Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2022:2570
2022-11-22
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
20 / 4341 PW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:CRVB:2022:2570 → ECLI:NL:RBZWB:2020:5506 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Geen bijzondere Bijstand voor gordijnen en vloerbedekking na verhuizing. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verhuizing noodzakelijk was. Daaruit volgt dan ook de kosten van woninginrichting niet noodzakelijk zijn.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2018:724 Centrale Raad van Beroep 06-03-2018
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:9049 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-12-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (3.067 tekens)
204341 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 november 2020, 20/4721 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 22 november 2022
Zitting heeft: M. Hillen
Griffier: B. Beerens
Voor appellante is F. Kaloudis verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.C.J.P. Melsen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van gordijnen en vloerbedekking die verband houden met de verhuizing van appellante naar een ander woonadres. Het college heeft de aanvraag bij besluit van 5 november 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 januari 2020, afgewezen omdat geen sprake is van een noodzakelijke verhuizing. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van
16 januari 2020 ongegrond verklaard.
2. Vaststaat dat appellante is verhuisd vanuit een woning naar een andere woning. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de verhuizing noodzakelijk was. Zij heeft in dat kader aangevoerd dat zij met haar vijf kinderen in een kleine flat woonde. Dat leverde zodanig veel stress op dat de situatie onhoudbaar werd. Gezien de plotselinge onvoorziene verhuizing heeft zij niet kunnen reserveren voor de kosten van woninginrichting. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3. Omdat appellante een beroep doet op bijzondere bijstand, moet zij aannemelijk maken dat de verhuizing noodzakelijk was. Daarin is zij niet geslaagd. Concrete bewijsstukken, waaruit de noodzaak blijkt om op grond van medische dan wel sociale redenen te verhuizen, ontbreken. Als de verhuizing niet noodzakelijk is, volgt daaruit ook dat de kosten van woninginrichting niet noodzakelijk zijn. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:724. Of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, behoeft dan geen bespreking meer. Dit betekent dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van gordijnen en vloerbedekking terecht heeft afgewezen, omdat geen sprake was van noodzakelijke kosten.
4. De in hoger beroep aangevoerde grond slaagt niet.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) B. Beerens (getekend) M. Hillen
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 november 2020, 20/4721 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 22 november 2022
Zitting heeft: M. Hillen
Griffier: B. Beerens
Voor appellante is F. Kaloudis verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.C.J.P. Melsen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van gordijnen en vloerbedekking die verband houden met de verhuizing van appellante naar een ander woonadres. Het college heeft de aanvraag bij besluit van 5 november 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 januari 2020, afgewezen omdat geen sprake is van een noodzakelijke verhuizing. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van
16 januari 2020 ongegrond verklaard.
2. Vaststaat dat appellante is verhuisd vanuit een woning naar een andere woning. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de verhuizing noodzakelijk was. Zij heeft in dat kader aangevoerd dat zij met haar vijf kinderen in een kleine flat woonde. Dat leverde zodanig veel stress op dat de situatie onhoudbaar werd. Gezien de plotselinge onvoorziene verhuizing heeft zij niet kunnen reserveren voor de kosten van woninginrichting. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3. Omdat appellante een beroep doet op bijzondere bijstand, moet zij aannemelijk maken dat de verhuizing noodzakelijk was. Daarin is zij niet geslaagd. Concrete bewijsstukken, waaruit de noodzaak blijkt om op grond van medische dan wel sociale redenen te verhuizen, ontbreken. Als de verhuizing niet noodzakelijk is, volgt daaruit ook dat de kosten van woninginrichting niet noodzakelijk zijn. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:724. Of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, behoeft dan geen bespreking meer. Dit betekent dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van gordijnen en vloerbedekking terecht heeft afgewezen, omdat geen sprake was van noodzakelijke kosten.
4. De in hoger beroep aangevoerde grond slaagt niet.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) B. Beerens (getekend) M. Hillen