Vrijspraak in vrouwenhandelzaak. Niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid Sv.
Wetboek van Strafvordering
Art. 342 Sv
Genoemd in 1.667 uitspraken · Officiële wettekst
1.667 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 58 · live
Vrijspraak in vrouwenhandelzaak. Niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid Sv.
Art. 342.2 Sv. Unus testis, nullus testis. HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. art. 342.2 Sv uit HR LJN BK2094 en uit HR LJN BM2452 m.b.t. de motivering van de feitenrechter dat aan het bewijsminimum is voldaan. I.c. kan niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde ve
Verdachte staat terecht voor het plegen van ontucht met zijn toen minderjarige dochter. De de aangifte van het slachtoffer wordt onvoldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen, nu alle getuigen die over het handelen van verdachte hebben verklaard hun wetenschap of van het sla
Art. 359.2 Sv, uos t.a.v. betrouwbaarheid getuige. Hetgeen door de raadsvrouwe ttz. in h.b. is aangevoerd m.b.t. de verklaringen van de getuige kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinni
Onttrekking aan het verkeer. In aanmerking genomen dat is bewezenverklaard dat verdachte met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, valt zonder nadere motivering die ontbreekt niet in te zien hoe de bij verdachte inbeslagge
Bewijsminimum art. 342.2 Sv (unus testis, nullus testis). Zedenzaak. HR herhaalt de relevante overwegingen t.a.v. het bewijsminimum van art. 342.2 Sv uit HR LJN BK2094. De HR merkt nog op dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan dat bewijsminimum is voldaan, van bela
Ontucht met minderjarige. Afwijzing getuigenverzoek. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BI3847 m.b.t. het afzien van het ondervragen van een getuige indien het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verkl
Opgave van de bewijsmiddelen, bekennende verdachte. Art. 359.3 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2007, 108. ’s Hofs oordeel dat hier kon worden volstaan met een opgave is onjuist. Conclusie AG: vernietiging, maar op een andere grond.
Art. 342.2 Sv. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BK2094. In aanmerking genomen dat de bewezenverklaring slechts kan volgen uit de verklaringen van getuige X, en de overige bewijsmiddelen onvoldoende steun geven aan diens verklaringen, is de bewezenverklaring niet n
Om van medeplegen te kunnen spreken is bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader(s) vereist, gericht op het te plegen strafbare feit. De vraag of sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking, hangt sterk af van de feiten en omstandigheden van het conc
Eindhovense zedenzaak. Bewijsklacht. De bewezenverklaarde periode t.a.v. een feit kan niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. De bewezenverklaring is in dit opzicht derhalve ontoereikend gemotiveerd. Volgt terugwijzing t.a.v. feit 5 en de strafoplegging.
Vrijspraak van verkrachting van en het plegen van ontucht met een minderjarige. Er is geen bewijsmateriaal beschikbaar dat voldoende steun geeft aan de verklaring van het nichtje. De handelingen van verdachte behoeven niet ontuchtig van aard te zijn geweest en de verklaring van v
HR: 81 RO.
1. Bewijs valsheid i.d.z.v. art. 225 Sr. 2. Bewijs ‘heeft verzwegen’. Ad 1. De opvatting dat het op een factuur vermelden van minder arbeidsuren dan werkelijk zijn verricht, geen valsheid i.d.z.v. art. 225 Sr kan opleveren is onjuist. Mede gelet op hetgeen het Hof heeft overwogen
PROMIS; gewoonteheling; omkatten; vals kenteken; Verdachte heeft zich op grote schaal en gedurende een lange periode bezig gehouden met de heling van diverse voorwerpen, waaronder met name auto's uit het luxe segment. Daarnaast heeft verdachte twee auto’s en een quad omgekat. Gev
Bewijsklacht en betrouwbaarheid fotoconfrontatie. HR: art. 81 RO.
Een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek voorarrest voor zedendelicten. 1. Bewijsredenering en betrouwbaarheidsoordelen bij ontkennende verdachte van ontucht met kind jonger dan 12 jaar en aanranding. 2. TBS niet noodzakelijk, mede gelet op wetgeving over voorwaardelijke invr
1. Gebruik als bewijs. 2. Denaturering. Ad 1. Het bezigen tot bewijs van een tapgesprek en van een deel van de verklaring van een medeverdachte is in strijd met ’s Hofs overwegingen dat dat afgeluisterde telefoongesprek en dat deel van die verklaring niet tot bewijs zullen worde
‘Unis testis nullus testis’- regel. Ex art. 342.2 Sv kan het bewijs dat verdachte het tlg. feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de bewezenverklaring slechts kan volgen uit
Afwijzing (herhaald) getuigenverzoek. Voor de beoordeling van het opnieuw gedane verzoek tot het horen van een getuige geldt ingevolge art. 315 en art. 328 jo. art. 415 Sv de maatstaf of de noodzaak van het verzochte is gebleken (vgl. HR LJN AZ1702). Het Hof heeft bij de afwijzin
Bewijsklacht. De HR verstaat het bestreden arrest aldus dat het Hof de voor feit 2 gegeven vrijspraak door de Pr heeft beschouwd als zijnde niet aan zijn oordeel onderworpen. Het Hof is tot een bewezenverklaring gekomen van feit 1. De HR overweegt dat mede in het licht van de t.z
Overschrijding redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM.
CAG onder meer: Gelet op de verwijzing naar het bepaalde in art. 410 Sv berust het middel kennelijk op het standpunt dat het overleggen van een schriftuur ttz. gelijk moet worden gesteld aan het indienen van een schriftuur in de in art. 410.1 Sv bedoelde zin en binnen de in die b
Wettelijke rente mbt vordering bp. Het Hof is er kennelijk en niet onbegrijpelijk vanuit gegaan dat de bp heeft gevorderd verdachte tevens te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente. Dit onderdeel van de vordering was in appèl aan de orde omdat de bp zich in appèl had ge