Ne bis in idem i.v.m. ontzegging rijbevoegdheid en ongeldigverklaring rijbewijs. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat de door het Hof opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid in strijd is met het aan art. 14.7 IVBPR en art. 68 Sr ten grondslag liggende ne bis in i
Wegenverkeerswet 1994
Art. 134 WVW
Genoemd in 37 uitspraken · Officiële wettekst
37 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
CAG over art. 9 lid 2 WVW 1994, rijden met een ongeldigverklaard rijbewijs. De AG gaat in op het bewijs van het van kracht zijn van de ongeldigverklaring en de eis dat de bestuurder moet weten of redelijkerwijze moet weten dat het rijbewijs ongeldig is verklaard. In het onderhavi
Alcoholslotprogramma (asp). Art. 8 WVW 1994. Bij de huidige Nederlandse regelgeving is de strafvervolging van een verdachte t.z.v. het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in strijd met de beginselen van een goede procesorde in die gevallen waarin verdachte o.g.v. datze
Bij besluit van 17 februari 2021 heeft het CBR [appellant] te kennen gegeven dat zijn rijbewijs ongeldig blijft. [appellant] is op 29 maart 2019 staande gehouden als bestuurder van een motorvoertuig. Er is toen een speekseltest bij [appellant] afgenomen, die een indicatie gaf vo
Niet-ontvankelijkheid OM wegens dubbele vervolging (ne bis in idem)? Vervolging t.z.v. rijden onder invloed (art. 8 WVW 1994), voor welk feit aan verdachte reeds verplichting tot deelname aan geschiktheidsonderzoek door het CBR is opgelegd. Blijkens art. 131.1.c jo. 134.2 WVW 199
Conclusie AG. Recidiveregeling van art. 123b WVW 1994. Besproken worden de vragen: 1. Is er in geval van dwingend voorgeschreven verlies van geldigheid van het rijbewijs in de in art. 123b WVW 1994 bepaalde gevallen sprake van een criminal charge? 2. Zo ja is deze regeling in str
Recidivestelsel art. 123b WVW 1994; van rechtswege verlies van geldigheid rijbewijs na recidive besturen onder invloed alcohol. Beroep op niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging op grond van onvermijdelijke schending van aan art. 68 Sr ten grondslag liggende ne bis in idem-b
mondelinge uitspraak, ongeldig verklaren rijbewijs door CBR vanwege drugsmisbruik, tweede onderzoek naar drugsmisbruik vond plaats voor het verstrijken van de recidiefvrije periode van één jaar na stopdatum, recidiefvrije periode niet aangetoond, beroep ongegrond
Conclusie AG. O.m. rijden terwijl verdachte wist dat geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst (art. 9.5 WVW 1994). Volgens de AG blijkt niet voldoende uit bewijsvoering hof dat verdachte wist dat geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. Conclusie strekt tot vernietiging en
Voor artikel 9, lid 5, WVW 1994 is vereist dat kan worden vastgesteld dat het rijbewijs van de verdachte is geschorst, dat het besluit is bekend gemaakt aan de verdachte én dat dat besluit ten tijde van het tenlastegelegde van kracht was. Vrijspraak.
Conclusie AG. Veroordeling voor rijden na ongeldigverklaring rijbewijs (art. 9.2 WVW 1994). Staat het beschikken over een buitenlands (Bosnisch) rijbewijs in de weg aan veroordeling tzv art. 9.2 WVW, eerste volzin? AG is komt na bespreking wettekst en ratio van de wet tot het oor
Conclusie AG. Strafvervolging na niet-naleving voorwaarden alcoholslotprogramma in combinatie met ongeldigverklaring rijbewijs. AG bespreekt de vraag naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
Gevolg bestuursrechtelijke invorderingsprocedure voor strafrechtelijke invordering rijbewijs.
Conclusie AG. Rijden met geschorst rijbewijs. Art. 9 lid 5 WVW 1994. Bekendmakingseisen ongeldig verklaard rijbewijs (a.b.i. art. 9 lid 2 eerste volzin WVW 1994) van overeenkomstige toepassing bij geschorst rijbewijs? De A-G oordeelt dat ook voor een bewezenverklaring van art. 9
Verzoeker heeft een verzoek om schadevergoeding ingediend. De bestuursrechter wijst dat verzoek af. Er is namelijk geen sprake van een onrechtmatig besluit. Het besluit is herroepen omdat in bezwaar nieuwe informatie beschikbaar kwam.
Varia. Wegenverkeerswet 1994. Onderzoek rijgeschiktheid. Eiser heeft een medisch onderzoek ondergaan en heeft tweemaal een rijtest afgelegd. Als gevolg van de uitkomsten van de rijtesten, is zijn rijbewijs ongeldig verklaard. Eiser kan zich niet vinden in de conclusie dat de rijt
Vrachtwagenchauffeur veroordeeld voor doodslag op politieambtenaar die motor bestuurde en overtreding van art 7 WVW. Motivering van het opzet. Verwerping verweer van geheugenverlies, een verweer dat met name ziet op art. 7 WVW. Straf en maatregel: conform eis 12 jaar gevangenisst
Rijden onder invloed, art. 8.2 aanhef onder a WVWV 1994, en ongeldigverklaring rijbewijs op de grond dat verdachte geen gehoor heeft gegeven aan besluit CBR tot onderzoek naar rijgeschiktheid, omdat dit onderzoek zou kunnen resulteren in deelname aan het alcoholslotprogramma. Sam
Niet-ontvankelijkheidsverweer in 8 WVW-zaak verworpen. Het CBR-onderzoek ex artikel 131 jo 133 WVW 1994 is geen criminal charge. Er is geen sprake van strijd met het ne bis in idem-beginsel of de beginselen van een goede procesorde.
De ongeldigverklaring van het rijbewijs vindt niet haar directe oorsprong in het strafbare feit waarvoor verdachte thans terecht staat. OM ontvankelijk in vervolging.
Het gaat om ongeldigverklaring van het rijbewijs. Verweerder heeft zich gehouden aan de toetsingsperiode van 12 maanden na de laatste aanhouding. Een gevolgde EMA hoeft niet per se in die periode te vallen. Wat de bloedwaarden betreft: de contra-expertises die eiser liet uitvoere
Wegenverkeerswet 1994. Bij besluit van het CBR van 12 november 2009 is het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard voor alle categorieën. Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening.
Wegenverkeerswet 1994. Bij besluit van 21 oktober 2009 van het CBR is het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard voor alle categorieën met ingang van 28 oktober 2009. Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening.
WVW 1994. Ongeldigverklaring rijbewijs. Inzage-, correctie- en blokkeringsrecht. Contra-expertise. Onvoldoende zorgvuldige voorbereiding. Beroep gegrond.
Ongeldigverklaring rijbewijs. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerster de rapportages van het eerste en tweede onderzoek niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan het bestreden besluit, nu niet duidelijk is op basis van welke relevante gegevens de conclusie kan worden g