Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2018:3459
2018-10-16
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
17/3662 PW-VV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geen grond voor wijziging norm met terugwerkende kracht.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690 Centrale Raad van Beroep 21-03-2006
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.849 tekens)
173662 PW-PV
Datum uitspraak: 16 oktober 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 april 2017, 16/5403 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)
Zitting heeft: W.H. Bel, lid van de enkelvoudige kamer.
Griffier: F.H.R.M. Robbers.
Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Bij besluit van 13 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 augustus 2016 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek van appellante afgewezen om de norm van haar bijstand voor de periode van januari 2011 tot en met december 2014 te wijzigen naar de norm voor een alleenstaande ouder.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante net als in beroep aangevoerd dat wat is afgesproken in de echtscheidingsprocedure nooit is uitgevoerd en dat zij over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2014 recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.
4. Volgens vaste rechtspraak inzake de toepassing van artikel 43 en 44 van de
Wet werk en bijstand, welke rechtspraak zijn gelding heeft behouden onder de Participatiewet (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690), bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
5. De rechtbank heeft, anders dan appellante aanvoert, terecht geoordeeld dat in dit geval niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat het college met terugwerkende kracht bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder moest verlenen.
6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) F.H.R.M. Robbers (getekend) W.H. Bel
md
Datum uitspraak: 16 oktober 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 april 2017, 16/5403 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)
Zitting heeft: W.H. Bel, lid van de enkelvoudige kamer.
Griffier: F.H.R.M. Robbers.
Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Bij besluit van 13 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 augustus 2016 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek van appellante afgewezen om de norm van haar bijstand voor de periode van januari 2011 tot en met december 2014 te wijzigen naar de norm voor een alleenstaande ouder.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante net als in beroep aangevoerd dat wat is afgesproken in de echtscheidingsprocedure nooit is uitgevoerd en dat zij over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2014 recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.
4. Volgens vaste rechtspraak inzake de toepassing van artikel 43 en 44 van de
Wet werk en bijstand, welke rechtspraak zijn gelding heeft behouden onder de Participatiewet (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690), bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
5. De rechtbank heeft, anders dan appellante aanvoert, terecht geoordeeld dat in dit geval niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat het college met terugwerkende kracht bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder moest verlenen.
6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) F.H.R.M. Robbers (getekend) W.H. Bel
md