Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

College van Beroep voor het bedrijfsleven

ECLI:NL:CBB:2024:414

2024-06-18 Bestuursrecht 23/466
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Uitspraakdatum
2024-06-18
Publicatiedatum
2024-06-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
23/466
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Uitspraak zonder zitting. TVL Q4 2021. De minister is terecht uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Geen 20% omzetverlies en subsidie daarom terecht vastgesteld op € 0,-. Beroep (kennelijk) ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (4.425 tekens)
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN


zaaknummer: 23/466




uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2024 in de zaak tussen




[naam] , te [woonplaats] (de onderneming)
(gemachtigde: J. van Elk)


en


de minister van Economische Zaken en Klimaat




Procesverloop


Met het besluit van 27 oktober 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 14.715,- teruggevorderd.



Met het besluit van 16 december 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.



De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



De minister heeft een verweerschrift ingediend.




Beoordeling



Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.


De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies.


De onderneming voert aan dat zij een partycentrum exploiteert. In Q3 van 2021 zijn daar nog feesten en partijen gegeven en alle facturen daarvoor zijn in Q4 van 2021 verstuurd. Deze omzet hoort dus bij Q3 van 2021, maar is in de aangifte omzetbelasting over Q4 van 2021 opgenomen. In Q4 van 2021 ging de sector weer ‘op slot’ en heeft de onderneming omzetverlies geleden. De onderneming verzoekt daarom de omzet aan te passen aan de hand van haar eigen financiële administratie, en niet uit te gaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt.


Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:306) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister er bij de berekening van het omzetverlies terecht geen rekening mee heeft gehouden dat (een deel van) de aan de Belastingdienst over Q4 van 2021 opgegeven omzet betrekking heeft op prestaties die zijn geleverd in Q3 van 2021.


5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.



Beslissing


Het College verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2024.








w.g. B. Bastein de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen




Afschrift verzonden aan partijen op:





Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.


Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl