OM-cassatie. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ex art. 359.2 Sv in het requisitoir van de AG bij het hof. Het hof is van dit door uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door verdachte vrij te spreken zonder daarbij de bijzondere redenen op te geven die daartoe hebben gele
Wetboek van Strafvordering
Art. 350 Sv
Genoemd in 625 uitspraken · Officiële wettekst
625 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 24 · live
Verdachte staat op uitkijk, terwijl mededaders een man in zijn woning pinpas en pincode gaan afpersen, waarbij de man zich met zijn keukenmes verzet en door één van verdachtes mededaders met dat mes wordt gedood. In conclusie AG wordt het causaal verband tussen de poging tot afpe
Conclusie AG over nadere bewijsoverwegingen en de daaraan in HR NJ 2004, 165 gestelde eisen. I.c. heeft het hof ten onrechte in de nadere bewijsoverweging verwezen naar een verklaring van een medeverdachte die is afgelegd in diens eigen zaak hetgeen geen wettig bewijsmiddel is in
Onmiddelijkheidsbeginsel. Samenstelling gerecht. Na inhoudelijke behandeling wordt in een tussenarrest bepaald dat het dossier moet worden gecomplementeerd met de door de rb toegestane wijziging tenlastelegging. Dit stuk wordt op een nadere terechtzitting overgelegd, waarna het h
OM-cassatie. Het hof heeft ten onrechte de dagvaarding (betreffende belaging ex art. 285b.1 Sr) innerlijk tegenstrijdig geoordeeld, in aanmerking genomen dat de tenlastegelegde periode ruim 4 maanden beslaat, de feitelijke omschrijving achter de 3 gedachtestreepjes alle worden vo
OM-cassatie. Art. 46b Sr. 1. Voltooide poging sluit vrijwillige terugtred niet uit. 2. Van buiten komende factoren die ertoe hebben bijgedragen dat het misdrijf niet is voltooid, behoeven aan vrijwillige terugtred niet in de weg te staan. Ad 1. De opvatting dat voor vrijwillige t
Motivering geldboete die is opgelegd in verband met financieel gewin uit bewezenverklaarde feiten. In aanmerking genomen dat noch de gedingstukken noch het verhandelde ter terechtzitting zowel in eerste aanleg als in appel iets inhouden omtrent de draagkracht van verdachte, behoe
Geschil tussen de Staat en Begaclaim over de (verklaring voor recht tot) aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad jegens Van den Nieuwenhuyzen c.s. door tegen hem in de HCS-zaak en RDM-zaak - voor valsheid in geschrifte en misbruik van voorwetenschap - strafvervolging in te stell
1. Art. 125g (oud) Sv, tappen van advocaat tevens verdachte. 2. Poging van advocaat tot uitlokking beïnvloeding getuige. 3. Art. 285a (oud) Sr. 4. Gebruik getuigenverklaring. Ad 1. De r-c is o.g.v. art. 125g (oud) Sv niet bevoegd te bepalen dat gesprekken gevoerd d.m.v. een telef
Waarneming rechter na sluiting onderzoek ter terechtzitting (bijzondere loop verdachte waargenomen bij verlaten zittingszaal) geen wettig bewijsmiddel. Wil de eigen waarneming van de rechter als wettig bewijsmiddel kunnen meewerken tot het bewijs, dan zal deze ex art. 340 Sv bij
Zaak Anja Joos. Van het “in vereniging” plegen van geweld ex art. 141 Sr is sprake indien betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iem
Zaak Anja Joos. Van het “in vereniging” plegen van geweld ex art. 141 Sr is sprake indien betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iem
Verdachte, die al vele jaren binnen Ahold en haar dochters werkzaam was en in die zin mede beeldbepalend was voor het concern, heeft in zijn functie als lid van de Raad van Bestuur van Ahold, door de bewezen geachte gedragingen het vertrouwen geschonden dat in hem werd gesteld.
Invoer van draadloze telefoons in Nederland vanuit Taiwan en opslag ter distributie in Nederland van deze telefoons die niet voldoen aan de krachtens art. 10.1 of 10.2 Telecommunicatiewet gestelde voorschriften. De ec. pr heeft verdachte vrijgesproken. Bij gebreke van een bewezen
Afwijzing wrakingsverzoek.
Toetsing in cassatie. Na een behandeling bij verstek in appèl doet het middel een beroep op de vrijstellingsgrond van art. 5.b Leerplichtwet 1967. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte niet heeft gezorgd dat haar kinderen waren ingeschreven aan een school en overwogen dat
De uitspraak van een hof op een vordering ex art. 36e Sr dient ex art. 511g.2 jo. 415 jo. 359 Sv op straffe van nietigheid de inhoud te bevatten van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend. In dit geval is de schatting - behou
Aan verdachte is ism art. 41.1a Sv, nadat de zaak door het hof naar de rb was verwezen, niet ambtshalve een raadsman toegevoegd. 's Hofs oordeel dat dat verzuim i.c. niet aan de geldigheid van het onderzoek in eerste aanleg in de weg staat, is onjuist noch onbegrijpelijk. Bij dat
De opvatting dat, nu het hof heeft geoordeeld dat verdachte in eerste aanleg onvoldoende voorbereidingstijd heeft gehad en geen sprake is geweest van een eerlijk proces ex art. 6 EVRM, het hof de zaak ex art. 423.1 Sv naar de rb had dienen te verwijzen, is onjuist (HR NJ 1996, 55
1. Indien de strafrechter een last geeft ex art. 37.1 Sr tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ingeval ten aanzien van de verdachte reeds een plaatsing ingevolge de Wet BOPZ van kracht is, eindigt laatstgenoemde plaatsing door het onherroepelijk worden van de last van de
Geen verwijzing naar rb door hof indien de raadsman door rb ten onrechte niet als gemachtigde raadsman is erkend. Zelfs niet indien hem niet zou zijn toegestaan de afwezigheid van verdachte toe te lichten of een aanhoudingsverzoek te doen ter effectuering van het aanwezigheidsrec
Locatiegegevens vallen onder inlichtingen terzake van alle verkeer ex art. 125f (oud) en 126n Sv. Onder voormelde inlichtingen moeten worden verstaan: inlichtingen omtrent de wijze van totstandkoming en afwikkeling van telecommunicatieverkeer, zoals de betrokken aansluitnummers,
11 juni 2004 Eerste Kamer Nr. C03/045HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. J.H.E. Wanrooij, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie), gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERDE
Vervolg op HR NJ 2003, 2: HR verwerpt cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.
Vertrouwensregel in het verkeersrecht. De opvatting dat de bestuurder van een motorrijtuig die daarmee rijdt over een voorrangsweg, er - behoudens bijzondere gevallen - op mag vertrouwen dat het verkeer dat deze voorrangsweg kruist, voor hem de doorgang vrij laat of (tijdig) vrij