Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2016:4019

2016-10-07 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 15-5895 WWAJ
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2016-10-07
Publicatiedatum
2016-10-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
15-5895 WWAJ
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

In tussenuitspraak geoordeeld dat bestreden besluit geen stand kan houden. Aan begeleidingsbehoefte is voldaan. Jobcoach is een voorziening in de kader van de re-integratie. Terecht vastgesteld dat appellante geen recht heeft op WWAJ.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.071 tekens)
13/5895 WWAJ

Datum uitspraak: 7 oktober 2016


Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland
van 23 september 2013, 13/2726 (aangevallen uitspraak)


Partijen:



[Appellante] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


PROCESVERLOOP


De Raad heeft op 11 september 2015 een tussenuitspraak gedaan, ECLI:NL:CRVB:2015:3259.


Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij brief van 31 december 2015 een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gedateerd 24 december 2015 ingediend.


Bij brief van 25 januari 2016 heeft mr. E.S. Lassche, advocaat, een zienswijze ingediend.


Beide partijen hebben desgevraagd hun visie gegeven op de betekenis van de uitspraak van 19 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:913, voor dit geschil.


De zaak is opnieuw behandeld ter zitting van 26 augustus 2016. Appellante is verschenen, vergezeld door mr. Lassche en W. Elsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.


OVERWEGINGEN


1.1.
Voor een uitvoerige uiteenzetting van de feiten waarvan bij de oordeelsvorming wordt uitgegaan wordt verwezen naar de tussenuitspraak van 11 september 2015. Hier wordt volstaan met het volgende.



1.2.
In de tussenuitspraak is geoordeeld dat het besluit van 25 april 2013 (bestreden besluit) wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel geen stand kan houden. Het Uwv heeft ter motivering van zijn standpunt niet kunnen volstaan met een verwijzing naar de algemene inhoudsomschrijving van de functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij zijn beoordeling niet onderzocht of de geselecteerde functies voldoen aan het vereiste van feitelijke begeleiding in een mate en intensiteit die tegemoetkomen aan de specifieke beperkingen van appellante. Evenmin is bezien of van de werkgevers in redelijkheid kan worden gevergd een jobcoach op de werkplek toe te laten om appellante te begeleiden. Het Uwv is de opdracht gegeven dit gebrek te herstellen.



2.1.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op 24 december 2015 besproken dat de benodigde begeleiding te realiseren is in de geselecteerde functies.



2.2.
Appellante heeft te kennen gegeven dat zij onverminderd van mening is dat zij niet in staat is arbeid op de reguliere arbeidsmarkt te verrichten. De noodzakelijke begeleiding kan niet door een leidinggevende of collega gegeven worden, maar moet door een professionele hulpverlener worden verleend.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.




3.1.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij rapport van 24 december 2015 afdoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies voldoen aan de beperkingen van appellante als neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 april 2013 en geschikt zijn te achten voor appellante. Appellante heeft meer begeleiding nodig dan anderen. Hiertoe is de aanwezigheid van een collega of leidinggevende vereist, die hulp kan bieden wanneer dat nodig is. In de geselecteerde functies is sprake van collega’s en/of leidinggevenden op de werkvloer. Aan de begeleiding door de leidinggevende worden geen specifieke kwantitatieve of kwalitatieve eisen gesteld. Hiermee is, mede in aanmerking genomen dat het gaat om eenvoudige, productiematige functies, afdoende rekening gehouden met de begeleidingsbehoefte van appellante, zoals vermeld onder 1.9.3 in de FML. In de uitspraak van de Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:913) is neergelegd dat de jobcoach een voorziening is in de kader van de re-integratie en in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet van belang is. Gelet hierop is de vraag of van een werkgever in redelijkheid kan worden gevergd een jobcoach toe te laten niet aan de orde.



3.2.
Dit betekent dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.

4. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:375) dient op grond van wat is overwogen in 3.1, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond te worden verklaard, het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en dienen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te worden gelaten.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten aan verleende rechtsbijstand worden in bezwaar begroot op € 992,-, in beroep begroot op € 1.197,50 en in hoger beroep op € 1.488,-.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep




vernietigt de aangevallen uitspraak;


verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 april 2013;


bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;


veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.677,50;


bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 162,- vergoedt.





Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2016.





(getekend) J.P.M. Zeijen





(getekend) L.L. van den IJssel





RB