Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

College van Beroep voor het bedrijfsleven

ECLI:NL:CBB:2023:120

2023-03-07 Bestuursrecht 22/103
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Uitspraakdatum
2023-03-07
Publicatiedatum
2023-03-06
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
22/103
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

SVL. Beroep ongegrond. De onderneming van appellante is buiten de wettelijk vereiste periode ingeschreven in het handelsregister. Geen strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.240 tekens)
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN


zaaknummer: 22/103


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2023 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante,


en


de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en C. Zieleman).




Procesverloop


Met het besluit van 22 juli 2021 heeft verweerder de aanvraag van appellante voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten startende MKBondernemingen COVID-19 (SVL) afgewezen.



Met het besluit van 3 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.



Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2023. Daaraan hebben [naam 2] , directeur van appellante, en de gemachtigden van verweerder deelgenomen.




Overwegingen

1. Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een subsidie op grond van de SVL voor het eerste kwartaal van 2021. Appellante exploiteert een horecabedrijf. De onderneming is op 19 juni 2019 ingeschreven in het handelsregister. Vanwege een grote verbouwing en de aanvraag van de benodigde omgevingsvergunning en drank- en horecavergunning is appellante pas op 17 februari 2020 met haar bedrijfsactiviteiten gestart.

2. Verweerder heeft de aanvraag voor een subsidie op grond van de SVL afgewezen, omdat appellante niet voldoet aan de bij de SVL gestelde eisen. Om in aanmerking te komen voor de SVL, moet de inschrijfdatum van de onderneming in het handelsregister namelijk liggen in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 30 juni 2020. Deze voorwaarde volgt uit artikel 2.1.1., tweede lid, aanhef en onder c, van de SVL. Nu de onderneming van appellante op 19 juni 2019 is ingeschreven in het handelsregister, valt zij buiten de doelgroep van de SVL. Verweerder heeft de aanvraag daarom afgewezen.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming van appellante op 19 juni 2019 is ingeschreven in het handelsregister. Zoals het College heeft overwogen in de uitspraak van 11 oktober 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:700), dient de aangewezen periode in de SVL van 1 oktober 2019 tot en met 30 juni 2020 om de doelgroep van de SVL af te bakenen. Daarmee is deze situatie anders dan de situatie die voorlag in de uitspraak van 31 augustus 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:845), waarbij de vraag centraal stond wat als referentieperiode beschouwd moet worden en waarbij het College geoordeeld heeft dat daarvan afgeweken kon worden als er juridische belemmeringen in de weg stonden om te beginnen met het genereren van omzet. Het College is van oordeel dat het verschil tussen deze situaties des te zwaarder weegt omdat de periode in de SVL de werkingssfeer van de SVL afbakent van de TVL, die zijn eigen startersregeling kent.

4. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat verweerder de subsidieaanvraag op grond van de SVL terecht heeft afgewezen. Dat de afbakening van de doelgroep, zoals neergelegd in artikel 2.1.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de SVL, voor appellante tot gevolg heeft dat zij niet in aanmerking komt voor subsidie op grond van de SVL, maakt niet dat er sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

5. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.




Beslissing


Het College verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van E.E.M. Koomen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2023.










De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.













De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.