Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202
2003-10-21
Bestuursrecht
00/3836 NABW, 00/3837 NABW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Toepassing artikel 4:6 van de Awb; gewijzigde formulering jurisprudentie.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (56)
- ECLI:NL:CRVB:2019:2322 Centrale Raad van Beroep 27-06-2019
- ECLI:NL:RBOBR:2018:3222 Rechtbank Oost-Brabant 05-07-2018
- ECLI:NL:CRVB:2017:2758 Centrale Raad van Beroep 09-08-2017
- ECLI:NL:CRVB:2016:4023 Centrale Raad van Beroep 25-10-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:3985 Centrale Raad van Beroep 18-10-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:3899 Centrale Raad van Beroep 18-10-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:3841 Centrale Raad van Beroep 14-10-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:3773 Centrale Raad van Beroep 11-10-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:3330 Centrale Raad van Beroep 07-09-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:2948 Centrale Raad van Beroep 03-08-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:2915 Centrale Raad van Beroep 26-07-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:2073 Centrale Raad van Beroep 02-06-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:1717 Centrale Raad van Beroep 03-05-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:1558 Centrale Raad van Beroep 28-04-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:1318 Centrale Raad van Beroep 07-04-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:1319 Centrale Raad van Beroep 07-04-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:1169 Centrale Raad van Beroep 29-03-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:787 Centrale Raad van Beroep 08-03-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:772 Centrale Raad van Beroep 02-03-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:424 Centrale Raad van Beroep 04-02-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:136 Centrale Raad van Beroep 14-01-2016
- ECLI:NL:CRVB:2015:4922 Centrale Raad van Beroep 30-12-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:4709 Centrale Raad van Beroep 22-12-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:4405 Centrale Raad van Beroep 08-12-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:4129 Centrale Raad van Beroep 18-11-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:4077 Centrale Raad van Beroep 17-11-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:4090 Centrale Raad van Beroep 05-11-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:3841 Centrale Raad van Beroep 03-11-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:3771 Centrale Raad van Beroep 29-10-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:3720 Centrale Raad van Beroep 27-10-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:3727 Centrale Raad van Beroep 27-10-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:2712 Centrale Raad van Beroep 12-08-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:2103 Centrale Raad van Beroep 24-06-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:2161 Centrale Raad van Beroep 19-06-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:1830 Centrale Raad van Beroep 29-05-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:1577 Centrale Raad van Beroep 21-05-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:1466 Centrale Raad van Beroep 08-05-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:1329 Centrale Raad van Beroep 15-04-2015
- ECLI:NL:CRVB:2014:3688 Centrale Raad van Beroep 11-11-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:3137 Centrale Raad van Beroep 25-09-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:2959 Centrale Raad van Beroep 09-09-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:2900 Centrale Raad van Beroep 02-09-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:2884 Centrale Raad van Beroep 26-08-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:2675 Centrale Raad van Beroep 06-08-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:2400 Centrale Raad van Beroep 16-07-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:2331 Centrale Raad van Beroep 09-07-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:2045 Centrale Raad van Beroep 13-06-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:1648 Centrale Raad van Beroep 14-05-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:1327 Centrale Raad van Beroep 18-04-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:1492 Centrale Raad van Beroep 18-04-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:1393 Centrale Raad van Beroep 15-04-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:1133 Centrale Raad van Beroep 08-04-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:803 Centrale Raad van Beroep 11-03-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:315 Centrale Raad van Beroep 05-02-2014
- ECLI:NL:CRVB:2013:2951 Centrale Raad van Beroep 19-12-2013
- ECLI:NL:CRVB:2013:2625 Centrale Raad van Beroep 27-11-2013
Volledige tekst
Volledige tekst (4.574 tekens)
00/3836 NABW
00/3837 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats], appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellanten hebben op de bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 21 juni 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 29 juli 2003, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft aan appellanten over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 algemene bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen verleend, voorlopig in de vorm van een geldlening.
Bij besluit van 25 mei 1998 heeft gedaagde de hoogte van de bijstand om niet definitief vastgesteld op een bedrag van
f 15.273,51. Tevens is bij dat besluit de in de vorm van een geldlening gehandhaafde bijstand ten bedrage van f 10.291,33 van appellanten teruggevorderd.
Appellanten hebben tegen het besluit van 25 mei 1998 geen bezwaar gemaakt maar bij brief van 9 oktober 1998 aan gedaagde verzocht zich nog eens over het besluit van 25 mei 1998 te willen buigen.
Bij twee gelijkluidende, aan elk van appellanten gerichte besluiten van 20 oktober 1998 heeft gedaagde appellanten doen weten dat het besluit van 25 mei 1998 onverkort gehandhaafd blijft.
Bij twee op 4 maart 1999 genomen besluiten heeft gedaagde - voorzover van belang - de bezwaren tegen de besluiten van 20 oktober 1998 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak van 21 juni 2000, zoals gerectificeerd bij brief van 29 juni 2000, is het beroep tegen de besluiten van 4 maart 1999 ongegrond verklaard.
Appellanten kunnen zich met die uitspraak niet verenigen.
De Raad heeft het volgende overwogen.
Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellanten strekt ertoe dat gedaagde terugkomt van zijn eerdere besluit van
25 mei 1998, welk besluit in rechte onaantastbaar is geworden omdat appellanten daartegen geen bezwaar hebben gemaakt.
Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Bij hun verzoek hebben appellanten aangevoerd dat zij de hun verleende bijstand hebben aangewend voor het aflossen van schulden en dat het negatieve bedrijfsresultaat daardoor alleen maar is opgelopen. Daarbij gaat het niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin maar om een argument dat in bezwaar tegen het besluit van
25 mei 1998 naar voren had kunnen worden gebracht.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 25 mei 1998. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voorzover aangevochten.
Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt aan de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2003.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns
(get.) P.C. de Wit
00/3837 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats], appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellanten hebben op de bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 21 juni 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 29 juli 2003, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft aan appellanten over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 algemene bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen verleend, voorlopig in de vorm van een geldlening.
Bij besluit van 25 mei 1998 heeft gedaagde de hoogte van de bijstand om niet definitief vastgesteld op een bedrag van
f 15.273,51. Tevens is bij dat besluit de in de vorm van een geldlening gehandhaafde bijstand ten bedrage van f 10.291,33 van appellanten teruggevorderd.
Appellanten hebben tegen het besluit van 25 mei 1998 geen bezwaar gemaakt maar bij brief van 9 oktober 1998 aan gedaagde verzocht zich nog eens over het besluit van 25 mei 1998 te willen buigen.
Bij twee gelijkluidende, aan elk van appellanten gerichte besluiten van 20 oktober 1998 heeft gedaagde appellanten doen weten dat het besluit van 25 mei 1998 onverkort gehandhaafd blijft.
Bij twee op 4 maart 1999 genomen besluiten heeft gedaagde - voorzover van belang - de bezwaren tegen de besluiten van 20 oktober 1998 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak van 21 juni 2000, zoals gerectificeerd bij brief van 29 juni 2000, is het beroep tegen de besluiten van 4 maart 1999 ongegrond verklaard.
Appellanten kunnen zich met die uitspraak niet verenigen.
De Raad heeft het volgende overwogen.
Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellanten strekt ertoe dat gedaagde terugkomt van zijn eerdere besluit van
25 mei 1998, welk besluit in rechte onaantastbaar is geworden omdat appellanten daartegen geen bezwaar hebben gemaakt.
Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Bij hun verzoek hebben appellanten aangevoerd dat zij de hun verleende bijstand hebben aangewend voor het aflossen van schulden en dat het negatieve bedrijfsresultaat daardoor alleen maar is opgelopen. Daarbij gaat het niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin maar om een argument dat in bezwaar tegen het besluit van
25 mei 1998 naar voren had kunnen worden gebracht.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 25 mei 1998. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voorzover aangevochten.
Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt aan de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2003.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns
(get.) P.C. de Wit