Katvanger. “Tenzij anders blijkt” a.b.i. art. 1.3 WVW1994. Verweerin hoger beroep: een katvanger kan niet worden gelijkgesteld aan eigenaar of houder. HR: met zijn overweging “ dat de wettelijke bedoeling van art. 1.3 WVW1994 juist opgang doet ingeval iemand, zoals i.c., als kat
Wegenverkeerswet 1994
Art. 1 WVW
Genoemd in 25 uitspraken · Officiële wettekst
25 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Katvanger. “Tenzij anders blijkt” a.b.i. art. 1.3 WVW1994. Verweerin hoger beroep: een katvanger kan niet worden gelijkgesteld aan eigenaar of houder. HR: met zijn overweging “ dat de wettelijke bedoeling van art. 1.3 WVW1994 juist opgang doet ingeval iemand, zoals i.c., als kat
Conclusie AG over de vraag of de verdachte gezegd kan worden ten tijde van de snelheidsovertreding de houder van het voertuig te zijn geweest. De AG geeft de Hoge Raad in overweging de uitspraak te vernietigen en de zaak naar het hof terug te wijzen.
Keuringsbewijs van het voertuig heeft zijn geldigheid verloren. De betrokkene was verantwoordelijk voor de naleving van de keuringsplicht. Onwetendheid over de geldende voorschriften komt voor rekening van de betrokkene.
Voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder is geen keuringsbewijs afgegeven. De kentekenhouder betwist dat hij de eigenaar/houder is van het voertuig, zodat de beschikking ten onrechte aan hem is opgelegd. Het rechtsvermoeden dat de kentekenhouder de eigenaar of houder is van he
APK-sanctie opgelegd aan kentekenhouder. De in artikel 1, derde lid, WVW 1994 opgenomen fictie dat de kentekenhouder in beginsel als eigenaar of houder van een voertuig wordt beschouwd, dient in dit geval te wijken: niet de betrokkene, maar haar vader is de eigenaar van de auto.
Cassatie in het belang der wet. Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). Is een op geautomatiseerde wijze vaststellen van een gedraging (i.c. het niet hebben van een geldige APK vastgesteld middels registervergelijking) een gedraging vastgesteld door een bevoe
artikel 8 Besluit voertuigen
Bewijsklacht. Art. 8.1 WVW 1994. Rijden onder invloed. In aanmerking genomen dat het een feit van algemene bekendheid is dat het gebruik van morfine, codeïne en cocaïne de rijvaardigheid kan verminderen en verdachte niet heeft aangevoerd daarvan niet op de hoogte te zijn, is de
Herziening. Mbt de in de aanvrage gestelde omstandigheden kan niet worden gezegd dat de feitelijke stellingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd de rechter die de veroordeling heeft uitgesproken niet bekend waren. Aanvraag kennelijk ongegrond.