College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:375
2026-07-23
Bestuursrecht
25/500
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Uit artikel 23, aanhef en onder a, van het Kaderbesluit volgt dat voldoende vertrouwen moet bestaan dat de onderneming de activiteiten kan financieren. Het is dus aan de onderneming om dit aannemelijk te maken. De staatssecretaris is terecht tot de conclusie gekomen dat de Elweco-Medo daar niet in is geslaagd. De stukken die Elweco-Medo ter onderbouwing van de financiering heeft overgelegd, zijn daarvoor niet voldoende.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CBB:2026:19 College van Beroep voor het bedrijfsleven 27-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.518 tekens)
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 25/500
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
23 juli 2026
Voorzitter: mr. B. Bastein
Griffier: A.T.C. Verhoeve
Partijen
Elweco-Medo B.V., te Laren, waarvoor onder meer aanwezig zijn [naam 1] en [naam 2]
en
de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: N. Adams)
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft de aanvraag van Elweco-Medo voor subsidie voor een investering bestemd voor de inrichting van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie als bedoeld in titel 2.18 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies terecht afgewezen op grond van artikel 23, aanhef en onder a van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (Kaderbesluit), omdat er onvoldoende vertrouwen bestaat in de financiering van het investeringsproject.
2. Zoals het College eerder heeft geoordeeld, behoort het tot de verantwoordelijkheid van de aanvrager om een juiste en volledige subsidieaanvraag in te dienen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:19)). Uit artikel 23, aanhef en onder a, van het Kaderbesluit volgt dat voldoende vertrouwen moet bestaan dat de onderneming de activiteiten kan financieren. Het is dus aan de onderneming om dit aannemelijk te maken. De staatssecretaris is terecht tot de conclusie gekomen dat de Elweco-Medo daar niet in is geslaagd. De stukken die Elweco-Medo ter onderbouwing van de financiering heeft overgelegd, zijn daarvoor niet voldoende. De staatssecretaris heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de tendersystematiek tot gevolg heeft dat een ingediende subsidieaanvraag niet meer kan worden aangevuld. De staatssecretaris heeft dus terecht geen rekening gehouden met de nadere onderbouwing van de financiering die Elweco-Medo in bezwaar heeft ingebracht.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
w.g. B. Bastein A.T.C. Verhoeve
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 25/500
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
23 juli 2026
Voorzitter: mr. B. Bastein
Griffier: A.T.C. Verhoeve
Partijen
Elweco-Medo B.V., te Laren, waarvoor onder meer aanwezig zijn [naam 1] en [naam 2]
en
de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: N. Adams)
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft de aanvraag van Elweco-Medo voor subsidie voor een investering bestemd voor de inrichting van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie als bedoeld in titel 2.18 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies terecht afgewezen op grond van artikel 23, aanhef en onder a van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (Kaderbesluit), omdat er onvoldoende vertrouwen bestaat in de financiering van het investeringsproject.
2. Zoals het College eerder heeft geoordeeld, behoort het tot de verantwoordelijkheid van de aanvrager om een juiste en volledige subsidieaanvraag in te dienen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:19)). Uit artikel 23, aanhef en onder a, van het Kaderbesluit volgt dat voldoende vertrouwen moet bestaan dat de onderneming de activiteiten kan financieren. Het is dus aan de onderneming om dit aannemelijk te maken. De staatssecretaris is terecht tot de conclusie gekomen dat de Elweco-Medo daar niet in is geslaagd. De stukken die Elweco-Medo ter onderbouwing van de financiering heeft overgelegd, zijn daarvoor niet voldoende. De staatssecretaris heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de tendersystematiek tot gevolg heeft dat een ingediende subsidieaanvraag niet meer kan worden aangevuld. De staatssecretaris heeft dus terecht geen rekening gehouden met de nadere onderbouwing van de financiering die Elweco-Medo in bezwaar heeft ingebracht.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
w.g. B. Bastein A.T.C. Verhoeve