Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1010

2026-08-04 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/2791 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/2791 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van bijstand. Woonplaats. Geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Geen dringende redenen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat een toezegging is gedaan. Zij stelt dat de toestemming om buiten haar woonplaats te verblijven telefonisch is verleend, maar de consulent die de toestemming zou hebben verleend ontkent dit. Enige (verdere) onderbouwing van de toezegging ontbreekt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.807 tekens)
24/2791 PW


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 november 2024, 23/12542 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling samenwerking de Bevelanden (dagelijks bestuur)








Datum uitspraak: 4 augustus 2026

SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over een intrekking en terugvordering van bijstand. Het dagelijks bestuur is daartoe overgegaan omdat appellante niet woonachtig was binnen de gemeente Goes en zij dus geen recht op bijstand had van het dagelijks bestuur. Volgens appellante verbleef zij met toestemming van het dagelijks bestuur buiten de gemeente Goes . Daarnaast voert zij aan dat er dringende redenen zijn om (deels) af te zien van terugvordering. De Raad geeft appelante geen gelijk.





PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.E. de Glopper, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 juni 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S.J. Nijssen, advocaat en kantoorgenoot van mr. De Glopper. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C.M. Sandoz.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Appellante ontving sinds 18 januari 2018 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm van een alleenstaande. Het dagelijks bestuur heeft appellante met een brief van 27 juli 2020 toestemming gegeven om met behoud van bijstand buiten [woonplaats] , namelijk in [plaats 1] en omstreken, te verblijven gedurende een door appellante te volgen revalidatietraject aldaar. Het dagelijks bestuur heeft daarbij de voorwaarde gesteld dat appellante haar revalidatieschema over de gehele periode van haar verblijf buiten [woonplaats] zou doorgeven. Volgens de door appellante aangeleverde afsprakenoverzichten was de eindevaluatie van het revalidatietraject op 30 september 2020.


1.2.
Een sociaal rechercheur van de gemeenschappelijke regeling de Bevelanden is naar aanleiding van een melding van 21 november 2022 dat appellante bijna nooit thuis is, eind 2022 een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 mei 2023.


1.3.

Het dagelijks bestuur heeft in deze bevindingen reden gezien om met een besluit van 2 mei 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 14 november 2023 (bestreden besluit), de bijstand van appellante vanaf 1 januari 2021 in te trekken en kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2021 tot en met 23 april 2023 tot een bedrag van € 24.440,48 van appellante terug te vorderen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij haar hoofdverblijf niet in [woonplaats] heeft.

Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellante


3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering van bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de te beoordelen periode, van 1 januari 2021 tot en met 2 mei 2023, haar hoofdverblijf buiten de gemeente Goes had.


4.2.
Appellante doet allereerst een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij met toestemming van het dagelijks bestuur buiten de gemeente verbleef, omdat zij in de regio [plaats 1] medische behandelingen moest ondergaan en daar revalideerde. Zij had telefonisch toestemming gekregen om, net als eerder, in verband met behandelingen en operaties in [plaats 2] te verblijven. Deze grond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.

4.2.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.


4.2.2.
Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gestelde toezegging is gedaan. Appellante stelt dat de toestemming om in [plaats 2] te verblijven telefonisch is verleend, maar de consulent die de toestemming zou hebben verleend ontkent dit. Enige (verdere) onderbouwing van de toezegging ontbreekt. Dat de door appellante gestelde toestemming is verleend is ook overigens niet aannemelijk. De eerdere toestemming betrof uiteindelijk een periode van ongeveer acht weken en appellante moest in die periode opgave doen van alle behandelingen in die periode. De nu te beoordelen periode loopt van 1 januari 2021 tot en met 2 mei 2023, terwijl over deze periode niet gesteld en ook niet gebleken is van enige opgave van behandelingen of een verplichting daartoe.



4.3.
Appellante heeft verder aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Ook deze grond slaagt niet en daartoe is het volgende van belang.

4.3.1.
Het dagelijks bestuur is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het dagelijks bestuur besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.


4.3.2.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.


4.3.3.
Het dagelijks bestuur heeft wat appellante heeft aangevoerd bij afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aan te merken om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet (deels) van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Daarbij is het volgende van belang. Dat appellante, zoals zij stelt, door medische omstandigheden genoodzaakt was om haar hoofdverblijf naar [plaats 2] te verplaatsen, vindt geen steun in de gedingstukken. Een eventuele medische noodzaak om het verblijf te verplaatsen laat bovendien onverlet dat appellante dat had moeten melden bij het dagelijks bestuur. Appellante wist ook dat zij dit moest melden aangezien ze eerder om dezelfde reden toestemming heeft gevraagd en gekregen van het dagelijks bestuur om buiten [woonplaats] te verblijven. Appellante heeft verder aangevoerd dat zij veel stress ervaart van de terugvordering, maar heeft niet geconcretiseerd en onderbouwd wat de gevolgen hiervan zijn, bijvoorbeeld voor haar gezondheid.





Conclusie en gevolgen


4.4.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en de terugvordering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.






(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) R.R. Olde Engberink



Zie de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.


ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.