Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2016:4971
2016-12-07
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
15/6928 ZW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Onderschrijving oordeel rechtbank. Medisch niet onvoldoende beeld van belastbaarheid van appellant op datum in geding. In hoger beroep geen medische informatie overgelegd die aanleiding geeft voor ander oordeel. Rugklachten meegenomen. Geen noodzaak raadpleging behandelend sector.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2015:4920 Centrale Raad van Beroep 30-12-2015
- ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863 Centrale Raad van Beroep 20-05-2009
Geciteerd door (103)
- ECLI:NL:CRVB:2023:2408 Centrale Raad van Beroep 20-12-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:1574 Centrale Raad van Beroep 16-08-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:868 Centrale Raad van Beroep 10-05-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:903 Centrale Raad van Beroep 10-05-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:342 Centrale Raad van Beroep 23-02-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:180 Centrale Raad van Beroep 26-01-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:104 Centrale Raad van Beroep 18-01-2023
- ECLI:NL:CRVB:2022:2676 Centrale Raad van Beroep 14-12-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:2245 Centrale Raad van Beroep 19-10-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:2034 Centrale Raad van Beroep 22-09-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1985 Centrale Raad van Beroep 14-09-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1986 Centrale Raad van Beroep 14-09-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1909 Centrale Raad van Beroep 31-08-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1517 Centrale Raad van Beroep 30-06-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1307 Centrale Raad van Beroep 08-06-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:768 Centrale Raad van Beroep 06-04-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:721 Centrale Raad van Beroep 30-03-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:349 Centrale Raad van Beroep 03-02-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:340 Centrale Raad van Beroep 27-01-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:208 Centrale Raad van Beroep 26-01-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:180 Centrale Raad van Beroep 19-01-2022
- ECLI:NL:CRVB:2021:3135 Centrale Raad van Beroep 13-12-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:3073 Centrale Raad van Beroep 08-12-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:2868 Centrale Raad van Beroep 17-11-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:2761 Centrale Raad van Beroep 10-11-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:2632 Centrale Raad van Beroep 27-10-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:2383 Centrale Raad van Beroep 22-09-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1985 Centrale Raad van Beroep 22-07-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1674 Centrale Raad van Beroep 08-07-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1676 Centrale Raad van Beroep 08-07-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1155 Centrale Raad van Beroep 12-05-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:987 Centrale Raad van Beroep 29-04-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:867 Centrale Raad van Beroep 15-04-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:826 Centrale Raad van Beroep 14-04-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:699 Centrale Raad van Beroep 25-03-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:595 Centrale Raad van Beroep 17-03-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:534 Centrale Raad van Beroep 10-03-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:309 Centrale Raad van Beroep 16-02-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1050 Centrale Raad van Beroep 16-02-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:191 Centrale Raad van Beroep 27-01-2021
- ECLI:NL:CRVB:2020:3326 Centrale Raad van Beroep 24-12-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:3355 Centrale Raad van Beroep 23-12-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:3289 Centrale Raad van Beroep 23-12-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2846 Centrale Raad van Beroep 18-11-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2670 Centrale Raad van Beroep 28-10-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2638 Centrale Raad van Beroep 28-10-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2559 Centrale Raad van Beroep 21-10-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2486 Centrale Raad van Beroep 15-10-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2230 Centrale Raad van Beroep 23-09-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2127 Centrale Raad van Beroep 10-09-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2125 Centrale Raad van Beroep 09-09-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2095 Centrale Raad van Beroep 07-09-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:1977 Centrale Raad van Beroep 25-08-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:1709 Centrale Raad van Beroep 05-08-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:1753 Centrale Raad van Beroep 05-08-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:1671 Centrale Raad van Beroep 29-07-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:1202 Centrale Raad van Beroep 10-06-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:1039 Centrale Raad van Beroep 23-04-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:974 Centrale Raad van Beroep 17-04-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:838 Centrale Raad van Beroep 01-04-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (8.900 tekens)
15/6928 ZW
Datum uitspraak: 7 december 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
4 september 2015, 15/3168 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F.F. Larsson, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2016. Namens appellant is
mr. J. Hemelaar verschenen, kantoorgenoot van mr. Larsson. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.
OVERWEGINGEN
1.1.
Appellant was werkzaam als medewerker cafetaria voor gemiddeld 14,94 uur per week, toen hij zich op 30 april 2013 ziek meldde met rugklachten. Zijn dienstverband is op 1 mei 2013 beëindigd, waarna het Uwv appellant in aanmerking heeft gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
Na een zogenoemde eerstejaars Ziektewetbeoordeling is het recht op ZW-uitkering voortgezet, omdat appellant toen niet duurzaam was te belasten. In het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar heeft appellant op 5 september 2014 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Daarna heeft een arbeidsdeskundige op basis van een drietal geselecteerde functies berekend dat appellant op 5 september 2014 met passend werk meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 16 oktober 2014 vastgesteld dat appellant vanaf
17 november 2014 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 20 maart 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 maart 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 maart 2015 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de uit zijn lichamelijke klachten voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. Appellant heeft daartoe gesteld dat hij lijdt aan diabetes mellitus en dat deze wordt gecompliceerd door forse neuropathie. Het Uwv heeft volgens hem onzorgvuldig gehandeld door geen informatie op te vragen bij zijn behandelend internist-endocrinoloog.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920). Op grond van artikel 19aa, tweede lid, van de ZW bestaat recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop de verzekerde in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.
4.2.
Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om de beoordeling door de verzekeringsarts bewaar en beroep voor onjuist te houden. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden dan ook onderschreven.
4.3.
Uit wat in hoger beroep is aangevoerd kan niet worden afgeleid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvoldoende beeld heeft gehad van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding. Dat appellant diabetes heeft, is bij de beoordeling betrokken. Appellant heeft op het spreekuur van de verzekeringsarts verklaard dat de diabetes met behulp van goede medicatie onder controle is. Appellant heeft daarbij meegedeeld dat hij iets minder hoeft te spuiten. Op de hoorzitting heeft appellant herhaald dat zijn diabetes onder controle is. Er bestond dan ook geen aanleiding in verband met de diabetes informatie op te vragen. Het ter zitting namens appellant ingenomen standpunt dat zijn bloedsuiker in de periode rond de datum in geding niet goed gereguleerd was, vindt geen steun in de gedingstukken. Overwogen wordt verder dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd heeft uiteengezet dat eventuele beperkingen door de diabetes meer dan voldoende worden ondervangen doordat al beperkingen zijn aangenomen voor zwaardere fysieke activiteiten. Er bestaat geen aanleiding om dit inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Appellant heeft in hoger beroep geen nadere medische informatie overgelegd die aanleiding geeft om tot een ander oordeel te komen.
4.4.
Dat appellant rugklachten heeft, is eveneens bij de beoordeling betrokken. De ter zitting namens appellant ingenomen stelling dat (ook) in verband met deze klachten opnieuw informatie had moeten worden ingewonnen, omdat appellant aan zijn rug geopereerd zou gaan worden, slaagt niet. Bij de beoordeling is betrokken dat de al ten tijde van de eerstejaars Ziektewetbeoordeling aangekondigde rugoperatie is uitgesteld wegens een gebrekkige conditie van appellant. Daarbij is rekening gehouden met de reeds aanwezige informatie van de behandelend artsen van 22 december 2013 en van 21 augustus 2014. In verband met de rugklachten van appellant hebben de verzekeringsartsen hem aangewezen op matig rugbelastend werk. Volgens vaste rechtspraak (zie onder andere ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863) is raadpleging van de behandelend sector aangewezen in die gevallen waarin al een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of als een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Geen van deze situaties heeft zich hier voorgedaan. Daarbij wordt van belang geacht dat appellant tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat er geen lopende behandelingen zijn, afgezien van controle door een MDL-arts wegens een al 20 jaar bestaande hepatitis C besmetting.
4.5.
De rechtbank wordt eveneens gevolgd in haar oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 17 maart 2015 voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.
5. Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter, en C.C.W. Lange en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2016.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) G.J. van Gendt
IJ
Datum uitspraak: 7 december 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
4 september 2015, 15/3168 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F.F. Larsson, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2016. Namens appellant is
mr. J. Hemelaar verschenen, kantoorgenoot van mr. Larsson. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.
OVERWEGINGEN
1.1.
Appellant was werkzaam als medewerker cafetaria voor gemiddeld 14,94 uur per week, toen hij zich op 30 april 2013 ziek meldde met rugklachten. Zijn dienstverband is op 1 mei 2013 beëindigd, waarna het Uwv appellant in aanmerking heeft gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
Na een zogenoemde eerstejaars Ziektewetbeoordeling is het recht op ZW-uitkering voortgezet, omdat appellant toen niet duurzaam was te belasten. In het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar heeft appellant op 5 september 2014 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Daarna heeft een arbeidsdeskundige op basis van een drietal geselecteerde functies berekend dat appellant op 5 september 2014 met passend werk meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 16 oktober 2014 vastgesteld dat appellant vanaf
17 november 2014 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 20 maart 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 maart 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 maart 2015 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de uit zijn lichamelijke klachten voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. Appellant heeft daartoe gesteld dat hij lijdt aan diabetes mellitus en dat deze wordt gecompliceerd door forse neuropathie. Het Uwv heeft volgens hem onzorgvuldig gehandeld door geen informatie op te vragen bij zijn behandelend internist-endocrinoloog.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920). Op grond van artikel 19aa, tweede lid, van de ZW bestaat recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop de verzekerde in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.
4.2.
Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om de beoordeling door de verzekeringsarts bewaar en beroep voor onjuist te houden. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden dan ook onderschreven.
4.3.
Uit wat in hoger beroep is aangevoerd kan niet worden afgeleid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvoldoende beeld heeft gehad van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding. Dat appellant diabetes heeft, is bij de beoordeling betrokken. Appellant heeft op het spreekuur van de verzekeringsarts verklaard dat de diabetes met behulp van goede medicatie onder controle is. Appellant heeft daarbij meegedeeld dat hij iets minder hoeft te spuiten. Op de hoorzitting heeft appellant herhaald dat zijn diabetes onder controle is. Er bestond dan ook geen aanleiding in verband met de diabetes informatie op te vragen. Het ter zitting namens appellant ingenomen standpunt dat zijn bloedsuiker in de periode rond de datum in geding niet goed gereguleerd was, vindt geen steun in de gedingstukken. Overwogen wordt verder dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd heeft uiteengezet dat eventuele beperkingen door de diabetes meer dan voldoende worden ondervangen doordat al beperkingen zijn aangenomen voor zwaardere fysieke activiteiten. Er bestaat geen aanleiding om dit inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Appellant heeft in hoger beroep geen nadere medische informatie overgelegd die aanleiding geeft om tot een ander oordeel te komen.
4.4.
Dat appellant rugklachten heeft, is eveneens bij de beoordeling betrokken. De ter zitting namens appellant ingenomen stelling dat (ook) in verband met deze klachten opnieuw informatie had moeten worden ingewonnen, omdat appellant aan zijn rug geopereerd zou gaan worden, slaagt niet. Bij de beoordeling is betrokken dat de al ten tijde van de eerstejaars Ziektewetbeoordeling aangekondigde rugoperatie is uitgesteld wegens een gebrekkige conditie van appellant. Daarbij is rekening gehouden met de reeds aanwezige informatie van de behandelend artsen van 22 december 2013 en van 21 augustus 2014. In verband met de rugklachten van appellant hebben de verzekeringsartsen hem aangewezen op matig rugbelastend werk. Volgens vaste rechtspraak (zie onder andere ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863) is raadpleging van de behandelend sector aangewezen in die gevallen waarin al een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of als een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Geen van deze situaties heeft zich hier voorgedaan. Daarbij wordt van belang geacht dat appellant tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat er geen lopende behandelingen zijn, afgezien van controle door een MDL-arts wegens een al 20 jaar bestaande hepatitis C besmetting.
4.5.
De rechtbank wordt eveneens gevolgd in haar oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 17 maart 2015 voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.
5. Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter, en C.C.W. Lange en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2016.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) G.J. van Gendt
IJ