Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808
2012-11-27
Bestuursrecht
12-2186 WWB
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Weigering toestemming voor verblijf in het buitenland. Beëindiging en intrekking bijstand. De Raad is met de rechtbank en het college van oordeel dat wat appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de gezondheidssituatie van zijn moeder niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake was van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Vaststaat immers dat het langere verblijf van appellant in Pakistan niet te maken had met de gezondheidssituatie van hemzelf.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (89)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4525 Rechtbank Gelderland 10-06-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8822 Rechtbank Noord-Holland 29-08-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2023:8281 Rechtbank Amsterdam 20-12-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:4511 Rechtbank Midden-Nederland 01-09-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:5864 Rechtbank Rotterdam 07-07-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:985 Centrale Raad van Beroep 13-06-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:985 Centrale Raad van Beroep 13-06-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:975 Centrale Raad van Beroep 16-05-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2268 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-04-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6814 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-11-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:2234 Centrale Raad van Beroep 11-10-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:2021 Centrale Raad van Beroep 06-09-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1716 Centrale Raad van Beroep 26-07-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1716 Centrale Raad van Beroep 26-07-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1682 Centrale Raad van Beroep 19-07-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1599 Centrale Raad van Beroep 12-07-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1238 Centrale Raad van Beroep 31-05-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1155 Centrale Raad van Beroep 10-05-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:554 Centrale Raad van Beroep 15-03-2022
- ECLI:NL:RBOBR:2022:868 Rechtbank Oost-Brabant 14-03-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:102 Centrale Raad van Beroep 18-01-2022
- ECLI:NL:CRVB:2021:3119 Centrale Raad van Beroep 07-12-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:2845 Centrale Raad van Beroep 16-11-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:2031 Centrale Raad van Beroep 13-08-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1996 Centrale Raad van Beroep 10-08-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:6043 Rechtbank Noord-Holland 22-07-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:3130 Rechtbank Midden-Nederland 12-07-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1648 Centrale Raad van Beroep 06-07-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1648 Centrale Raad van Beroep 06-07-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1331 Centrale Raad van Beroep 01-06-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1281 Centrale Raad van Beroep 25-05-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:1627 Rechtbank Midden-Nederland 22-04-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:874 Centrale Raad van Beroep 06-04-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:715 Centrale Raad van Beroep 30-03-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:493 Centrale Raad van Beroep 09-03-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:288 Centrale Raad van Beroep 02-02-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:138 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-01-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:10 Centrale Raad van Beroep 05-01-2021
- ECLI:NL:CRVB:2020:2962 Centrale Raad van Beroep 18-11-2020
- ECLI:NL:RBMNE:2020:5140 Rechtbank Midden-Nederland 12-11-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2464 Centrale Raad van Beroep 13-10-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2317 Centrale Raad van Beroep 29-09-2020
- ECLI:NL:RBROT:2020:6732 Rechtbank Rotterdam 29-07-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:1194 Centrale Raad van Beroep 09-06-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4765 Rechtbank Den Haag 28-05-2020
- ECLI:NL:CRVB:2019:4351 Centrale Raad van Beroep 31-12-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:3937 Centrale Raad van Beroep 26-11-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:2988 Centrale Raad van Beroep 03-09-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:2396 Centrale Raad van Beroep 23-07-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:1278 Centrale Raad van Beroep 04-04-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:643 Centrale Raad van Beroep 19-02-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:548 Centrale Raad van Beroep 05-02-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:536 Centrale Raad van Beroep 05-02-2019
- ECLI:NL:CRVB:2018:3415 Centrale Raad van Beroep 30-10-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:3257 Centrale Raad van Beroep 23-10-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:3299 Centrale Raad van Beroep 16-10-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:3137 Centrale Raad van Beroep 25-09-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2456 Centrale Raad van Beroep 31-07-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:2162 Centrale Raad van Beroep 17-07-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:1840 Centrale Raad van Beroep 19-06-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (5.266 tekens)
12/2186 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 februari 2012, 11/4245 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)
Datum uitspraak: 27 november 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H. Seddigh Afshar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken met nummers 10/6449 BBZ, 10/6512 BBZ en 12/2187 WWB plaatsgevonden op 16 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Seddigh Afshar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Schuurman. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving sinds 4 juni 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Aan hem was geen ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.
1.2. Op 9 november 2010 heeft appellant het college verzocht om toestemming voor verblijf in het buitenland in de periode van 12 november 2010 tot en met 3 december 2010. Appellant is op 15 november 2010 naar het buitenland vertrokken.
1.3. Bij besluit van 15 november 2010 heeft het college de toestemming geweigerd en de bijstand van appellant met ingang van 15 november 2010 beëindigd en vanaf 12 november 2010 ingetrokken. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in het kalenderjaar 2010 al 28 dagen in het buitenland heeft verbleven en dat hij daarom geen toestemming krijgt om in de periode 12 november 2010 tot 3 december 2010 naar het buitenland te gaan.
1.4. Bij besluit van 1 april 2011 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 15 november 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d (thans: e), van de WWB heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.
4.2. Vaststaat dat appellant eerder in 2010 al vier weken in het buitenland verblijf had gehouden, zodat het hem, gelet op 4.1, niet was toegestaan om in dat jaar nog langer met behoud van bijstand in het buitenland verblijf te houden. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 15 juni 2009, LJN BK3316) is de reden van het (langduriger) verblijf buiten Nederland op zichzelf niet van belang.
4.3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan toch bijstand worden verleend, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Appellant heeft zich beroepen op zeer dringende redenen en aangevoerd dat zijn moeder ernstig ziek was en het daarom noodzakelijk was dat hij met spoed naar Pakistan ging.
4.4. Voor zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 1 december 2009, LJN BK6576) is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Eveneens volgens vaste rechtspraak (CRvB 8 maart 2005, LJN AT4471) kunnen die dringende redenen uitsluitend betrekking hebben op degene die, hoewel hij geen recht heeft op bijstand, niettemin voor bijstand in aanmerking wil komen.
4.5. De Raad is met de rechtbank en het college van oordeel dat wat appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de gezondheidssituatie van zijn moeder niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake was van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Vaststaat immers dat het langere verblijf van appellant in Pakistan niet te maken had met de gezondheidssituatie van hemzelf.
4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M. Hillen en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2012.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) A.C. Oomkens
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 februari 2012, 11/4245 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)
Datum uitspraak: 27 november 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H. Seddigh Afshar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken met nummers 10/6449 BBZ, 10/6512 BBZ en 12/2187 WWB plaatsgevonden op 16 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Seddigh Afshar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Schuurman. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving sinds 4 juni 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Aan hem was geen ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.
1.2. Op 9 november 2010 heeft appellant het college verzocht om toestemming voor verblijf in het buitenland in de periode van 12 november 2010 tot en met 3 december 2010. Appellant is op 15 november 2010 naar het buitenland vertrokken.
1.3. Bij besluit van 15 november 2010 heeft het college de toestemming geweigerd en de bijstand van appellant met ingang van 15 november 2010 beëindigd en vanaf 12 november 2010 ingetrokken. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in het kalenderjaar 2010 al 28 dagen in het buitenland heeft verbleven en dat hij daarom geen toestemming krijgt om in de periode 12 november 2010 tot 3 december 2010 naar het buitenland te gaan.
1.4. Bij besluit van 1 april 2011 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 15 november 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d (thans: e), van de WWB heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.
4.2. Vaststaat dat appellant eerder in 2010 al vier weken in het buitenland verblijf had gehouden, zodat het hem, gelet op 4.1, niet was toegestaan om in dat jaar nog langer met behoud van bijstand in het buitenland verblijf te houden. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 15 juni 2009, LJN BK3316) is de reden van het (langduriger) verblijf buiten Nederland op zichzelf niet van belang.
4.3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan toch bijstand worden verleend, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Appellant heeft zich beroepen op zeer dringende redenen en aangevoerd dat zijn moeder ernstig ziek was en het daarom noodzakelijk was dat hij met spoed naar Pakistan ging.
4.4. Voor zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 1 december 2009, LJN BK6576) is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Eveneens volgens vaste rechtspraak (CRvB 8 maart 2005, LJN AT4471) kunnen die dringende redenen uitsluitend betrekking hebben op degene die, hoewel hij geen recht heeft op bijstand, niettemin voor bijstand in aanmerking wil komen.
4.5. De Raad is met de rechtbank en het college van oordeel dat wat appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de gezondheidssituatie van zijn moeder niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake was van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Vaststaat immers dat het langere verblijf van appellant in Pakistan niet te maken had met de gezondheidssituatie van hemzelf.
4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M. Hillen en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2012.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) A.C. Oomkens