Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2019:3757

2019-11-27 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 18-4688 ZWV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2019-11-27
Publicatiedatum
2019-11-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
18-4688 ZWV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Appellant is als verdragsgerechtigde aangemerkt waardoor hij recht heeft op zorg in zijn woonland (Spanje) ten laste van Nederland. CAK heeft bepaald dat hiervoor op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) een bijdrage (buitenlandbijdrage) verschuldigd is. Appellant heeft zich in hoger beroep beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en verwijst daarnaar. Geen aanleiding voor stellen van prejudiciële vragen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.809 tekens)
184688 ZVW


Datum uitspraak: 27 november 2019




Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer











Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 juli 2018, 18/1428 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] , Spanje (appellant)




CAK



PROCESVERLOOP



Appellant heeft hoger beroep ingesteld.



CAK heeft een verweerschrift ingediend.



Appellant heeft daarop gereageerd en nadere stukken ingezonden.



CAK heeft een nader stuk ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2019. Appellant is verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Imhof.





OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.



1.1.
Appellant woont in Spanje en ontving in 2016 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en pensioenen van de Stichting [Stichting 1] , Stichting [Stichting 2] en [N.V.] N.V.



1.2.
CAK heeft appellant op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo. 883/2004) als verdragsgerechtigde aangemerkt waardoor hij recht heeft op zorg in zijn woonland (Spanje) ten laste van Nederland. CAK heeft verder bepaald dat hij hiervoor op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) een bijdrage (buitenlandbijdrage) verschuldigd is.



1.3.
Bij besluit van 13 september 2017 heeft CAK de voorlopige jaarafrekening van 2016 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdrage over 2016 is vastgesteld op € 1.009,46. Na verrekening van inhoudingen en rente resulteert dit in een teruggave van € 145,88.



1.4.
Bij besluit van 23 januari 2018 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 september 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om af te wijken van vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraken van 26 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6362, 7 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1941 en ECLI:NL:CRVB:2011:BT2319). Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat CAK de buitenlandbijdrage onjuist heeft vastgesteld, dat de Nederlandse rechter de inhoud van de Spaanse belastingwetgeving en de wijze van inning van die belastingen niet kan toetsen en dat zij geen aanleiding ziet om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft herhaald wat hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Volgens appellant deugt het huidige systeem van de buitenlandbijdragen niet omdat hij zowel in Spanje als in Nederland een bijdrage betaalt voor zorg.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



4.1.
Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellant heeft zich beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden.



4.2.
De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en verwijst daarnaar. Voor inwilliging van het ter zitting herhaalde verzoek om prejudiciële vragen te stellen bestaat geen aanleiding gelet op wat door de rechtbank onder 4.4 van de aangevallen uitspraak is overwogen.



4.3.
Uit wat onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.A. Boersma en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2019.





(getekend) J. Brand





(getekend) M. Graveland






JL