Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2014:3501
2014-10-29
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
13-2814 WMO
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eigen bijdrage voor scootmobiel. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt daar aan toe dat dit oordeel overeenkomt met het oordeel van de Raad, zoals neergelegd in zijn uitspraak van 9 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1984.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2013:1984 Centrale Raad van Beroep 09-10-2013
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:CBB:2015:358 College van Beroep voor het bedrijfsleven 11-11-2015
Volledige tekst
Volledige tekst (4.690 tekens)
13/2814 WMO
Datum uitspraak: 29 oktober 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
18 april 2013, 12/3180 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Smit hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2014. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.R.I. Wildeman en P. Nicodem.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante had ten tijde hier van belang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een scootmobiel van het college in bruikleen.
1.2.
Bij brief van 5 mei 2011 heeft het college appellante geïnformeerd dat met ingang van
1 januari 2012 in de gemeente [woonplaats] een eigen bijdrage geldt voor alle voorzieningen die op grond van de Wmo zijn verstrekt. Voor appellante betekent dit dat zij er rekening mee moet houden dat zij met ingang van 1 januari 2012 een eigen bijdrage verschuldigd is voor het gebruik van de scootmobiel.
1.3.
Bij besluit van 22 december 2011 heeft het college appellante meegedeeld dat zij met ingang van 1 januari 2012 een eigen bijdrage is verschuldigd voor de scootmobiel. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.4.
Bij besluit van 12 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college, in afwijking van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, het bezwaar tegen het besluit van 22 december 2011 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is met het college en anders dan appellante van oordeel dat artikel 4.4, aanhef en onder a, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning niet in de weg staat aan het opleggen van een eigen bijdrage aan appellante met ingang van 1 januari 2012 voor het gebruik van de scootmobiel.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad verwijst voor een weergave van het wettelijk kader naar de aangevallen uitspraak.
4.2.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt daar aan toe dat dit oordeel overeenkomt met het oordeel van de Raad, zoals neergelegd in zijn uitspraak van 9 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1984, waarin de Raad heeft overwogen dat het in het systeem van de Wmo en het Bmo past dat het college flexibel gebruik moet kunnen maken van zijn bevoegdheid een eigen bijdrage op te leggen, ook als dit niet gelijktijdig met de verlening van de aanspraak op de voorziening plaatsvindt. De beroepsgrond dat een eigen bijdrage voor de onderhavige scootmobiel niet meer opgelegd kan worden, treft daarom geen doel.
4.3.
De beroepsgrond dat sprake is van strijd met de rechtszekerheid slaagt evenmin. Appellante is immers al bij brief van 5 mei 2011 geïnformeerd over de invoering van de eigen bijdrage voor de scootmobiel met ingang van 1 januari 2012. Daarmee is een ruime overgangstermijn in acht genomen.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Gelet hierop is veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk, zodat dit verzoek wordt afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en
D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2014.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) D. van Wijk
JS
Datum uitspraak: 29 oktober 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
18 april 2013, 12/3180 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Smit hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2014. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.R.I. Wildeman en P. Nicodem.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante had ten tijde hier van belang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een scootmobiel van het college in bruikleen.
1.2.
Bij brief van 5 mei 2011 heeft het college appellante geïnformeerd dat met ingang van
1 januari 2012 in de gemeente [woonplaats] een eigen bijdrage geldt voor alle voorzieningen die op grond van de Wmo zijn verstrekt. Voor appellante betekent dit dat zij er rekening mee moet houden dat zij met ingang van 1 januari 2012 een eigen bijdrage verschuldigd is voor het gebruik van de scootmobiel.
1.3.
Bij besluit van 22 december 2011 heeft het college appellante meegedeeld dat zij met ingang van 1 januari 2012 een eigen bijdrage is verschuldigd voor de scootmobiel. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.4.
Bij besluit van 12 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college, in afwijking van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, het bezwaar tegen het besluit van 22 december 2011 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is met het college en anders dan appellante van oordeel dat artikel 4.4, aanhef en onder a, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning niet in de weg staat aan het opleggen van een eigen bijdrage aan appellante met ingang van 1 januari 2012 voor het gebruik van de scootmobiel.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad verwijst voor een weergave van het wettelijk kader naar de aangevallen uitspraak.
4.2.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt daar aan toe dat dit oordeel overeenkomt met het oordeel van de Raad, zoals neergelegd in zijn uitspraak van 9 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1984, waarin de Raad heeft overwogen dat het in het systeem van de Wmo en het Bmo past dat het college flexibel gebruik moet kunnen maken van zijn bevoegdheid een eigen bijdrage op te leggen, ook als dit niet gelijktijdig met de verlening van de aanspraak op de voorziening plaatsvindt. De beroepsgrond dat een eigen bijdrage voor de onderhavige scootmobiel niet meer opgelegd kan worden, treft daarom geen doel.
4.3.
De beroepsgrond dat sprake is van strijd met de rechtszekerheid slaagt evenmin. Appellante is immers al bij brief van 5 mei 2011 geïnformeerd over de invoering van de eigen bijdrage voor de scootmobiel met ingang van 1 januari 2012. Daarmee is een ruime overgangstermijn in acht genomen.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Gelet hierop is veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk, zodat dit verzoek wordt afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en
D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2014.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) D. van Wijk
JS