College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2024:762
2024-10-01
Bestuursrecht
23/1431
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
herzieningsverzoek, geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, niet evident onredelijk
Citeert (1)
- ECLI:NL:CBB:2024:596 College van Beroep voor het bedrijfsleven 27-08-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.674 tekens)
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1431
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2024
Rechter: mr. B. Bastein
Griffier: mr. P.M. Beishuizen
Partijen
[naam 1] B.V. te [plaats] (onderneming) waarvoor aanwezig is [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken vertegenwoordigd door mr. A.M.D. Dijkstra en mr. S. Piron
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De onderneming heeft op grond van de TVL een aanvraag ingediend om subsidie voor het kwartaal Q1 2021. De minister heeft de subsidie verleend en nadien met het besluit van 20 december 2022 vastgesteld. De onderneming heeft tegen deze vaststelling geen rechtsmiddelen ingediend. Op 13 maart 2023 heeft de onderneming een verzoek om herziening ingediend.
2 De minister heeft het verzoek afgewezen omdat de door de ondernemer bij de Belastingdienst ingediende suppletie-aangifte geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De onderneming is het hier niet mee eens.
3 Het College geeft de onderneming geen gelijk. De minister heeft het herzieningsverzoek terecht afgewezen. De minister mocht namelijk bij het vaststellingsbesluit uitgaan van de gegevens van de Belastingdienst. Dat de onderneming na die vaststelling een suppletie-aangifte heeft ingediend is geen nieuw feit of veranderde omstandigheid die maakt dat de minister ten tijde van het vaststellingsbesluit anders had moeten oordelen (vergelijk de uitspraak van het College van 27 augustus 2024, ECLI:NL:CBB:2024:596, r.o. 10). Dat betekent dat het standpunt van de minister dat de onderneming geen nieuw gebleken of veranderde omstandigheden aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd juist is. Dit kan dus de afwijzing van dit verzoek om niet terug te komen van het vaststellingsbesluit dat in rechte onaantastbaar is geworden dragen. Dat is slechts anders als het evident onredelijk is om niet terug te komen van het eerdere besluit. Daarvan is ook niet gebleken. Daarbij is van belang dat de onderneming de mogelijkheid heeft gehad om rechtsmiddelen in te stellen tegen het vaststellingsbesluit. Dit heeft de onderneming niet gedaan.
w.g. B. Bastein w.g. P.M. Beishuizen
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1431
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2024
Rechter: mr. B. Bastein
Griffier: mr. P.M. Beishuizen
Partijen
[naam 1] B.V. te [plaats] (onderneming) waarvoor aanwezig is [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken vertegenwoordigd door mr. A.M.D. Dijkstra en mr. S. Piron
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De onderneming heeft op grond van de TVL een aanvraag ingediend om subsidie voor het kwartaal Q1 2021. De minister heeft de subsidie verleend en nadien met het besluit van 20 december 2022 vastgesteld. De onderneming heeft tegen deze vaststelling geen rechtsmiddelen ingediend. Op 13 maart 2023 heeft de onderneming een verzoek om herziening ingediend.
2 De minister heeft het verzoek afgewezen omdat de door de ondernemer bij de Belastingdienst ingediende suppletie-aangifte geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De onderneming is het hier niet mee eens.
3 Het College geeft de onderneming geen gelijk. De minister heeft het herzieningsverzoek terecht afgewezen. De minister mocht namelijk bij het vaststellingsbesluit uitgaan van de gegevens van de Belastingdienst. Dat de onderneming na die vaststelling een suppletie-aangifte heeft ingediend is geen nieuw feit of veranderde omstandigheid die maakt dat de minister ten tijde van het vaststellingsbesluit anders had moeten oordelen (vergelijk de uitspraak van het College van 27 augustus 2024, ECLI:NL:CBB:2024:596, r.o. 10). Dat betekent dat het standpunt van de minister dat de onderneming geen nieuw gebleken of veranderde omstandigheden aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd juist is. Dit kan dus de afwijzing van dit verzoek om niet terug te komen van het vaststellingsbesluit dat in rechte onaantastbaar is geworden dragen. Dat is slechts anders als het evident onredelijk is om niet terug te komen van het eerdere besluit. Daarvan is ook niet gebleken. Daarbij is van belang dat de onderneming de mogelijkheid heeft gehad om rechtsmiddelen in te stellen tegen het vaststellingsbesluit. Dit heeft de onderneming niet gedaan.
w.g. B. Bastein w.g. P.M. Beishuizen