Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

College van Beroep voor het bedrijfsleven

ECLI:NL:CBB:2026:361

2026-08-04 Bestuursrecht 24/79
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
24/79
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; ABkort 2026/229

Inhoudsindicatie

Aan de slachterij is een last onder dwangsom (dwangsombesluit) opgelegd waaraan geen looptijd was verbonden. Vlak voor de zitting heeft de minister de werking van het dwangsombesluit voor de toekomst opgeheven, omdat er inmiddels 1,5 jaar zijn verstreken, de slachterij maatregelen heeft genomen en er sindsdien geen overtredingen zijn vastgesteld. De slachterij heeft vanwege de opheffing van het dwangsombesluit het beroep ingetrokken met het verzoek om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht (artikel 8:75a Awb). Het College stelt vast dat met de opheffing van het dwangsombesluit aan dit besluit de werking voor de toekomst is ontnomen. Daarmee is de minister uit eigen beweging deels tegemoetgekomen aan de vervoerder. Dat de opheffing is ingegeven doordat er geruime tijd is verstreken na het dwangsombesluit en de slachterij zich in die tijd aan de last heeft gehouden, maakt dit niet anders. Ook is hier niet doorslaggevend of de tegemoetkoming (kennelijk) is gebaseerd op andere gronden dan de aangevoerde beroepsgronden. Omdat in dit geval niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden afgezien van een proceskostenveroordeling, zal het College de minister veroordelen in de door de vervoerder gemaakte proceskosten.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.421 tekens)
uitspraak













COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN


zaaknummer: 24/79



uitspraak van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen

Compaxo Vlees Zevenaar B.V., te Zevenaar (slachterij)
(gemachtigde: F.Th.M. Peters)


en




de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen de minister)

(gemachtigde: mr. L. Harteveld)





Samenvatting


In deze uitspraak beslist het College, na de intrekking van het beroep, op het verzoek van de slachterij om een proceskostenvergoeding. Het College veroordeelt daarbij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten in beroep, omdat de staatssecretaris door het dwangsombesluit op te heffen gedeeltelijk aan de slachterij tegemoet is gekomen.




Beoordeling

1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen en omdat partijen, gelet op het bepaalde in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen gebruik hebben gemaakt van hun recht om ter zitting gehoord te worden, waarna het onderzoek is gesloten.

2 Het beroep van de slachterij was gericht tegen het besluit op bezwaar van
11 december 2023, waarin de staatssecretaris het bezwaar van de slachterij tegen de last onder dwangsom (dwangsombesluit) van 17 maart 2023 ongegrond heeft verklaard.

3 In het dwangsombesluit heeft de staatssecretaris de slachterij opgedragen om uiterlijk per 15 augustus 2024 (begunstigingstermijn) het mengen van varkens uit verschillende sociale groepen te staken, te laten staken en gestaakt te houden. Indien de slachterij hier niet of niet volledig aan voldoet, verbeurt zij per geconstateerde overtreding een dwangsom van € 10.000,- met een maximum van € 50.000,-. Aan het dwangsombesluit is geen looptijd verbonden.

4 Met het besluit van 9 februari 2026 heeft de staatssecretaris het dwangsombesluit opgeheven (opheffingsbesluit). Dit heeft de staatssecretaris gedaan omdat er sinds de begunstigingstermijn inmiddels anderhalf jaar zijn verstreken en de slachterij maatregelen heeft genomen om herhaling van de betreffende overtreding te voorkomen. Ook zijn er na afloop van de gestelde begunstigingstermijn geen nieuwe overtredingen in dit verband vastgesteld.

5 Omdat het dwangsombesluit is opgeheven, heeft het College de slachterij gevraagd welk belang zij heeft bij de beoordeling van haar beroep (procesbelang). De slachterij heeft hierop schriftelijk laten weten dat zij geen procesbelang meer heeft en het beroep intrekt met het verzoek om vergoeding van de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb en de vergoeding van het griffierecht.

6 De staatssecretaris heeft op het verzoek gereageerd. Volgens de staatssecretaris hoeft hij de proceskosten en het griffierecht niet te vergoeden omdat het dwangsombesluit niet is ingetrokken, maar is opgeheven. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het dwangsombesluit nog steeds rechtmatig is, maar dat instandhouding van de last onder de huidige omstandigheden niet langer redelijk is. Hierbij heeft de staatssecretaris van belang geacht dat er inmiddels bijna twee jaar zijn verstreken sinds het verstrijken van de begunstigingstermijn en de slachterij naar tevredenheid van de staatssecretaris aan de last heeft voldaan. Van ‘tegemoetkomen’ zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Awb is volgens de staatssecretaris geen sprake, omdat het opheffingsbesluit niet (kennelijk) is genomen naar aanleiding van de aangevoerde beroepsgronden tegen het dwangsombesluit (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1754).

7 In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Awb.

8 Het College stelt vast dat met de opheffing van het dwangsombesluit aan dit besluit de werking voor de toekomst is ontnomen. Daarmee is de staatssecretaris uit eigen beweging deels tegemoetgekomen aan de slachterij. Dat de opheffing is ingegeven doordat er geruime tijd is verstreken na het dwangsombesluit en de slachterij zich in die tijd aan de last heeft gehouden, maakt dit niet anders. Dat laatste mag namelijk van de slachterij worden verwacht.
Ook is hier niet doorslaggevend of de tegemoetkoming (kennelijk) is gebaseerd op andere gronden dan de aangevoerde beroepsgronden. Gelet op het vorenstaande is voldaan aan het in artikel 8:75a van de Awb gestelde vereiste dat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Omdat in dit geval niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden afgezien van een proceskostenveroordeling, zal het College de staatssecretaris veroordelen in de door de slachterij gemaakte proceskosten.

9 In het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren. De proceskosten in beroep worden daarom in dit geval met toepassing van het Bpb vastgesteld op € 934,- (1 punt ter waarde van € 934,- voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor 1,0).

10 Ter voorlichting aan partijen merkt het College nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht ten bedrage van € 371,- te vergoeden voor de staatssecretaris rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.




Beslissing


Het College:



- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van de slachterij tot een bedrag van
€ 934,-;





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. R.W.L. Koopmans en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. E.M.M.A. Driessen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026







w.g. J.L.W. Aerts w.g. E.M.M.A. Driessen



Afschrift verzonden aan partijen op: