2023, 23/64 en 23/1188 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)
Datum uitspraak: 18 augustus 2026
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de intrekking, herziening en terugvordering van bijstand en het opleggen van een boete. Volgens het college heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden door geen mededeling te doen van zijn crypto-activiteiten. Het college heeft de inkomsten uit de crypto-activiteiten geschat en is daarbij uitgegaan van de bedragen die appellant van zijn crypto-account naar zijn betaalrekening heeft overgeschreven.
De Raad is met het college van oordeel dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van zijn crypto-activiteiten. Gelet op de omvang, de duur en het terugkerende karakter van die activiteiten overstegen die het algemeen gangbaar vermogensbeheer. Dit brengt mee dat die activiteiten van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, omdat daarmee inkomsten uit vermogen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a, van de Participatiewet (PW) kunnen worden verkregen. Daarom had appellant aan het college van zijn crypto-activiteiten mededeling moeten doen.
De Raad is verder van oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht niet kan worden vastgesteld en het recht schattenderwijs moest worden vastgesteld. Het besluit op bezwaar dat betrekking heeft op de intrekking, herziening en terugvordering is dan ook in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen. De Raad draagt het college op dit gebrek te herstellen en houdt iedere verdere beslissing, ook met betrekking tot de boete, aan.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. van Onna, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Onna. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Krol.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving van het college sinds 2 februari 2019 bijstand op grond van de PW naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van een anonieme melding bij het Fraudemeldpunt, waarin onder meer is gesteld dat appellant als bezorger voor kebabzaken werkt, heeft een handhavingsmedewerker van de gemeente Leeuwarden een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader, voor zover van belang, heeft de handhavingsmedewerker in februari 2022 meerdere malen telefonisch met appellant gesproken, heeft appellant bankafschriften van de ING-betaalrekening over de periode van 1 november 2021 tot en met 8 februari 2022 en een overzicht met afschrijvingen van zijn ING-betaalrekening over de periode van 1 juni 2021 tot en met 9 maart 2022 verstrekt en heeft de handhavingsmedewerker samen met een collega op 16 februari 2022 een gesprek met appellant gehad. Ook heeft appellant een transactieoverzicht verstrekt van zijn Bitvavoaccount over de periode van 13 januari 2021 (de dag waarop appellant voor het eerst geld overmaakte van zijn ING-betaalrekening naar zijn Bitvavo-account en crypto’s kocht) tot en met 8 februari 2022 (de dag waarop appellant tijdens het gesprek met de handhavingsmedewerkers om het transactieoverzicht is verzocht). De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in een rapport van 15 maart 2022.
1.3.
Naar aanleiding van deze resultaten heeft het college met een besluit van 22 april 2022 de bijstand van appellant herzien over de maanden maart, juli, september en oktober 2021 en februari 2022 en ingetrokken over de maanden april, mei, november en december 2021 en januari 2022. Ook heeft het college de tot een te hoog bedrag dan wel ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over deze maanden tot een bedrag van in totaal € 8.922,56 van appellant teruggevorderd. Volgens het college is uit het onderzoek gebleken dat appellant inkomsten uit zijn activiteiten op zijn crypto-account bij Bitvavo (cryptoactiviteiten) heeft gehad. Het college heeft de door appellant van zijn Bitvavoaccount naar zijn ING-betaalrekening overgeschreven geldbedragen aangemerkt als inkomsten uit handel in crypto’s.
1.4.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 8 september 2022 heeft de adviescommissie bezwaarschriften van de sociale zekerheidskamer van de gemeente Leeuwarden (adviescommissie) appellant over zijn bezwaar gehoord. De adviescommissie heeft naar aanleiding van het verhandelde op de hoorzitting het college verzocht om aan de hand van het transactieoverzicht nader te onderzoeken wat het inkomen uit de cryptohandel per maand is geweest, dat wil zeggen: de opbrengst uit verkoop na aftrek van de inkoop.
1.5.
Op 20 september 2022 heeft het college, samengevat, als volgt op het verzoek van de adviescommissie gereageerd. Uit het transactieoverzicht volgt dat appellant in de periode van 13 januari 2021 tot en met 17 februari 2022 in totaal € 15.017,97 heeft overgeschreven van zijn Bitvavo-account naar zijn ING-betaalrekening (‘withdrawals’) en € 17.118,50 heeft overgeschreven van zijn ING-betaalrekening naar zijn Bitvavo-account (‘deposits’). Gezien het grote aantal transacties zijn deze activiteiten aangemerkt als handel in crypto’s. In het besluit van 22 april 2022 zijn de ‘withdrawals’ als inkomsten toegerekend aan de betreffende maanden. Aan de ‘deposits’ is voorbij gegaan. Voor het geval de adviescommissie er anders over denkt en de handel in crypto’s vergelijkbaar vindt met handel in aandelen moet worden vastgesteld of het vermogen het vrij te laten vermogen overschrijdt. De ‘deposits’ van € 17.118,50 overschrijden de ‘withdrawals’ van € 15.017,97 en volgens appellant was het eindsaldo van zijn Bitvavo-account in februari 2022 € 1.730,-. Dan zou appellant dus een verlies hebben geleden van € 370,53 en zou voor terugvordering geen plaats zijn.
1.6.
Na een reactie hierop van appellant heeft de adviescommissie haar advies aan het college uitgebracht. Met een besluit van 30 november 2022 (bestreden besluit 1) heeft het college, onder verwijzing naar dit advies, het bezwaar tegen het besluit 22 april 2022 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 ligt het volgende ten grondslag. Niet in geschil is dat appellant vanaf 13 januari 2021 tot en met 17 februari 2022 een account bij Bitvavo had om crypto’s te kopen en te verkopen. Uit het transactieoverzicht blijkt dat appellant in die periode ruim 2.300 activiteiten heeft ontplooid. Ook niet in geschil is dat appellant geen mededeling heeft gedaan van zijn Bitvavo-account en zijn activiteiten op dat account. Gelet op de aard, de omvang, de duur en het terugkerende karakter van de door appellant verrichte activiteiten, is sprake van handel in crypto’s, wat op geld waardeerbare arbeid is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1183). Het verrichten van op geld waardeerbare arbeid is een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn. Door van zijn crypto-activiteiten geen mededeling te doen, heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dient het bijstandsverlenend orgaan daartoe over te gaan. In dat geval is geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Indien na de schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandsverlenend orgaan gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:366). Appellant heeft een transactieoverzicht van zijn Bitvavo-account overgelegd op basis waarvan zijn cryptoactiviteiten zijn te herleiden. Het college heeft ervoor gekozen om als inkomsten uit de crypto-handel te kiezen voor de uitbetaling van gelden vanaf dit account naar zijn bankrekening. Hiermee wordt appellant niet tekortgedaan, aangezien er ook voor had kunnen worden gekozen om de verkoopopbrengsten van de crypto’s als inkomen aan te merken. Hierbij komt dat de aankoopbedragen van crypto’s en het verlies bij verkoop van crypto’s moeten worden gezien als verwervingskosten waarmee bij de bepaling van het inkomen voor de bijstand geen rekening kan worden gehouden (vergelijk de uitspraak van 2 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:7).
1.7.
Met een besluit van 2 januari 2023 (bestreden besluit 2) heeft het college appellant een boete opgelegd van € 645,26. Aan bestreden besluit 2 ligt ten grondslag dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet binnen zeven dagen te melden dat appellant in de periode van 13 januari 2021 tot en met 17 februari 2022 inkomsten uit handel in crypto’s heeft gehad. Het boetebedrag is vastgesteld met inachtneming van de fictieve afloscapaciteit van appellant. Appellant heeft tegen bestreden besluit 2 bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift heeft appellant het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep. Het college heeft dit verzoek ingewilligd en het bezwaarschift aan de rechtbank verzonden ter behandeling als beroepschrift.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee deze besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de herziening, intrekking en terugvordering en de boete in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van schending van de inlichtingenverplichting. De door hem verrichte crypto-activiteiten zijn niet aan te merken als op geld waardeerbare arbeid. Appellant had geen kennis van zaken en de aankoop en verkoop van crypto’s hebben slechts tot verlies geleid. Het college heeft verder miskend dat het aantal regels in het transactieoverzicht niet het aantal door hem verrichte transacties weergeeft, maar het aantal digitale automatische handelingen dat door Bitvavo wordt uitgevoerd aan de hand van een aan- of verkoopopdracht. Voor zover de crypto-activiteiten wel als arbeid kunnen worden aangemerkt waaruit inkomsten kunnen worden gegenereerd, was een schatting niet aan de orde en had het college aan de hand van het transactieoverzicht nauwkeurig kunnen vaststellen hoe hoog de inkomsten zijn geweest. Door de in het transactieoverzicht vermelde verkoopbedragen van de crypto’s te verminderen met de aankoopbedragen van de crypto’s is exact te berekenen hoeveel geld hij heeft overgehouden aan zijn crypto-activiteiten. Uit de overgelegde berekening van het verschil tussen de verkoop- en aankoopbedragen per maand in de periode van januari 2021 tot en met februari 2022 volgt dat hij een totaalverlies van € 11.566,66 heeft geleden. Door alleen te kijken naar de optelsom van de overschrijvingen van het Bitvavo-account naar de ING-betaalrekening heeft het college het volstrekt onjuiste beeld gecreëerd dat hij in de periode van 13 januari 2021 tot en met 17 februari 2022 inkomsten heeft gehad tot een bedrag van in totaal € 15.017,97. Uit het overgelegde overzicht van bij- en afschrijvingen van het Bitvavo-account volgt dat tegenover de overschrijving van bedragen van het Bitvavo-account naar de ING-betaalrekening van in totaal € 15.017,97 in diezelfde periode de overschrijving staat van bedragen van de INGbetaalrekening naar het Bitvavo-account van in totaal € 17.118,50. Er is dus sprake van heen en weer schuiven van geld tussen het Bitvavo-account en de ING-betaalrekening en er is geen sprake van € 15.017,97 aan inkomsten. Hierbij komt dat het college ten onrechte geen rekening houdt met de aankoopbedragen. De aankoopbedragen van crypto’s zijn geen verwervingskosten, anders dan bijvoorbeeld de kosten om een Bitvavo-account te openen en geopend te houden. Als al aangenomen moet worden dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, blijkt uit het totaalverlies van € 11.566,66 dat hij nog steeds in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.Omdat geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, kan ook de opgelegde boete niet in stand blijven.
Bestreden besluit 1: de herziening, intrekking en terugvordering
4.2.1.
Intrekking of herziening van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking of herziening is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht appellant in de maanden waar het hier om gaat de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat hij als gevolg daarvan in die maanden geen of minder recht op bijstand heeft dan wel het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.2.2.
Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. De Raad heeft eerder in andere uitspraken in vergelijkbare zin geoordeeld.
Schending van de inlichtingenverplichting
4.3.
De vraag die eerst moet worden beantwoord is of het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van zijn crypto-activiteiten. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en licht dit hierna toe.
4.3.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
4.3.2.
Bij beantwoording van de vraag of en, zo ja, in hoeverre bezit of ontvangst van een middel van invloed kan zijn op het recht op bijstand is, gelet op onder meer het bepaalde in artikel 19, eerste en tweede lid, van de PW, het maken van onderscheid tussen inkomen en vermogen van belang. Daarnaast is van belang dat, zoals uit artikel 32, eerste lid, van de PW volgt, er verschillende, van elkaar te onderscheiden, soorten inkomsten zijn, zoals bijvoorbeeld inkomsten uit of in verband met arbeid en inkomsten uit vermogen.
4.3.3.
Vooropgesteld moet worden dat de waarde van crypto’s waarover een betrokkene beschikt wordt gerekend tot het vermogen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onder a, van de PW. Als sprake is van een waardestijging van crypto’s moet de waardestijging in beginsel ook worden beschouwd als vermogen en niet als inkomen. Dit volgt uit artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW en vaste rechtspraak hierover. Van een waardestijging van crypto’s of van andere middelen dient mededeling te worden gedaan aan de bijstandverlenende instantie, indien het vermogen zodanig toeneemt dat de vermogensgrens van artikel 34, derde lid, van de PW wordt overschreden.
4.3.4.
Aan de schending van de inlichtingenverplichting die appellant wordt verweten ligt ten grondslag dat appellant geen mededeling heeft gedaan van zijn crypto-activiteiten. Partijen zijn verdeeld over de vraag hoe deze activiteiten moeten worden gekwalificeerd en of appellant van deze activiteiten mededeling had moeten doen.
Algemeen
4.3.5.1. Als een betrokkene incidenteel ten behoeve van zichzelf en met eigen middelen crypto’s koopt en deze nadien verkoopt is slechts sprake van een mutatie van eigen vermogen en niet van het verkrijgen van inkomsten. Het incidenteel aankopen of verkopen van crypto’s met eigen middelen valt onder het algemeen gangbaar vermogensbeheer van de betrokkene en kan niet worden geacht te zijn gericht op het verkrijgen van inkomsten uit vermogen. Dergelijke incidentele crypto-activiteiten, die in beginsel slechts vermogensmutaties behelzen, zijn op zichzelf dan ook niet van invloed op het recht op bijstand. Daarvan hoeft dus ook geen mededeling te worden gedaan aan de bijstandverlenende instantie.
4.3.5.2. Als echter de aan- en verkoop van crypto’s met eigen middelen, gelet op de omvang, de duur en het terugkerende karakter ervan, het algemeen gangbaar vermogensbeheer van de betrokkene overstijgen, dan kunnen die crypto-activiteiten wel van invloed zijn op het recht op bijstand. Crypto-activiteiten die het algemeen gangbaar vermogensbeheer overstijgen kunnen immers worden geacht te zijn gericht op het verkrijgen van inkomsten uit vermogen en moeten daarom gemeld worden aan de bijstandverlenende instantie.
De situatie van appellant
4.3.5.3. De Raad is van oordeel dat uit het door appellant overgelegde transactieoverzicht over de periode van 13 januari 2021 tot en met 17 februari 2022 volgt dat de aan- en verkoop van crypto’s door appellant het algemeen gangbaar vermogensbeheer overstegen. Ook als appellant wordt gevolgd in zijn stelling dat het aantal regels in het transactieoverzicht niet gelijk staat aan het aantal door hem verrichte transacties en dat in bestreden besluit 1 daarom ten onrechte wordt uitgegaan van 2.300 transacties, dan leidt dit niet tot een andere conclusie. Uit het transactieoverzicht blijkt namelijk dat appellant zich in de genoemde periode op meer dan 130 dagen, verspreid over de genoemde periode, met de aan- en verkoop van crypto’s heeft beziggehouden. Hiernaast heeft het college in het verweerschrift in hoger beroep onweersproken vastgesteld dat appellant op ongeveer 600 verschillende tijdstippen aan- of verkooptransacties van crypto’s heeft verricht. Van het incidenteel aan- en verkopen van crypto’s was in het geval van appellant dan ook geen sprake. De stelling van appellant dat hij geen kennis van zaken had en slechts verlies heeft geleden, maakt dit niet anders. Het had hem redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zijn crypto-activiteiten van invloed konden zijn op zijn recht op bijstand. Appellant had dan ook onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling moeten doen van zijn cryptoactiviteiten. Nu hij dit niet heeft gedaan heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. In zoverre slaagt de in 4.1 weergegeven beroepsgrond dus niet.
Het vaststellen van het recht op bijstand
4.4.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of, gelet op de in 4.2.1 en 4.2.2 weergegeven bewijslast, het college aannemelijk heeft gemaakt dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht niet precies kan worden vastgesteld en het gehouden was het recht schattenderwijs vast te stellen. De Raad beantwoordt die vraag om de hierna volgende reden ontkennend.
4.4.1.
Als vaststaand, door het college niet weersproken, moet ervan worden uitgegaan dat het door appellant verstrekte, ongeveer 50 pagina’s tellende, transactieoverzicht van zijn Bitvavo-account alle crypto-activiteiten van appellant in de periode van 13 januari 2021 tot en met 17 februari 2022 bevat. Hoewel dit overzicht dus alle crypto-activiteiten van appellant bevat, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het overzicht niet toereikend is om de inkomsten uit vermogen vast te stellen. Op basis waarvan het college deze conclusie heeft getrokken is echter niet duidelijk. Uit het onderzoeksrapport en de in 1.5 weergegeven reactie van het college van 20 september 2022 blijkt niet dat het college daar gericht onderzoek naar heeft gedaan. Het college heeft dus niet duidelijk gemaakt waarom op basis van het door appellant verstrekte transactieoverzicht de inkomsten uit vermogen en daarmee het recht op bijstand niet kunnen worden vastgesteld. Dit betekent dat bestreden besluit 1 niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering.
4.5.
Uit 4.4.1 volgt dat bestreden besluit 1 in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb is genomen.
4.6.
Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven. De Raad kan de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 niet in stand laten en ook niet zelf in de zaak voorzien. Het is aan het college om aan de hand van het transactieoverzicht van het Bitvavo-account het recht op bijstand vast te stellen dan wel aannemelijk te maken dat het recht niet precies kan worden vastgesteld en met een schatting moet worden volstaan. De Raad zal daarom met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het college opdragen het gebrek in bestreden besluit 1 te herstellen. Met het oog op deze opdracht wordt nog het volgende overwogen.
4.7.
Vooropgesteld wordt dat de bijstand, zoals volgt uit artikel 45 van de PW, in beginsel per maand wordt vastgesteld.
4.8.
Het college heeft zich in bestreden besluit 1 op het standpunt gesteld dat het er ook voor had kunnen kiezen om de verkoopopbrengsten van de crypto’s als inkomen aan te merken en dat de aankoopbedragen van de crypto’s moeten worden gezien als verwervingskosten, waarmee bij de bepaling van het inkomen voor de bijstand geen rekening kan worden gehouden. De Raad volgt het standpunt over de verwervingskosten om de volgende reden niet.
4.8.1.
Verwervingskosten zijn kosten die worden gemaakt om inkomen te kunnen verwerven. Het college heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat de aankoopbedragen van de crypto’s moeten worden aangemerkt als verwervingskosten verwezen naar een uitspraak van de Raad van 2 januari 2018. In die uitspraak oordeelde de Raad, voor zover hier van belang, dat de door de betrokkene als schulden benoemde kosten van inzet aan het pokerspel gelijk te stellen zijn met verwervingskosten. Anders dan bij de inzet bij het pokerspel, waarbij geld wordt betaald om aan het spel mee te kunnen doen, wordt met de aankoop van crypto’s een vermogensbestanddeel (geld) omgezet in een ander soort vermogensbestanddeel (crypto’s). Het gaat bij deze aankoopbedragen, zoals in 4.3.5.1 tot uitdrukking is gebracht, om vermogensmutaties en niet om kosten die worden gemaakt om inkomen te verwerven. Er is dan ook geen grond om die bedragen bij de vaststelling van het inkomen uit vermogen buiten beschouwing te laten.
Bestreden besluit 2: de boete
4.8.
Het college heeft, onder verwijzing naar wat in 4.3.5.3 is overwogen en anders dan appellant heeft aangevoerd, aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.
4.9.
Gelet op de in 4.6 vermelde opdracht aan het college om het gebrek te herstellen, wordt iedere verdere beslissing, ook met betrekking tot de door het college opgelegde boete, aangehouden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep draagt het college op het gebrek in de besluiten van 30 november 2022 en 2 januari 2023 binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.F. Claessens en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van M. Ramanand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.
(getekend) E.J.M. Heijs
De griffier is verhinderd te ondertekenen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. (…)
Artikel 18a
1. Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid , en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid , en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen niet opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand of studietoeslag als bedoeld in artikel 36b is ontvangen.3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.(…)
Artikel 19, eerste en tweede lid
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien:a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm; enb. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
2. De hoogte van de algemene bijstand is het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm.
Artikel 31, eerste lid
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. (…)
Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a
Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen (…)
Artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, zoals dit luidde ten tijde van belang
Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;
Artikel 45, eerste lid
De algemene bijstand wordt per kalendermaand vastgesteld en betaald. (…)
Artikel 54, derde lid, eerste volzin, zoals dit luidde ten tijde van belang
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 7:12, eerste lid
De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. (…)
Artikel 8:51d
Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. (…)
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.
Vergelijk de uitspraak van 27 augustus 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE7159.
ECLI:NL:CRVB:2018:7.