Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2019:487

2019-01-16 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 16/7470 WW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2019-01-16
Publicatiedatum
2019-02-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
16/7470 WW-PV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Onvoldoende procesbelang.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.964 tekens)
167470 WW-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer











Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 november 2016, 16/2856 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)




Datum uitspraak: 16 januari 2019



Zitting hebben: mrs. H.G. Rottier, B.M. van Dun en S. Wijna
Griffier: P.B. van Onzenoort



Ter zitting zijn verschenen: T. van de Weert en M.K. Affia voor het Uwv





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.



Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.



Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4946) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en of het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.



Het vloeit uit de wet voort dat een appellant belanghebbende moet zijn bij een beslissing. Het belanghebbende-begrip heeft twee kanten. In juridische zin moet een appellant een belanghebbende zijn en er moet een feitelijke component aanwezig zijn: het resultaat dat een betrokkene wil bereiken met het hoger beroep moet feitelijke betekenis kunnen hebben.



Het resultaat dat appellant met het hoger beroep nastreeft, kan geen feitelijke betekenis hebben. Appellants WW-uitkering is met ingang van 13 november 2015 geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Appellant heeft echter vanaf 12 november 2015 een Ziektewet-uitkering ontvangen en aansluitend een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Het ontvangen van een Ziektewet-uitkering en een loongerelateerde WGA-uitkering vormen op grond van artikel 19 van de WW een uitsluitingsgrond. Dat betekent dat appellant per 13 november 2015 geen recht kan hebben op een WW-uitkering. Dat betekent dat met deze procedure voor appellant geen feitelijk resultaat kan worden bereikt. Er is daarmee geen procesbelang en daarom is het hoger beroep
niet-ontvankelijk.



Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



Waarvan proces-verbaal.



De griffier De voorzitter



(getekend) P.B. van Onzenoort (getekend) H.G. Rottier





md