Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2022:542

2022-03-08 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 21/2376 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2022-03-08
Publicatiedatum
2022-03-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
21/2376 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van bijstand. Op geld waardeerbare werkzaamheden als DJ. Er bestaan onvoldoende aanknopingspunten om het recht op bijstand schattenderwijs te kunnen vaststellen. Daarbij is van belang dat de optredens die appellant heeft opgegeven en de door het college geconstateerde optredens niet met elkaar overeenstemmen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.287 tekens)
212376 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juni 2021, 20/2834 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



het college van burgemeester en wethouders van Vught (college)




Datum uitspraak: 8 maart 2022



Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: B. van Dijk
Appellant heeft via videobellen aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door mr. E. Schriemer. Het college heeft zich, eveneens via videobellen, laten vertegenwoordigen door M. van Galen.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.



Het gaat in deze zaak om de intrekking van bijstand per 1 januari 2019 en een terugvordering van gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 14.968,93. Het college heeft de bijstand ingetrokken omdat appellant als DJ op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in verschillende steden, waaronder Amsterdam, Stuttgart, Berlijn, Hamburg, Wenen, Antwerpen, Zurich en Oslo. Omdat het door appellant desgevraagd verstrekte overzicht niet overeenstemt met de data van optredens zoals die blijken uit flyers, foto’s en filmpjes, appellant ook op de radio DJ optredens heeft verricht, hij geen inzicht heeft geboden in de omvang daarvan en hij verder ook geen duidelijkheid heeft gegeven over de duur van zijn verblijf in het buitenland, kan het recht op bijstand volgens het college niet worden vastgesteld. De rechtbank heeft die besluitvorming in stand gelaten.



Het gaat in deze zaak uitsluitend om de vraag of het recht op bijstand schattenderwijs kan worden vastgesteld. De Raad is van oordeel dat daartoe onvoldoende aanknopingspunten bestaan. Daarbij is van belang dat de optredens die appellant heeft opgegeven en de door het college geconstateerde optredens niet met elkaar overeenstemmen. Appellant stelt dat een deel van deze optredens niet heeft plaatsgevonden, maar daarvoor heeft hij geen enkele onderbouwing geleverd. Ook indien wordt uitgegaan van een cumulatie van de optredens, dan nog kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld omdat niet duidelijk is welke inkomsten appellant in verband met deze optredens heeft genoten. De vergoedingen die DJ’s ontvangen voor hun werkzaamheden lopen enorm uiteen en geen enkel inzicht bestaat in de vergoedingen die appellant voor zijn optredens heeft ontvangen of heeft kunnen bedingen. Het door appellant kort voor de zitting overgelegde overzicht van erieri.com biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten, nu daarin wordt uitgegaan van een gemiddeld inkomen van een DJ. Het overzicht biedt geen duidelijkheid over de door appellant genoten inkomsten. Bovendien worden in dat overzicht naast het uurloon van € 25,-, bonussen van gemiddeld € 1.154,- genoemd. De Raad ziet geen aanleiding om in het geval van appellant, die door een professioneel bureau wordt bemiddeld en vele optredens in het buitenland heeft verricht, uit te gaan van een beginnende DJ die gemiddeld € 25,-, of € 100,- per uur zou verdienen. De door appellant genoemde zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 17 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1185, en waarin werd uitgegaan van een uurloon van € 163,-, is niet vergelijkbaar met deze zaak. In die zaak was niet in geschil dat sprake was van een beginnende DJ die slechts drie keer een optreden van korte duur had gegeven en is bovendien aangesloten bij een door het college gemaakte schatting.



Dit betekent dat de gronden niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.



Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Waarvan proces-verbaal.



De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer





(getekend) B. van Dijk (getekend) P.W. van Straalen