Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690
2006-03-21
Bestuursrecht
05-24 WWB
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ingangsdatum bijstandsuitkering. Geen terugwerkende kracht. Geen sprake van bijzondere omstandigheden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (154)
- ECLI:NL:RBMNE:2025:5186 Rechtbank Midden-Nederland 24-09-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:5336 Rechtbank Gelderland 08-07-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2023:4510 Rechtbank Midden-Nederland 14-08-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:1900 Rechtbank Limburg 15-03-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:361 Centrale Raad van Beroep 27-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:651 Rechtbank Den Haag 17-01-2023
- ECLI:NL:CRVB:2022:2102 Centrale Raad van Beroep 20-09-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1096 Centrale Raad van Beroep 16-05-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:680 Centrale Raad van Beroep 22-03-2022
- ECLI:NL:CRVB:2021:3242 Centrale Raad van Beroep 21-12-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2021:6067 Rechtbank Amsterdam 22-10-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:2348 Centrale Raad van Beroep 21-09-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:2172 Centrale Raad van Beroep 31-08-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:2179 Centrale Raad van Beroep 31-08-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1990 Centrale Raad van Beroep 10-08-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1647 Centrale Raad van Beroep 06-07-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1652 Centrale Raad van Beroep 06-07-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1084 Centrale Raad van Beroep 11-05-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:1762 Rechtbank Midden-Nederland 29-04-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:814 Centrale Raad van Beroep 13-04-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:386 Centrale Raad van Beroep 23-02-2021
- ECLI:NL:CRVB:2020:2972 Centrale Raad van Beroep 17-11-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2835 Centrale Raad van Beroep 10-11-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2804 Centrale Raad van Beroep 03-11-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2586 Centrale Raad van Beroep 20-10-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2528 Centrale Raad van Beroep 20-10-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2325 Centrale Raad van Beroep 29-09-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2323 Centrale Raad van Beroep 29-09-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2040 Centrale Raad van Beroep 25-08-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:1967 Centrale Raad van Beroep 18-08-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:1807 Centrale Raad van Beroep 11-08-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:1966 Centrale Raad van Beroep 11-08-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:1242 Centrale Raad van Beroep 09-06-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:1870 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-04-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:1442 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-03-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:3662 Rechtbank Den Haag 24-03-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:73 Centrale Raad van Beroep 14-01-2020
- ECLI:NL:CRVB:2019:4312 Centrale Raad van Beroep 18-12-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:4162 Centrale Raad van Beroep 17-12-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:3538 Centrale Raad van Beroep 12-11-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:3306 Centrale Raad van Beroep 21-10-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:2798 Centrale Raad van Beroep 20-08-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:2399 Centrale Raad van Beroep 23-07-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:2171 Centrale Raad van Beroep 02-07-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:1778 Centrale Raad van Beroep 28-05-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:1080 Centrale Raad van Beroep 12-03-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:917 Centrale Raad van Beroep 19-02-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:427 Centrale Raad van Beroep 15-01-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:39 Centrale Raad van Beroep 08-01-2019
- ECLI:NL:CRVB:2018:3808 Centrale Raad van Beroep 27-11-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:3449 Centrale Raad van Beroep 30-10-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:3264 Centrale Raad van Beroep 16-10-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:3459 Centrale Raad van Beroep 16-10-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2637 Centrale Raad van Beroep 21-08-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2406 Centrale Raad van Beroep 07-08-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2419 Centrale Raad van Beroep 24-07-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2407 Centrale Raad van Beroep 24-07-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:1984 Centrale Raad van Beroep 03-07-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:1874 Centrale Raad van Beroep 26-06-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:1378 Centrale Raad van Beroep 08-05-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (6.110 tekens)
05/24 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 december 2004, reg.nr. 04/1622.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 februari 2006, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. A.M.J. Borgart, mr. M.M.A. Rijnders en mr. H.J. Hoogland, allen werkzaam bij de gemeente Wageningen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft zich op 27 februari 2004 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: de CWI) met het verzoek om bijstand van de gemeente Wageningen. Op het formulier “Aanvraag en inlichtingen WWB” heeft appellant vraag 1.4. luidende: “Wilt u de uitkering in laten gaan op een andere datum dan uw eerste melding CWI ?” ontkennend beantwoord.
Bij besluit van 24 maart 2004 heeft gedaagde appellant met ingang van 27 februari 2004 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend.
Appellant heeft tegen de in het besluit van 24 maart 2004 vastgestelde ingangsdatum bezwaar gemaakt en gedaagde verzocht hem met ingang van 28 januari 2004 bijstand toe te kennen. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij is verhuisd van ’s-Gravenhage naar Wageningen en dat de gemeente ’s-Gravenhage zijn bijstandsuitkering over februari 2004 niet meer heeft uitbetaald
Bij besluit van 13 mei 2004 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 maart 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 mei 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 41, eerste lid, van de WWB is de hoofdregel opgenomen dat een aanvraag om algemene bijstand bij de CWI wordt ingediend en dat deze na overdracht verder door het college van burgemeester en wethouders wordt behandeld. In de drie volgende leden van het artikel zijn voorts uitzonderingen op de hoofdregel (tweede lid) en afwijkingsmogelijkheden (derde en vierde lid) vermeld.
In artikel 44, eerste lid, van de WWB is geregeld dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van melding, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Het tweede lid bepaalt voorts wanneer van een melding bij de CWI of bij burgemeester en wethouders kan worden gesproken, terwijl het derde lid de mogelijkheid biedt om bij verwijtbaar latere indiening van de aanvraag de aanvraagdatum als ingangsdatum te nemen om te voorkomen dat er teveel tijd verstrijkt tussen de melding en de aanvraag.
Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 67, 63a en 68a van de Algemene bijstandswet (Abw) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij de CWI heeft plaatsgevonden, dan wel in voorkomende gevallen de bijstandsaanvraag is ingediend (onder meer CRvB
8 maart 2005, LJN AT0209). Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
Nu de artikelen 41, 43, en 44 van de WWB in essentie niet anders luiden dan de artikelen 67, 63a en 68a van de Abw, en niet is gebleken dat de wetgever heeft beoogd ter zake een andere regeling te treffen, is de Raad van oordeel dat de rechtspraak inzake de toepassing van de artikelen 67, 63a en 68a van de Abw haar gelding blijft behouden onder de WWB.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of gedaagde in de door appellant aangevoerde omstandigheden aanleiding had moeten vinden hem met ingang van 28 januari 2004 - en derhalve met terugwerkende kracht - bijstand toe te kennen.
Naar het oordeel van de Raad dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Appellant heeft ter zitting van de rechtbank aangegeven dat hij eind januari 2004 van ’s-Gravenhage naar Wageningen is verhuisd. Het is de Raad niet gebleken dat appellant zich niet eerder dan op 27 februari 2004 bij de CWI had kunnen melden. Dat er wellicht eerder informatief contact tussen appellant en ambtenaren van de gemeente Wageningen is geweest doet hieraan niet af. Overigens heeft appellant op zijn aanvraagformulier uitdrukkelijk aangegeven dat hij bijstand aanvraagt met ingang van de datum waarop hij zich bij de CWI heeft gemeld. Ook het enkele feit dat de gemeente ’s-Gravenhage - wegens onduidelijkheid omtrent de verblijfplaats van appellant - aanleiding heeft gezien het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2004 te beëindigen, heeft niet tot gevolg dat gedaagde bijzondere omstandigheden dient aan te nemen.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat gedaagde de ingangsdatum op goede gronden op 27 februari 2004 heeft gesteld.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Gelet op het voorgaande kan van de door appellant verzochte veroordeling van gedaagde tot schadevergoeding geen sprake zijn.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om een veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2006.
(get) Th.C. van Sloten.
(get) A.H. Polderman-Eelderink.
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 december 2004, reg.nr. 04/1622.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 februari 2006, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. A.M.J. Borgart, mr. M.M.A. Rijnders en mr. H.J. Hoogland, allen werkzaam bij de gemeente Wageningen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft zich op 27 februari 2004 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: de CWI) met het verzoek om bijstand van de gemeente Wageningen. Op het formulier “Aanvraag en inlichtingen WWB” heeft appellant vraag 1.4. luidende: “Wilt u de uitkering in laten gaan op een andere datum dan uw eerste melding CWI ?” ontkennend beantwoord.
Bij besluit van 24 maart 2004 heeft gedaagde appellant met ingang van 27 februari 2004 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend.
Appellant heeft tegen de in het besluit van 24 maart 2004 vastgestelde ingangsdatum bezwaar gemaakt en gedaagde verzocht hem met ingang van 28 januari 2004 bijstand toe te kennen. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij is verhuisd van ’s-Gravenhage naar Wageningen en dat de gemeente ’s-Gravenhage zijn bijstandsuitkering over februari 2004 niet meer heeft uitbetaald
Bij besluit van 13 mei 2004 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 maart 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 mei 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 41, eerste lid, van de WWB is de hoofdregel opgenomen dat een aanvraag om algemene bijstand bij de CWI wordt ingediend en dat deze na overdracht verder door het college van burgemeester en wethouders wordt behandeld. In de drie volgende leden van het artikel zijn voorts uitzonderingen op de hoofdregel (tweede lid) en afwijkingsmogelijkheden (derde en vierde lid) vermeld.
In artikel 44, eerste lid, van de WWB is geregeld dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van melding, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Het tweede lid bepaalt voorts wanneer van een melding bij de CWI of bij burgemeester en wethouders kan worden gesproken, terwijl het derde lid de mogelijkheid biedt om bij verwijtbaar latere indiening van de aanvraag de aanvraagdatum als ingangsdatum te nemen om te voorkomen dat er teveel tijd verstrijkt tussen de melding en de aanvraag.
Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 67, 63a en 68a van de Algemene bijstandswet (Abw) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij de CWI heeft plaatsgevonden, dan wel in voorkomende gevallen de bijstandsaanvraag is ingediend (onder meer CRvB
8 maart 2005, LJN AT0209). Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
Nu de artikelen 41, 43, en 44 van de WWB in essentie niet anders luiden dan de artikelen 67, 63a en 68a van de Abw, en niet is gebleken dat de wetgever heeft beoogd ter zake een andere regeling te treffen, is de Raad van oordeel dat de rechtspraak inzake de toepassing van de artikelen 67, 63a en 68a van de Abw haar gelding blijft behouden onder de WWB.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of gedaagde in de door appellant aangevoerde omstandigheden aanleiding had moeten vinden hem met ingang van 28 januari 2004 - en derhalve met terugwerkende kracht - bijstand toe te kennen.
Naar het oordeel van de Raad dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Appellant heeft ter zitting van de rechtbank aangegeven dat hij eind januari 2004 van ’s-Gravenhage naar Wageningen is verhuisd. Het is de Raad niet gebleken dat appellant zich niet eerder dan op 27 februari 2004 bij de CWI had kunnen melden. Dat er wellicht eerder informatief contact tussen appellant en ambtenaren van de gemeente Wageningen is geweest doet hieraan niet af. Overigens heeft appellant op zijn aanvraagformulier uitdrukkelijk aangegeven dat hij bijstand aanvraagt met ingang van de datum waarop hij zich bij de CWI heeft gemeld. Ook het enkele feit dat de gemeente ’s-Gravenhage - wegens onduidelijkheid omtrent de verblijfplaats van appellant - aanleiding heeft gezien het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2004 te beëindigen, heeft niet tot gevolg dat gedaagde bijzondere omstandigheden dient aan te nemen.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat gedaagde de ingangsdatum op goede gronden op 27 februari 2004 heeft gesteld.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Gelet op het voorgaande kan van de door appellant verzochte veroordeling van gedaagde tot schadevergoeding geen sprake zijn.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om een veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2006.
(get) Th.C. van Sloten.
(get) A.H. Polderman-Eelderink.