HR: 81.1 RO. Ambtshalve: strafoplegging art. 197 (oud) Sr en terugkeerrichtlijn. HR stelt rov. 4.7 van ECLI:NL:HR:2013:BY3151 en rov. 3.4. van ECLI:NL:HR:2013:BZ3791 voorop. Uit deze rechtspraak volgt dat vanaf 24 december 2010 de strafoplegging bij een veroordeling wegens hande
Wetboek van Strafvordering
Art. 358 Sv
Genoemd in 373 uitspraken · Officiële wettekst
373 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 8 · live
HR: art. 81.1 RO.
HR: 81.1 RO en volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Economische zaak. HR: 81.1 RO + strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.
Economische zaak. HR: 81.1 RO + strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.
Puttense moordzaak II. 1. Verwerping verweer. 2. Salduz. 3. Herhaald verzoek horen deskundigen. 4. Samenloop. Ad 1. Indien de aan het verweer en middel ten grondslag liggende stellingen dat de in 1994 in de DNA-databank opgenomen sporendragers volgens de destijds geldende regels
Art. 359.2 Sv, uos. Het Hof heeft hetgeen is aangevoerd kennelijk niet opgevat als een uos. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
HR: art. 81 RO.
N-o verklaring ingestelde h.b. Verdachte heeft h.b. ingesteld tegen het vonnis van de Rb, waarbij het OM n-o werd verklaard in de strafvervolging. De aan het oordeel van het Hof ten grondslag liggende rechtsopvatting dat een verdachte in zijn h.b. n-o kan worden verklaard als hij
Beroep op psychische overmacht. V.zv. het middel klaagt dat 's Hofs motivering niet voldoet aan het in art. 359.2.2e volzin Sv gegeven motiveringsvoorschrift t.a.v. uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, miskent het dat het hier een verweer betreft waarop ex art. 358.3 Sv bepaald
HR: 81 RO en strafvermindering i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn.
Verbeurdverklaring, art. 33a Sr. ’s Hofs oordeel dat de inbeslaggenomen auto vatbaar is voor verbeurdverklaring aangezien het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan, is niet z.m. begrijpelijk.
Art. 261 Sr. ’s Hofs oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 261 Sr, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte wist dat X als journalist voor het Algemeen Dagblad werkzaam was
Art. 359.2 Sv, art. 358.3 Sv. V.zv. het middel t.a.v. het verweer dat art. 2.1.1.4 APV Leeuwarden ondeugdelijk is bekendgemaakt en daarom niet verbindend is, klaagt dat het Hof niet heeft voldaan aan het motiveringsvoorschrift van art. 359.2.2e volzin Sv, miskent het dat het hier
Klacht over verzuim te beslissen op verweer dat bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn. Anders dan het middel voorstaat, heeft het Hof het betoog van de raadsman niet behoeven op te vatten als een uitdrukkelijk onderbou
Bewijsklacht. Het verweer dat verdachte in onwetendheid verkeerde omtrent de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs strekt ten betoge dat het bestanddeel dat hij ‘redelijkerwijs moet weten’ van de ongeldigverklaring als bedoeld in art. 9.2 WVW 1994 niet is vervuld, zodat vrijspraa
Economische zaak. Art. 1.2 Sr. Is na het begaan van het feit de delictsomschrijving in voor verdachte gunstige zin gewijzigd, dan is art. 1.2 Sr toepasselijk indien de wetswijziging voorvloeit uit een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het vóó
Noodweer(exces). Voor zover het middel klaagt dat niet is voldaan aan het motiveringsvoorschrift van art. 359.2, tweede volzin, Sv miskent het dat het beroep op noodweer(exces) een verweer betreft waarop ex art. 358.3 Sv bepaaldelijk moet worden beslist. Voor die beslissing geldt
Art. 359a Sv. HR stelt HR LJN AM2533 voorop. Het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat de opsporingsambtenaren in hun proces-verbaal in strijd met de waarheid hebben gerelateerd niet een vormverzuim oplevert dat van dien aard is dat niet-ontvankelijkverklaring van het OM m
HR: 81RO.
HR: 81 RO.
Piranha. Uitleg “werven voor gewapende strijd”, art 205.1 Sr. De tekst van art. 205 Sr noch de wetsgeschiedenis biedt steun aan de opvatting dat iemand die reeds “de gewapende strijd is toegedaan” niet meer kan worden geworven voor die gewapende strijd. Voor het ontstaan van stra
HR NJ 1990/719 dwingt niet tot de opvatting dat de handelwijze van de OvJ zoals i.c. door het hof vastgesteld zonder meer dient te leiden tot diens n-o in de vervolging.
Het Hof heeft verzuimd uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing te geven op een gevoerd verweer. Het middel is gegrond.
Art. 46 Wte 1995. Besluit Marktmisbruik. Voorwetenschap. Uitlokken van het met voorwetenschap bewerkstelligen van transacties. Voordeelvereiste. Tussenpersoon. HR herhaalt regel uit LJN BJ3301 over het handelen met voorwetenschap. Voor een veroordeling t.z.v. art. 46.2 Wte 1995 i