Art. 94a en 552a Sv. Beklag, beslag. De Rb heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk - nu de kennisneming van die processtukken klaagster is onthouden - aangenomen dat het onderzoeksbelang eraan in de weg stond dat de stukken van het strafrechtelijk financieel onderzoek (s.f.o.) aan
Wetboek van Strafvordering
Art. 434 Sv
Genoemd in 659 uitspraken · Officiële wettekst
659 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 19 · live
HR: 81 RO. Conclusie AG: anders.
Middelen verdachte: HR 81 RO en vermindering van de opgelegde taakstraf i.v.m. overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. Middel van de b.p.: Art. 334.4 (oud) Sv (thans: art. 334.3 Sv). Het verzuim dat de b.p. niet in de gelegenheid is gesteld op het standpunt van de AG
HR: 81 RO
Strafoplegging. In aanmerking genomen dat het Hof in zijn overwegingen heeft betrokken dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte aangewezen maken hem bij het bepalen van de straf zo veel mogelijk tegemoet te komen en daarbij zo veel mogelijk als uitgangspunt heeft genomen
Het hof heeft de verdachte ten onrechte ontvangen in het h.b., dat niet binnen de termijn van art. 408.1 sub a Sv is ingesteld. HR vernietigt de bestreden uitspraak en verklaart de verdachte n-o in het h.b.
Het Hof heeft verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van 226 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. In aanmerking genomen dat het Hof blijkens de strafmotivering onmiskenbaar heeft bedoeld een gevangenisstraf op te leggen waarvan
Beklag. Veroordeelde is n-o verklaard in haar verzet tegen een dwangbevel ex art. 575.3 Sv. Ingevolge art. 575.3 Sv is een veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van de kosten ter griffie van het ge
Slagende bewijsklachten.
1. Verstek, terugwijzing naar rechter in e.a. 2. Bewijsklacht opzet. 3. Verstekmededeling, art. 366 Sv, redelijke termijn. Ad 1. Zowel het vonnis in e.a. als de bestreden uitspraak is bij verstek gewezen. De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN AD5163 (rov. 3.33 e
HR: art. 81 RO. Overschrijding redelijke termijn in cassatie.
Jeugdzaak. 1. Bewijsklacht. 2. Getuigenverklaring behelzende een feit of omstandigheid die de getuige niet zelf heeft waargenomen of ondervonden. 3. Strafoplegging in strijd met Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en/of beginselen behoorlijke procesorde. 4. Redelijke te
HR: art. 81 RO.
Betekening inleidende dagvaarding. HR herhaalt relevante overweging uit LJN AD5163. Nu uit de stukken van het geding niet blijkt dat is getracht de inleidende dagvaarding uit te reiken aan het door verdachte bij de politie genoemde adres, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit
Beklag, beslag. HR stelt HR NJ 1994/689 voorop. De Rechtbank heeft het klaagschrift ex art. 552a Sv ongegrond verklaard omdat het belang van de strafvordering zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen verzet. Het middel faalt nu de klager door zodanig (eventueel) v
Geen beslissing op getuigenverzoek. Er is een verzoek gedaan a.b.i. art. 328 jo. art. 331 Sv en 415 Sv en de aan dat verzoek verbonden voorwaarde is vervuld zodat een uitdrukkelijke beslissing op dat verzoek was vereist. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger bero
Ontvankelijkheid cassatieberoep. Verdachte is niet-ontvankelijk in het beroep, nu de schriftelijke volmacht van zijn advocaat aan een griffiemedewerker om cassatie in te stellen niet inhoudt dat hij daartoe bepaaldelijk door verdachte is gemachtigd.
Art. 31.1 Vluchtelingenverdrag. HR herhaalt relevante overwegingen uit LJN BO1587 m.b.t. “coming directly”. Het in de overwegingen van het Hof besloten liggende oordeel dat verdachte niet slechts “gedurende korte tijd” in Griekenland als transitland heeft verbleven is, nu het Hof
Getuigenverzoeken. Het Hof heeft de juiste maatstaf toegepast. Het Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat de aan het verzoek ten grondslag liggende stelling te speculatief is. Dit is, mede gelet op hetgeen in e.a. aan de orde is geweest, niet onbegrijpelijk en het is toereikend g
Getuigenverzoeken. Het Hof heeft de juiste maatstaf toegepast. Het Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat de aan het verzoek ten grondslag liggende stelling te speculatief is. Dit is, mede gelet op hetgeen in e.a. aan de orde is geweest, niet onbegrijpelijk en het is toereikend g
1. Noodweer(exces) en culpa in causa. 2. Vordering benadeelde partij. Ad 1. De HR stelt zijn overwegingen uit HR LJN AU8087 voorop. Gelet op de feitelijke vaststellingen van het Hof geeft zijn oordeel dat uit de gedragingen van de verdachte moet worden afgeleid dat hij de confron
Aanwezigheidsrecht. De mededeling van de griffier van de Rechtbank in het zich bij de stukken van het geding bevindende schrijven kon ASA Legal Assistent - dat geen beroep kan doen op het in art. 51 Sv ten aanzien van de raadsman bepaalde - niet opvatten als “bevestiging dat zij
Slagende bewijsklacht art. 30.4 WAM. Uit de bm kan niet worden afgeleid dat de verdachte heeft gereden.
Beklag, beslag, art. 552a Sv. HR herhaalt HR LJN BL2823 m.b.t. de aan te leggen maatstaven ex art. 94 of art. 94a Sv. De Rb heeft in het midden gelaten o.g.v. van welke bepaling of bepalingen het beslag is gelegd en niet (één van) de toepasselijke maatstaven aangelegd.
HR: de schriftelijke volmacht van de advocaat aan de griffiemedewerker om beroep in cassatie in te stellen voldoet niet aan de eisen van HR LJN BJ7810. Verdachte n-o in het cassatieberoep.