1. Weigeren verdachte om gerechtelijk stuk in ontvangst te nemen. 2. Een omstandigheid a.b.i. art. 408.1 sub c Sv. Ad 1. In art. 588 Sv is niet voorzien in een bepaling die de weigering van verdachte om een gerechtelijk stuk in ontvangst te nemen gelijkstelt met uitreiking van da
Wetboek van Strafvordering
Art. 385 Sv
Genoemd in 51 uitspraken · Officiële wettekst
51 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Niet voldoen aan vordering om als kentekenhouder naam en personalia van bestuurder bekend te maken, art. 165.1 WVW 1994. Hof (enkelvoudige kamer) heeft verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.1.a Sv en art. 36e.1 en 36e
Conclusie AG over de rechtsgeldigheid van een betekening van een dagvaarding in persoon op het moment dat de verdachte is aangehouden op het politiebureau met toepassing van art. 587 lid 2 Sv. De dagvaarding is door de verbalisant aan de verdachte overhandigd, waarop de verdachte
Conclusie plv AG. Caribische zaak. De verdachte is in Curaçao veroordeeld wegens zedendelicten begaan tegen drie tienermeisje en vier jongvolwassen vrouwen die lid waren van een geloofsgemeenschap waarvan de verdachte de oprichter, organisatorisch en geestelijk leidsman was. Midd
1. Weigeren verdachte om gerechtelijk stuk in ontvangst te nemen. 2. Een omstandigheid a.b.i. art. 408.1 sub c Sv. Ad 1. In art. 588 Sv is niet voorzien in een bepaling die de weigering van verdachte om een gerechtelijk stuk in ontvangst te nemen gelijkstelt met uitreiking van da
Zedenzaak. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl het feit is begaan tegen een kind dat de verdachte verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin. Betrouwbaarheidsverweren, steunbewijs.
Conclusie AG. Ontvankelijkheid hoger beroep. Middel stelt aan de orde of uit het feit dat verdachte heeft geweigerd de mededeling uitspraak in ontvangst te nemen kan worden afgeleid dat er sprake is van een “omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte beke
Vrijspraak van: 1) het medeplegen van kindermishandeling, 2) het medeplegen van vrijheidsberoving en 3) het medeplegen van het in hulpeloze toestand brengen of laten van iemand tot wiens onderhoud, verpleging, verzorging hij krachtens wettelijke regeling of overeenkomst verplicht
Bedreiging met een vuurwapen van zijn ex-vriendin en haar nieuwe partner en verkrachting van zijn ex-vriendin. Bewijsminimum. Betrouwbaarheid van aangeefster.
Zedenzaak. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van zijn ex-partner. Overwegingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer, nu zij haar aangifte heeft willen intrekken. Verklaringe
Conclusie AG. Caribische zaak. Mishandeling van levensgezel (art. 2:273 jo. 2:277 Sr SM) en misbruik van minderjarige dochters van vriendin (art. 2:199 en art. 2:201 jo. 2:210 Sr SM). Falende middelen over 1. schending bewijsminimum van art. 385 lid 3 Sv SM en 2. tegenstrijdighe
Conclusie AG. Caribische zaak. Poging doodslag, overtreding Vuurwapenwet en vernieling. M1 en 2 bevatten diverse klachten over de bewijsvoering (redengevendheid, innerlijke consistentie, bewijsminimum en bevindingen van getuige). M3 klaagt over strijd met art. 14 lid 5 IVBPR, omd
Veroordeling poging verkrachting. Vrijspraak voor ontucht met minderjarigen vanwege onvoldoende steunbewijs verklaringen aangeefsters. Klap op de billen geen ontuchtige handeling. Gevangenisstraf 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, proeftijd 3 jaren
Vernietiging bewijsminimum ontucht. Ontuchtige handelingen met een minderjarig kind.
volgt.
Afpersing of seksuele dienst?
H.b. te laat ingesteld, art. 408.1.c Sv. Het Hof heeft vastgesteld dat een verbalisant heeft getracht de dagvaarding voor de tz. van de Pr aan verdachte uit te reiken, doch dat dit niet is gelukt omdat verdachte weigerde het stuk in ontvangst te nemen, waarop de verbalisant de in
Antilliaanse zaak. Rolbeslissing. Betekening van de aanzegging in cassatie ex art. 435 Sv in Sint Maarten. Op de gronden vermeld in de conclusie A-G moet worden aangenomen dat de uitreiking van de aanzegging a.b.i. art. 435 Sv niet op rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden, zod
-
1. Art. 51 Sv. 2. Art. 409.2 Sv. Ad 1. De raadsvrouwe stond de verdachte in e.a. bij. De OvJ ging in h.b. Het bijstaan in e.a. geldt tot het moment de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan dan wel daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Het Hof behoefde daarom niet te onder
HR: 81RO.