Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2018:1570

2018-05-24 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 17/3142 WUV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-24
Publicatiedatum
2018-05-30
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
17/3142 WUV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid.

Citeert (3)

Geciteerd door (2)

Volledige tekst

Volledige tekst (4.656 tekens)
173142 WUV, 17/3143 WUBO


Datum uitspraak: 24 mei 2018




Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 december 2016, 16/4269 WUV en 16/4271 WUBO







Partijen:



de erven van [naam 2] te [woonplaats] (verzoekers)



de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)




PROCESVERLOOP



Namens verzoekers heeft [naam 1] herziening verzocht van de uitspraak van de Raad van 15 december 2016, 16/4269 WUV en 16/4271 WUBO (ECLI:NL:CRVB:2016:4926).



Verweerder heeft op het verzoekschrift gereageerd.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2018. Verzoekers zijn, met bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.





OVERWEGINGEN

1. Bij uitspraak van 19 mei 2016, 15/8598 WUV en 15/8600 WUBO (ECLI:NL:CRVB:2016:1827) heeft de Raad de beroepen van [naam 2] tegen besluiten van 4 december 2015 ongegrond verklaard. Het betrof de weigeringen om [naam 2] in aanmerking te brengen voor toekenningen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) dan wel de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), waarbij is geoordeeld dat de psychische en lichamelijke klachten van [naam 2] niet aan zijn oorlogservaringen kunnen worden toegeschreven. Bij de uitspraak van 15 december 2016 heeft de Raad een verzoek van

[naam 2] om herziening van de uitspraak van 19 mei 2016 afgewezen.

2. Verzoekers hebben het verzoek om herziening gebaseerd op een verklaring van de longarts bij wie [naam 2] onder behandeling was. Deze longarts stelt dat [naam 2] emotioneel veel bezig was met het verleden en vooral met de ervaringen die hij in de oorlog in het Jappenkamp heeft beleefd. De longarts achter het verder mogelijk dat de longaandoening ook een oorsprong heeft in de slechte gezondheidstoestand van toen.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.



3.2.
Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 11 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7934) kan alleen van een oorspronkelijke uitspraak om herziening worden verzocht en niet van een herzieningsuitspraak. Het voorliggend verzoek om herziening moet dan ook worden opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak van 19 mei 2016.



3.3.
Zoals vermeld in uitspraak van 15 december 2016 is het bijzondere rechtsmiddel van herziening volgens vaste rechtspraak van de Raad niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te openen of om de daarin gedane uitspraak ter discussie te stellen.



3.4.
De Raad is van oordeel dat de verklaring die verzoekers aan het verzoek om herziening ten grondslag hebben gelegd niet kan worden aangemerkt als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, onder a, van de Awb. De verklaring zelf dateert van na de uitspraak. Uit de verklaring blijkt niet van feiten of omstandigheden als bedoeld onder 3.1.



3.5.
Uit 3.4 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.


4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.






BESLISSING



De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.




Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2018.





(getekend) B.J. van de Griend





(getekend) L.V. van Donk








RH