Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2018:840

2018-03-21 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 17/2620 WW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-03-21
Publicatiedatum
2018-03-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
17/2620 WW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dagloon WW-uitkering. Het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 zal niet-ontvankelijk worden verklaard omdat er geen procesbelang meer bestaat, omdat betrokkene het eens is met de hoogte van het bij dat besluit vastgestelde dagloon.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.455 tekens)
172620 WW, 17/8215 WW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2017, 16/3739 (aangevallen uitspraak)







Partijen:



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)




[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)




Datum uitspraak: 21 maart 2018



PROCESVERLOOP



Appellant heeft hoger beroep ingesteld.



Appellant heeft op 31 augustus 2017 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) ingediend.



Betrokkene heeft een reactie ingediend.



Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.





OVERWEGINGEN


1.1.
Bij besluit van 9 november 2016 heeft appellant betrokkene met ingang van 14 november 2016 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). De hoogte van de WW-uitkering heeft het Uwv gebaseerd op een maandloon van € 1.148,40 dat is afgeleid van een dagloon van € 52,80.



1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 8 december 2016 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 9 november 2016 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft, met verwijzing naar de tussenuitspraak van 17 maart 2016 van de rechtbank Oost-Brabant, ECLI:NL:RBOBR:2016:1181, en de einduitspraak van 25 april 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:1953, het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld en stelt zich op het standpunt dat de wettelijke bepalingen inzake de dagloonvaststelling dwingendrechtelijk van aard zijn en aan het Uwv niet de bevoegdheid is gegeven om daarvan af te wijken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



4.1.
In reactie op en in lijn met de uitspraken van de Raad van 26 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1474, ECLI:NL:CRVB:2017:1475 en ECLI:NL:CRVB:2017:1476, heeft appellant bij bestreden besluit 2 het dagloon vastgesteld op € 78,75 door in plaats van door 261 door 175 dagloondagen te delen.



4.2.
Appellant heeft het hoger beroep niet ingetrokken. Bestreden besluit 2 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.



4.3.
In reactie op bestreden besluit 2 heeft betrokkene bij brief van 20 november 2017 verklaard dat tegemoet is gekomen aan haar bezwaren tegen het besluit van 9 november 2016.



4.4.
Het hoger beroep zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Appellant heeft bij bestreden besluit 2 in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad, voldaan aan de opdracht van de rechtbank en heeft geen belang meer bij een rechterlijk oordeel.



4.5.
Het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 zal niet-ontvankelijk worden verklaard omdat er geen procesbelang meer bestaat, omdat betrokkene het eens is met de hoogte van het bij dat besluit vastgestelde dagloon.


5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep




verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk;


verklaart het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2017 niet-ontvankelijk;


bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 501,- wordt geheven.





Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018.





(getekend) H.G. Rottier





(getekend) M.D.F. de Moor





NW