Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2017:2039
2017-05-22
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
14/4561 MPW-W
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om wraking.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2010:BM9141 Hoge Raad 21-09-2010
- ECLI:NL:CRVB:2011:BV8921 Centrale Raad van Beroep 24-10-2011
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:CRVB:2017:2965 Centrale Raad van Beroep 30-08-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (3.762 tekens)
14/4561 MPW-W
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
Datum uitspraak: 22 mei 2017
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juli 2014 (12/8377) in een geding tussen verzoeker en de Minister van Defensie.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2017. De behandelend rechter was mr. M.T. Boerlage (behandelend rechter). Tijdens de zitting heeft verzoeker een verzoek om wraking van de behandelend rechter ingediend.
De behandelend rechter heeft schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek en meegedeeld niet in het wrakingsverzoek te berusten.
Verzoeker en de behandelend rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 15 mei 2017. Verzoeker is in persoon verschenen. De behandelend rechter is, zoals aangekondigd, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2. Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat hij, gelet op eerdere ervaringen met de Nederlandse rechtspraak, die bestaat uit boeven die het dossier niet kennen, geen vertrouwen heeft in die rechtspraak en dus ook niet in de behandelend rechter.
3.1.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
3.2.
De aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegde argumenten bevatten geen gronden waaruit kan worden afgeleid dat verzoeker van mening is dat de behandelend rechter zich jegens hem niet onpartijdig heeft opgesteld. De aangevoerde gronden zijn gericht tegen de Raad als zodanig en zien niet op (de persoon van) de behandelend rechter.
3.3.
Naar vaste rechtspraak (uitspraak van de Raad van 24 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BV8921) is een verzoek om wraking van een rechterlijk college als zodanig geen wrakingsverzoek waarop artikel 8:15 van de Awb ziet. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.P.M. Zeijen en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2017.
(getekend) M. Greebe
(getekend) R.H. Budde
SS
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
Datum uitspraak: 22 mei 2017
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juli 2014 (12/8377) in een geding tussen verzoeker en de Minister van Defensie.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2017. De behandelend rechter was mr. M.T. Boerlage (behandelend rechter). Tijdens de zitting heeft verzoeker een verzoek om wraking van de behandelend rechter ingediend.
De behandelend rechter heeft schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek en meegedeeld niet in het wrakingsverzoek te berusten.
Verzoeker en de behandelend rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 15 mei 2017. Verzoeker is in persoon verschenen. De behandelend rechter is, zoals aangekondigd, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2. Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat hij, gelet op eerdere ervaringen met de Nederlandse rechtspraak, die bestaat uit boeven die het dossier niet kennen, geen vertrouwen heeft in die rechtspraak en dus ook niet in de behandelend rechter.
3.1.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
3.2.
De aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegde argumenten bevatten geen gronden waaruit kan worden afgeleid dat verzoeker van mening is dat de behandelend rechter zich jegens hem niet onpartijdig heeft opgesteld. De aangevoerde gronden zijn gericht tegen de Raad als zodanig en zien niet op (de persoon van) de behandelend rechter.
3.3.
Naar vaste rechtspraak (uitspraak van de Raad van 24 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BV8921) is een verzoek om wraking van een rechterlijk college als zodanig geen wrakingsverzoek waarop artikel 8:15 van de Awb ziet. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.P.M. Zeijen en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2017.
(getekend) M. Greebe
(getekend) R.H. Budde
SS