Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2016:3584

2016-09-27 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 15/5194 WWB
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2016-09-27
Publicatiedatum
2016-09-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
15/5194 WWB
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Verzwegen bijdrage voor de kinderen. Schending inlichtingenverplichting.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.253 tekens)
15/5194 WWB

Datum uitspraak: 27 september 2016


Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2015, 14/7829 (aangevallen uitspraak)


Partijen:



[appellante] te [woonplaats] (appellante)


het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college)


PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.S. Krol, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2016. Namens appellante is verschenen mr. R.F.H. Tamboenan, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.D. Fritz.


OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.



1.1.
Appellante ontvangt sinds 14 juni 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.



1.2.
Naar aanleiding van een tip op 24 mei 2014 dat appellante al jaren maandelijks geld van haar ex-partner [S.] (S) ontvangt voor de zorg van haar kinderen, is een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek is onder meer dossieronderzoek verricht, op 3 juni 2014 een gesprek gevoerd met appellante en zijn de rekeningafschriften van haar bank-, giro- en spaarrekeningen over de periode vanaf 1 januari 2013 opgevraagd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport wijziging levensonderhoud WWB (rapport) van 3 juni 2014 van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Capelle aan den IJssel (SZ).



1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 9 juli 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 oktober 2014 (bestreden besluit), - voor zover van belang - de bijstand van appellante over de periode 1 januari 2013 tot 1 juni 2014 te herzien en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 7.287,04 van haar terug te vorderen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante over de periode van januari 2013 tot juni 2014 betalingen ten behoeve van haar kinderen op haar rekening heeft ontvangen van S en dat zij dit nooit bij SZ heeft gemeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep, gelet op wat ter zitting is besproken, nog op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



4.1.
Appellante heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet geschonden heeft omdat het college op de hoogte was van de stortingen door S.



4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Ter zitting is door appellante nader toegelicht dat haar beroepsgrond berust op een aanname dat het college op de hoogte was van de stortingen
door S. Deze aanname berust op de omstandigheid dat tijdens een eerdere periode van 2007 tot en met 2010 van bijstandverlening aan appellante het college verhaal heeft gepleegd op S. S betaalde aan de gemeente en appellante ontving toen enkel bijstand met een toeslag. Van de stortingen sinds januari 2013 heeft appellante het college echter nooit op de hoogte gesteld, waarmee zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de stortingen door S van invloed konden zijn op haar recht op bijstand. Te meer omdat zij, anders dan in de periode van 2007 tot en met 2010, naast de bijstand met toeslag ook nog bedragen ontving van S, zonder dat dit in mindering werd gebracht op de bijstand.




4.3.
Voorts heeft appellante met een beroep op dringende redenen aangevoerd dat in het kader van de terugvordering ten onrechte geen rekening is gehouden met de kosten van de medicijnen voor haar minderjarige kinderen die aan ADHD lijden. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante niet heeft onderbouwd dat zij de kosten voor deze medicijnen daadwerkelijk moet voldoen en zo ja, hoe hoog deze kosten dan zijn.



4.4.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.H.M. van de Ven en Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2016.





(getekend) A.B.J. van der Ham





(getekend) J.L. Meijer





HD