Getuigenverzoek. ’s Hofs afwijzing is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering, gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd.
Wetboek van Strafvordering
Art. 415 Sv
Genoemd in 1.647 uitspraken · Officiële wettekst
1.647 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 22 · live
Art. 322.3 Sv, art. 331.2 Sv, niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever het geven van toe- of instemming door een raadsman - zoals i.c. o.g.v. art. 322.3 Sv - heeft gezien als een bevoegdheid van de raadsman, die, naar volgt uit art.
1. Kennelijke misslag beslag. 2. Redelijke termijn. Ad 1. Het Hof heeft als gevolg van een kennelijke misslag t.a.v. een mobiele telefoon zowel de teruggave gelast aan verdachte als de bewaring daarvan gelast tbv de rechthebbende. HR doet de zaak zelf af. Ad 2. T.t.v. het instell
Art. 322.4 Sv. Casus: Hof hoort getuige ttz. Op een volgende tz. wordt het onderzoek opnieuw aangevangen. Klacht in cassatie: bij het opnieuw aanvangen heeft het Hof de bij schriftuur opgegeven getuigen niet gehoord c.q. opgeroepen. HR: onder “beslissingen van de Rb inzake het ho
1. Hervatting onderzoek tz. Art. 322.3 en 331 Sv. 2. Voorlopige beslissing op verzoek. Ad 1. Ex art. 322.3 Sv jo. art.331.1 Sv is, ingeval het onderzoek wordt hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing bevond, naast instemming van de verdachte ook die van
Verzoek verdediging. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het verzoek voorwaardelijk is gedaan, te weten voor het geval het Hof de stelling van de OvJ overneemt. Nu het Hof die stelling niet heeft overgenomen, is de aan het verzoek verbonden voorwaarde ni
Bewijsklacht. HR: art. 81 RO. HR merkt op dat niet wordt geklaagd dat het Hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen a.b.i. art. 359.3 Sv. CAG: anders
Combinatie ISD met bijkomende straffen. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AV1161. De HR neemt in aanmerking dat blijkens art. 9.5 Sr voor bijkomende straffen als algemeen uitgangspunt geldt dat zij gecombineerd mogen worden met andere straffen en dat niet valt in t
1. Getuigenverzoek. 2. Omvang cassatieberoep. Ad 1. Proces-verbaal noch arrest houdt een beslissing in op het verzoek a.b.i. art. 328 jo. 331 en 415 Sv. Dit verzuim heeft ingevolge art. 330 Sv nietigheid tot gevolg. Ad 2. Het cassatieberoep is mede gericht tegen feit 3, een overt
Art. 359.3 Sv. Uit de bewoordingen van art. 359.3 Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens verdachte ttz. vrijspraak is bepleit. In die bepaling wordt niet onderscheiden naar de grond waarop die vrijspraak is bepleit (vgl. HR LJN
Bewijsvoering. Denaturering verklaring verdachte. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AU1993. Het Hof heeft een verklaring van de verdachte, zoals in de aanvulling op het verkorte vonnis van de Rb is opgenomen, als bewijsmiddel gebezigd. Het stond het Hof niet vrij die
1. Ambtshalve: verjaring. 2. Ambtshalve: voorwaardelijke veroordeling tot gevangenisstraf, art. 14a Sr. Ad 1. Blijkens de aan de HR toezonden stukken is de bewaring van verdachte gevorderd. Nu tussen de tijdstippen waarop een aantal feiten volgens de tenlastelegging is begaan ene
Bekennende verdachte. Art. 359.3 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AX5776. Nu de verklaring van verdachte niet alle onderdelen van de bewezenverklaring betreft is ’s Hofs kennelijke oordeel dat kon worden volstaan met een opgave ex art. 359.3 Sv onbegrijpelijk. Co
Psychische overmacht, art. 40 Sr. Het Hof heeft niet aannemelijk geacht dat t.t.v. het schietincident bij verdachte een drang bestond waaraan hij geen weerstand kon of behoefde te bieden. Dat oordeel heeft het Hof gegrond op een waardering van de feitelijke omstandigheden van het
Aftrek voorarrest bij combinatie onvoorwaardelijke taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf. Het Hof heeft in strijd met art. 27.1 Sr nagelaten het voorarrest van de onvoorwaardelijk opgelegde taakstraf af te trekken en daarbij de maatstaf te bepalen, vgl. HR NJ 1997, 408. De
Verzoek tot het horen van een ttz. meegebrachte getuige. Blijkens het p-v van de ttz. van het Hof van 4-4-2006 heeft de raadsman aldaar het verzoek gedaan tot het horen van de meegebrachte getuige X. Een zodanig verzoek kan slechts worden afgewezen op de gronden genoemd in art. 2